Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3038

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
26/1500
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
paragraaf 3.1.3 Beleidsregels VOG-NP-RP 2025paragraaf 3.1.3.1 Beleidsregels VOG-NP-RP 2025paragraaf 3.1.4 Beleidsregels VOG-NP-RP 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering VOG voor taxichauffeur wegens verdenking zedenmisdrijf

Verzoeker, werkzaam als taxichauffeur, vroeg op 21 oktober 2025 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan. De staatssecretaris weigerde deze op 9 januari 2026 definitief vanwege een verdenking van een zedenmisdrijf gepleegd tijdens het werk, waarvoor verzoeker een dagvaarding ontving. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om voorlopig als houder van een VOG te worden behandeld.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de staatssecretaris bij de beoordeling van het objectieve criterium terecht uitgaat van de gegevens in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS), ook al is de strafzaak nog niet inhoudelijk beoordeeld. De verdenking vormt, indien herhaald, een risico voor de samenleving dat niet verenigbaar is met het werk als taxichauffeur. Het subjectieve criterium, waarbij het belang van verzoeker wordt afgewogen tegen het maatschappelijk belang, is eveneens niet in het voordeel van verzoeker beslist. De recente verdenking, de ernst van het feit en het besluit tot vervolging door het Openbaar Ministerie wegen zwaarder dan de persoonlijke omstandigheden en risicobeperkende maatregelen van verzoeker.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De uitspraak is voorlopig van aard en bindt niet in een bodemprocedure. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af tegen de weigering van de VOG vanwege een recente verdenking van een zedenmisdrijf.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1500

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. R.S.F. ten Kortenaar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. D.L. van der Wijst).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker tot afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Verzoeker is het niet met de afwijzing eens. Hij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Bij verzoek van 21 oktober 2025 heeft verzoeker de staatssecretaris verzocht om aan hem een VOG te verlenen. Verzoeker heeft de VOG nodig voor zijn werk als taxichauffeur. Bij brief van 28 november 2025 heeft de staatssecretaris het voornemen geuit om de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 5 december 2025 heeft verzoeker hiertegen een zienswijze ingediend. Bij besluit van 9 januari 2026 heeft de staatssecretaris definitief besloten om de aanvraag tot afgifte van de VOG af te wijzen. De staatssecretaris heeft namelijk vastgesteld dat verzoeker in aanraking is geweest met justitie vanwege een verdenking van opzet/schuldaanranding. Verzoeker heeft hiervoor een dagvaarding ontvangen. Dat de strafzaak nog niet door de strafrechter is beoordeeld, betekent volgens de staatssecretaris niet dat hij niet van deze verdenking mag uitgaan. Het gaat om een verdenking van een zedenmisdrijf, gepleegd in de taxi en op een moment dat verzoeker als taxichauffeur werkzaam was. Dit betreft een strafbaar feit dat zich bij uitstek niet laat verenigen met het doel van de aanvraag van de VOG. Gelet hierop bestaat volgens de staatssecretaris een risico voor de samenleving als verzoeker als taxichauffeur werkt. De staatssecretaris heeft dit risico vervolgens afgewogen tegen de persoonlijke belangen van verzoeker. Bij die afweging is hij tot de conclusie gekomen dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van verzoeker.
2.1.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij bij wijze van voorlopige voorziening behandeld moet worden als zijnde in het bezit van een VOG.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
Toetsingskader
4. In principe wordt de afgifte van een VOG geweigerd als wordt voldaan aan het zogenoemde ‘objectieve criterium’. Het objectieve criterium is de beoordeling of de justitiële gegevens van de aanvrager, als ze zich opnieuw zouden voordoen, gelet op het risico voor de samenleving, een probleem vormen voor het goed uitvoeren van de functie of taak waarvoor de VOG wordt aangevraagd. [1] Alle justitiële gegevens die binnen de geldende terugkijktermijn worden aangetroffen, kunnen worden meegenomen. Ook een dagvaarding, een kennisgeving van (niet) verdere vervolging, een eindezaakverklaring en beleidssepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van een aanvraag. Dat geldt niet als de gegevens zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak. [2]
4.1.
Daarnaast bestaat er het subjectieve criterium. Daarbij weegt de staatssecretaris het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG af tegen het belang van de samenleving bij bescherming tegen het bij het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. Als de staatsecretaris tot de conclusie komt dat het belang van de aanvrager zwaarder weegt, kan de VOG worden afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. [3]
Heeft het bezwaar van verzoeker enige kans van slagen?
5. Verzoeker heeft bezwaargronden naar voren gebracht tegen zowel de beoordeling van het objectieve criterium als de beoordeling van het subjectieve criterium. Ten aanzien van het objectieve criterium betoogt verzoeker dat de staatssecretaris de afwijzing ten onrechte heeft gebaseerd op een verdenking, waartegen hij zich nog niet heeft kunnen verweren. Zolang hij niet is veroordeeld moet worden uitgegaan van de onschuldpresumptie. Dat geldt te meer in een zedenzaak als hier aan de orde, waarbij in de regel niemand anders aanwezig is geweest dan het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In die situatie moet behoedzaam worden omgegaan met het trekken van een conclusie over het risico voor de samenleving. Verzoeker ontkent ten stelligste dat hij een passagier heeft aangerand, meent dat sprake is van een valse aangifte en stelt dit standpunt ook nader te kunnen onderbouwen. Hij verwacht dan ook te worden vrijgesproken. Onder die omstandigheden moet de registratie van de verdenking in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) buiten beschouwing worden gelaten. Omdat verzoeker verder een blanco strafblad heeft, wordt niet langer voldaan aan het objectieve criterium en bestaat geen aanleiding om de gevraagde VOG te weigeren. Ten aanzien van het subjectieve criterium betoogt verzoeker dat hij kostwinnaar is voor zijn gezin met vijf jonge kinderen en dat hij door de valse aangifte en de daarop geweigerde VOG zijn baan kwijt is geraakt. De gevolgen zijn groot zonder dat zijn strafbaarheid is vastgesteld. Verzoeker wijst er bovendien op dat hij na de aangifte een aantal maatregelen heeft getroffen: hij heeft camera’s in zijn taxi opgehangen, hij neemt geen individuele klanten meer aan en hij weigert klanten die onder invloed zijn. Daarnaast wijst verzoeker op het inmiddels uitgebrachte rapport van de reclassering waarin het recidiverisico – als het feit wordt bewezen – gering wordt geacht. Deze persoonlijke omstandigheden en risicobeperkende maatregelen heeft de staatssecretaris onvoldoende betrokken bij zijn beoordeling. Het besluit heeft daarom onevenredige gevolgen voor verzoeker.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de beoordeling van het objectieve criterium geen sprake is van strijd met de onschuldpresumptie. De staatssecretaris geeft geen oordeel over schuld of onschuld maar gaat enkel uit van de feitelijke registraties in het JDS en de vraag of er een risico voor de samenleving bestaat indien dit feit wordt gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie waarvoor de VOG wordt gevraagd. [4] Dit neemt niet weg dat de voorzieningenrechter begrijpt dat een aangifte vals kan zijn en dat het weigeren van een VOG als gevolg daarvan grote consequenties kan hebben. Zeker als iemand zich daartegen nog niet heeft kunnen verweren bij de strafrechter.
5.2.
In zijn algemeenheid geldt dat de staatssecretaris zich een oordeel moet vormen over de omstandigheden waaronder het strafbare feit is begaan en de rol die de verzoeker van een VOG hierin heeft gehad. Dit kan een rol spelen bij de beoordeling van het subjectieve criterium. Die beoordeling wordt moeilijker als een verzoeker het strafbare feit ontkent en er nog geen vonnis is gewezen in de strafzaak. De feiten noch de rol van de verzoeker bij het plegen van het strafbare feit staan op dat immers moment vast. Wat verzoeker in essentie betoogt is dat in die situatie de verdenking van een strafbaar feit moet worden weggedacht en niet mag worden betrokken bij de vraag of aan het objectieve criterium is voldaan. De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. Het is zoals gezegd niet aan de staatssecretaris om zich een oordeel te vormen over de schuldvraag van verzoeker, zodat hij mag uitgaan van de gegevens zoals die in de JDS zijn opgenomen. De mogelijke rol van de verzoeker hierbij speelt bij de toepassing van het objectieve criterium geen rol. De staatssecretaris heeft de vermelding van het zedenmisdrijf in het JDS dan ook bij zijn beoordeling mogen betrekken en heeft terecht geconcludeerd dat het feit waarvan verzoeker wordt verdacht, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving een belemmering vormt voor de behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden waarvoor de VOG is aangevraagd. Aan het objectieve criterium is voldaan.
5.3.
Over wat verzoeker heeft aangevoerd over het subjectieve criterium, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat de gevolgen van het weigeren van de VOG voor verzoeker, niet opwegen tegen het risico voor de samenleving. Daarbij weegt de staatssecretaris mee dat de verdenking nog recent is. Voor zover verzoeker de verdenking betwist, heeft de staatsecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat het niet om een licht vergrijp gaat en dat het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten om over te gaan tot vervolging van verzoeker. Dat betekent dat het OM de feiten in het strafdossier heeft bestudeerd en meent dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. Dit gegeven hoeft de staatssecretaris niet te negeren. Van de staatssecretaris kan bovendien niet worden verlangd dat hij het OM confronteert met tegenover hem gedane strafrechtelijke verweren en daarover een oordeel verlangt nog voordat de strafzaak door de rechter is afgedaan. Dat geldt ook ten aanzien van het advies van de reclassering, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico. Ook hierover heeft de strafrechter zich nog niet uitgelaten. Voor zover verzoeker maatregelen heeft getroffen om situaties waarvan hij wordt verdacht in de toekomst te voorkomen, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze maatregelen niet voldoende zijn om de geconstateerde risico’s weg te nemen. De effectiviteit van de maatregelen is namelijk afhankelijk van de toepassing door verzoeker zelf en bieden daarom onvoldoende zekerheid. Dat verzoeker kostwinner is heeft de staatsecretaris evenmin zwaarder moeten wegen dan hij nu heeft gedaan. Verzoeker kan een baan aannemen waarvoor hij geen VOG nodig heeft en ook op die manier voorzien in inkomen. De staatsecretaris heeft zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval niet aan het subjectieve criterium is voldaan.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft.

Conclusie en gevolgen

6. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd
te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit paragraaf 3.1.3 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.
2.Dit volgt uit paragraaf 3.1.3.1 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.
3.Dit volgt uit paragraaf 3.1.4 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.
4.ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4815, ro. 4.