Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2686

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
299636-25, 278958-25 en 243919-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor diefstal met geweld en twee winkeldiefstallen

Op 7 november 2025 pleegde verdachte samen met medeverdachten diefstal met geweld van een bodywarmer in Arnhem, waarbij het slachtoffer werd geslagen met een kruk en bedreigd met een mes. Verdachte en zijn medeverdachten werkten bewust samen om het bezit van het gestolen goed te verzekeren.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld voor winkeldiefstal op 20 oktober 2025 bij Gamma in Elst, waar hij een cilinderslot uit de verpakking nam zonder te betalen, en voor diefstal van flesjes iced tea op 28 juli 2025 bij NS Groep in Arnhem.

De rechtbank sprak verdachte vrij van afpersing omdat het slachtoffer zijn jas vrijwillig gaf, maar achtte diefstal met geweld en de winkeldiefstallen wettig en overtuigend bewezen. Verdachte kreeg een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 146 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, mede vanwege zijn jonge leeftijd, het ontbreken van eerdere veroordelingen en de noodzaak tot begeleiding.

De benadeelde partij kreeg € 1.000 aan smartengeld toegewezen met wettelijke rente vanaf 7 november 2025. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde dat de tijd in voorarrest in mindering wordt gebracht op de straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 300 dagen gevangenisstraf, waarvan 146 dagen voorwaardelijk, en betaling van € 1.000 smartengeld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/299636-25, 05/278958-25 en 05/243919-25
Datum uitspraak : 9 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats].
Raadsvrouw: mr. E.A.M.J. Heffels, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 05/299636-25
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas/bodywarmer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 1] en/of een derde toebehoorde(n) door
- die [aangever 1] om zijn jas/bodywarmer te vragen en/of (vervolgens) weg te lopen met die jas/bodywarmer en/of
- die [aangever 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een kruk, althans met een soortgelijk voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en/of
- die [aangever 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) bij de nek/keel te pakken en/of in een zogeheten wurggreep te houden en/of
- " steek hem, steek hem" te zeggen tegen en/of in de buurt van die [aangever 1], althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking;
subsidiair:
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een jas/bodywarmer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangever 1] om zijn jas/bodywarmer te vragen en/of (vervolgens) weg te lopen met die jas/bodywarmer en/of
- die [aangever 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een kruk, althans met een soortgelijk voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en/of
- die [aangever 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) bij de nek/keel te pakken en/of in een zogeheten wurggreep te houden en/of
- " steek hem, steek hem" te zeggen tegen en/of in de buurt van die [aangever 1], althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking;
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Arnhem op of aan de Roggestraat, althans in de binnenstad van Arnhem, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [aangever 1], welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- die [aangever 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een kruk, althans met een soortgelijk voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en/of
- die [aangever 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) bij de nek/keel te pakken en/of in een zogeheten wurggreep te houden;
Parketnummer 05/278958-25
hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Elst, gemeente Overbetuwe, een slot, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Gamma (gelegen aan de Industrieweg), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair:
hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Elst, gemeente Overbetuwe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een (cilinder)slot, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Gamma (gelegen aan de Industrieweg), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
- een (cilinder)slot uit het schap heeft gepakt,
- dit (cilinder)slot in zijn (jas)zak heeft gestopt, en/of
- ( vervolgens) geprobeerd heeft de verpakking van dit (cilinder)slot te openen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 05/243919-25
hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Arnhem een of meerdere flesjes iced tea, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan NS Groep, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Parketnummer 05/299636-25 – afpersing / diefstal met geweld / openlijke geweldpleging [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit, diefstal met geweld in vereniging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit (afpersing). Aangever heeft zijn jas vrijwillig overhandigd aan de medeverdachte.
Ook van het subsidiair ten laste gelegde feit (diefstal met geweld) moet verdachte volgens de raadsvrouw worden vrijgesproken. Er is geen sprake van een wegnemingshandeling, waardoor verduistering (artikel 321 van Pro het Wetboek van Strafrecht) eerder van toepassing lijkt te zijn dan diefstal. Dat delict is niet ten laste gelegd aan verdachte. Mocht de rechtbank daar anders over denken dan stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat verdachte geen rol heeft gehad bij de wegnemingshandeling. Er is ook geen sprake van een geweldshandeling.
Van het meer subsidiair ten laste gelegde feit (openlijke geweldpleging) moet verdachte eveneens worden vrijgesproken. Verdachte heeft alleen een verdedigende handeling uitgevoerd met als doel de geweldshandelingen van de medeverdachten te stoppen, en die verdedigende handeling kan niet worden gezien als een bijdrage in het kader van een openlijke geweldpleging. Voor zover er al sprake is geweest van bedreiging, moet de bedreiging worden gezien als een losstaand incident. Het (gewelds)incident dat hieraan vooraf ging was toen al ten einde.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op 7 november 2025 met zijn vriend richting het station in Arnhem liep en zij onderweg werden aangesproken door drie jongens. Jongen 1 had een lichte, dikke winterjas aan en droeg een pet, jongen 2 droeg een zwarte, dikke jas en jongen 3 had een lange zwarte jas aan. Jongen 1 vroeg om een sigaret en aangever heeft hem gebruik laten maken van zijn vape. Ze zijn met z’n allen naar een plek gelopen om sigaretten te halen. Ineens vroeg jongen 2 of hij de jas van aangever even aan mocht, omdat hij hem mooi vond. Aangever gaf zijn jas aan jongen 2 en deze jongen liep vervolgens samen met jongen 3 naar de hoek van de straat, waar ze met elkaar praatten. Ze wilden weglopen met de jas en aangever volgde hen en vroeg waar ze naartoe gingen. Jongen 3 zei: “als jullie ons blijven volgen, dan ga ik jullie moeder neuken”. Aangever bleef achter de jongens aan lopen en werd toen ineens door jongen 3 twee keer met een kruk tegen zijn linker bovenbeen geslagen. Aangever pakte de kruk vast en jongen 1 draaide zijn arm om zijn nek waardoor aangever niet meer kon bewegen. Daarna sloeg jongen 3 hem een aantal keer op zijn linkerhand met de kruk. Aangever had veel pijn. Hij probeerde de kruk te pakken en jongen 1 van zich af te slaan, maar dat lukte niet. Uiteindelijk wist hij te ontkomen en een vrouw heeft de politie gebeld. Terwijl aangever en zijn vriend op de politie stonden te wachten, kwamen twee van de jongens op hen afgerend. Jongen 1 riep tegen jongen 2: “steek hem, steek hem”. Dit was tegen de vriend van aangever gericht. De politie heeft twee jongens aangehouden en aangever herkende hen als jongen 1 en jongen 2. Laatstgenoemde had bij zijn aanhouding de bodywarmer van aangever aan. Dit was een zwarte bodywarmer van het merk Moncler. [2]
Getuige [getuige 1], de vriend van aangever, heeft verklaard dat jongen 2 vroeg of hij de jas van aangever even mocht proberen. Hij zou hem daarna teruggeven. Nadat aangever zijn jas had gegeven, begonnen de jongens raar gedrag te vertonen. Jongen 3 zei dat aangever zijn jas niet meer terug zou krijgen. De getuige liep samen met aangever naar jongen 3 toe en deze jongen sloeg aangever met de kruk. Jongen 1 bemoeide zich ermee en sloeg aangever met beide vuisten. Onderweg troffen ze een vrouw die de politie belde. Daarna kwamen jongen 1 en jongen 2 weer aanlopen en jongen 1 zei: “rijg hem aan het mes”. [3]
Getuige [getuige 2] verklaarde dat zij haar hond uitliet op de Bovenbeekstraat in Arnhem en zij zag dat een aantal jongens ruzie met elkaar had. Ze zag dat een jongen met een zwarte jas met een kruk om zich heen sloeg. Ze hoorde één van de jongens zeggen dat ze met zijn drieën zijn jas hadden gestolen. Zij heeft gezien dat de politie twee van de jongens heeft aangehouden. Dit waren de jongens die met het slachtoffer hadden gevochten. [4]
Op aanwijzen van aangever heeft de politie twee jongens aangehouden, te weten verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1]. [verdachte] droeg een beige bodywarmer en [medeverdachte 1] droeg de bodywarmer van aangever onder zijn eigen zwarte jas. [5]
Verdachte heeft verklaard dat hij die avond met zijn vrienden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in Arnhem was
[de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ]. [medeverdachte 2] had een lange jas aan en een kruk bij zich. [medeverdachte 1] zei tegen een jongen dat hij zijn jas mooi vond en hij vroeg of hij deze jas mocht proberen. Dat mocht van de jongen en [medeverdachte 1] zei dat hij de jas niet terug zou krijgen. Er ontstond een woordenwisseling en ze gingen vechten. [medeverdachte 2] heeft het slachtoffer met de kruk op zijn been geslagen. [6] Verdachte heeft verder verklaard dat hij de jongen was met de beige bodywarmer en dat hij een pet droeg. Hij heeft aan aangever gevraagd of hij zijn vape mocht gebruiken. Dat mocht van aangever. [7]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat zijn vriend aan aangever een sigaret heeft gevraagd. Aangever heeft hem zijn sigaret gegeven. De vriend van [medeverdachte 1] heeft vervolgens tegen [medeverdachte 1] gezegd dat hij de bodywarmer van de jongen erg leuk vond. [medeverdachte 1] heeft hierop tegen zijn vriend gezegd dat hij zich ‘geen zorgen moest maken’, en “Ik kan die bodywarmer van hem halen”. [medeverdachte 1] heeft vervolgens aan aangever gevraagd of hij zijn bodywarmer mocht passen. Hij heeft de bodywarmer aangetrokken onder zijn eigen jas en daarna wilde hij hem niet teruggeven: hij had die bodywarmer aan en zijn vriend vond hem heel mooi. Dus hij dacht ik geef die niet terug. [8]
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de persoon die jongen 1 wordt genoemd verdachte ([verdachte]) is, jongen 2 [medeverdachte 1] en jongen 3 [medeverdachte 2]. Verder staat vast dat [medeverdachte 1] bij zijn aanhouding de bodywarmer van aangever aan had en dat er die avond, nadat aangever zijn bodywarmer had afgegeven, geweld is gebruikt tegen aangever.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is hoe dit handelen juridisch gekwalificeerd dient te worden.
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing, nu aangever zijn bodywarmer vrijwillig aan medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gegeven. Het primair tenlastegelegde is dan ook niet bewezen en de rechtbank spreekt verdachte hiervan vrij.
De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan diefstal gevolgd door geweld en bedreiging met geweld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Op grond van de verklaringen van [medeverdachte 1] en verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte de persoon is geweest die aangever heeft aangesproken voor een sigaret/vape. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt verder dat deze vriend, verdachte dus, tegen [medeverdachte 1] heeft gezegd dat hij de bodywarmer van aangever leuk vond. Verdachte heeft dat ontkend maar de rechtbank ziet geen reden waarom [medeverdachte 1] daarover zou liegen. Toen verdachte aan [medeverdachte 1] zei dat hij de bodywarmer leuk vond, zei [medeverdachte 1] dat hij de bodywarmer ‘van hem kon halen’. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] al op het moment dat hij aan aangever vroeg of hij de bodywarmer mocht passen, niet van plan was om de bodywarmer terug te geven. [medeverdachte 1] heeft van meet af aan de bedoeling gehad om zich de bodywarmer wederrechtelijk toe te eigenen en heeft dat ook gedaan. Hij heeft de bodywarmer dus nooit rechtmatig onder zich gehad. Er is dan ook sprake van diefstal en niet van verduistering, zoals door de raadsvrouw van verdachte bepleit. Verdachte was ook van meet af aan op de hoogte van de intenties van [medeverdachte 1].
Toen aangever samen met zijn vriend besloot om de verdachten te volgen om zijn bodywarmer terug te halen, hebben verdachte en de medeverdachten geweld gebruikt en gedreigd om geweld te gebruiken om de bodywarmer zo (bij zich) te kunnen houden en veilig te stellen. Aangever is meermaals met een kruk geslagen door [medeverdachte 2] en hij is door verdachte (in ieder geval) om zijn nek gepakt en vastgehouden. Ook zijn [medeverdachte 1] en verdachte op aangever en zijn vriend afgerend waarbij verdachte tegen [medeverdachte 1] heeft gezegd dat hij de vriend van aangever moest steken. Bij dit geweld en deze dreiging met geweld is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Concluderend acht de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Parketnummer 05/278958-25 – (poging) diefstal Gamma [9]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primaire feit, winkeldiefstal bij de Gamma.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Er is geen sprake van diefstal, omdat niet gezegd kan worden dat verdachte het slot in de winkel bij zich had om er als heer en meester over te beschikken of dat de rechthebbende niet meer over het slot kon beschikken. Op basis van het dossier kan evenmin worden vastgesteld dat verdachte de verpakking heeft kapotgemaakt. Verdachte weerspreekt dit. De verpakking was al beschadigd toen het nog in het schap lag.
Beoordeling door de rechtbank
Op 20 oktober 2025 is namens de Gamma aan de Industrieweg Oost 2c in Elst aangifte gedaan van winkeldiefstal. Aangever heeft verklaard dat hij via zijn oortje van een collega hoorde dat een man in het begin van de winkel een verpakking van een profielcilinder had gepakt en daarmee verder de winkel in was gelopen. Aangever is achter in de winkel gaan staan aan de ander kant van de stelling waar de man stond. Toen aangever het krakende geluid van het openmaken van een verpakking hoorde, is hij meteen naar de andere kant van de stelling gelopen. Hij zag dat de man een verpakking van een profielcilinder in zijn hand had en dat hij met zijn vingers in die verpakking zat. De verpakking was zichtbaar beschadigd. [10] Er zijn foto’s genomen van de beschadigde verpakking. [11]
Op camerabeelden van de Gamma in Elst is te zien dat verdachte de winkel binnenliep en een voorwerp uit het schap pakte. Verdachte liep met het voorwerp in zijn hand weg. Hij stopte het voorwerp vervolgens in zijn jaszak. [12]
Verdachte heeft verklaard dat hij op 20 oktober 2025 in de Gamma in Elst is geweest en dat hij daar een slot uit het schap heeft gepakt. [13]
De rechtbank stelt op grond van de aangifte vast dat verdachte in de winkel de verpakking van een profielcilinderslot heeft geopend zonder voor de profielcilinder te hebben betaald. Aangever heeft immers het krakende geluid van het openen van de verpakking gehoord en gezien dat verdachte met zijn vingers in de verpakking zat. Door zo te handelen heeft verdachte zich een zodanige feitelijke heerschappij over de profielcilinder verschaft dat de wegneming was voltooid. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de verpakte cilinder uit het schap heeft gepakt, daarmee naar een andere plek in de winkel is gelopen en daar de verpakking heeft geopend. Uit dit samenstel van gedragingen volgt dat verdachte de cilinder heeft weggenomen met het oogmerk om daar wederrechtelijk als heer en meester over te beschikken. Daarmee is sprake van een voltooide diefstal.
De rechtbank constateert nog dat uit de bewijsmiddelen ook blijkt dat verdachte de profielcilinder in zijn jaszak heeft gestopt. Voor de conclusie dat sprake is van diefstal is deze constatering niet nodig of doorslaggevend, maar dit bevestigt dat verdachte zich het slot wilde toe-eigenen.
Daarom acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Parketnummer 05/243919-25 – diefstal NS Groep [14]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit, winkeldiefstal bij NS Groep.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2], p. 9;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 maart 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/299636-25 subsidiair ten laste gelegde feit, het onder parketnummer 05/278958-25 primair ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 05/243919-25 ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
Parketnummer 05/299636-25, subsidiair:
hij op
of omstreeks7 november 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,een
jas/bodywarmer,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [aangever 1]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan, vergezeld en/ofgevolgd door geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen die [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om
die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad,
aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzijhet bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangever 1] om zijn
jas/bodywarmer te vragen en
/of (vervolgens
)weg te lopen met die
jas/bodywarmer en
/of
- die [aangever 1] meermalen,
althans eenmaal,(met kracht) met een kruk
, althans met een soortgelijk voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en
/of
- die [aangever 1]
meermalen, althans eenmaal,(met kracht) bij de nek
/keelte pakken en
/ofin een zogeheten wurggreep te houden en
/of
- " steek hem, steek hem" te zeggen
tegen en/ofin de buurt van die [aangever 1]
,
althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking;
Parketnummer 05/278958-25, primair:
hij op
of omstreeks20 oktober 2025 te Elst, gemeente Overbetuwe, een slot,
in elk geval enig goed,dat
/die geheel of ten deleaan Gamma (gelegen aan de Industrieweg),
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 05/243919-25
hij op
of omstreeks28 juli 2025 te Arnhem
een of meerdereflesjes iced tea,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan NS Groep
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 05/299636-25,subsidiair:
diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Parketnummer 05/278958-25, primair:
diefstal;
Parketnummer 05/243919-25
diefstal.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel van de straf moet een proeftijd van twee jaar worden gekoppeld.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte met de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht voldoende gestraft is. Als verdachte langer vast moet blijven zitten, loopt hij het risico om zijn huurwoning te verliezen. Daarnaast kan de gemeente pas met hulpverlening starten zodra verdachte niet langer gedetineerd is. Het is voor de raadvrouw om het even of de hulpverlening in een vrijwillig kader of in een verplicht kader wordt vormgegeven.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel Justitiële Documentatie van 19 januari 2026 (het strafblad),
  • het reclasseringsadvies van 10 februari 2026;
  • een e-mail van Vluchtelingenwerk van 12 maart 2026;
  • een e-mail van de gemeente van 18 maart 2026;
  • een aanvullende reactie van de reclassering van 18 maart 2026.
Strafblad
Verdachte is niet eerder veroordeeld.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan diefstal met geweld van een dure bodywarmer. Het spreekt voor zich dat een dergelijke brutale roof door drie man, midden in het uitgaansgebied, waarbij daadwerkelijk geweld is gebruikt en daarbij nog gedreigd is dat er zou worden gestoken een grote impact heeft op het slachtoffer. Als gevolg van de geweldshandelingen van verdachte en zijn medeverdachten had het slachtoffer blauwe plekken en zwellingen. Zoals blijkt uit de vordering van het slachtoffer heeft hij nog steeds last van zijn hand en is zijn gevoel van veiligheid op straat nog steeds aangetast. Hij durft in de avonduren niet alleen naar buiten. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de nare gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Daarnaast vond het geweld plaats vroeg op een uitgaansavond in het centrum van Arnhem, waardoor ook omstanders hiermee geconfronteerd werden. Dergelijk handelen veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Dit zijn vervelende feiten, waardoor winkeliers hinder, schade en overlast ervaren.
Rapportages
In de verschillende rapportages en stukken wordt het volgende beeld van de persoonlijke omstandigheden van verdachte geschetst. Verdachte is op 13-jarige/14-jarige leeftijd gevlucht vanuit Syrië naar Libanon en woont sinds drie/vier jaar in Nederland. Sinds zijn aankomst in Nederland is verdachte herhaaldelijk met politie en justitie in aanraking gekomen. Verdachte beschikt over onvoldoende vaardigheden om op een goede manier met spanningen en problemen om te gaan. Onder invloed van een negatief netwerk maakt verdachte verkeerde keuzes, waar hij geen verantwoordelijkheid voor neemt. Een positief punt is dat verdachte een eigen huurwoning heeft. Deze woning wordt nog tot maart 2026 door de gemeente betaald (onder voorwaarde dat verdachte de kosten later terugbetaald). Het behoud van de woning draagt bij aan het verminderen van het recidiverisico. Het is van belang dat verdachte de juiste begeleiding ontvangt om met problemen aan de slag te gaan en de risico’s te beperken. Het opleggen van bijzondere voorwaarden is vanwege de taalbarrière en het ontbreken van Arabisch sprekende hulpverleners in de forensische zorg echter niet haalbaar. Volgens de reclassering is het is aan Vluchtelingenwerk om verdachte te helpen met het vinden van een passende dagbesteding, het creëren van een positief en steunend sociaal netwerk, behandeling van zijn traumagerelateerde klachten en positieve verandering in zijn gedrag.
Vluchtelingenwerk heeft bij e-mail van 12 maart 2026 echter laten weten dat zij bij de reclassering hebben aangedrongen op begeleiding van verdachte binnen het forensisch kader en onder de verantwoordelijkheid van de reclassering. Vluchtelingenwerk zelf heeft hiervoor niet de benodigde deskundigheid en de capaciteit.
Naar aanleiding van vragen van de raadsvrouw van verdachte heeft de gemeente bij e-mail van 18 maart 2026 laten weten dat zij verdachte kan ondersteunen op het gebied van schuldhulpverlening, bij het zoeken naar dagbesteding, bij het afronden van de taalcursus en bij het zoeken naar een geschikte hulpverleningsorganisatie voor eventuele traumagerelateerde en psychische problematiek. Voor het controleren van middelengebruik is de gemeente niet toegerust.
De reclassering heeft in een aanvullende reactie nogmaals benadrukt dat het opleggen van bijzondere voorwaarden vanwege de taalbarrière niet haalbaar is. Vanuit de gemeente kan passende hulpverlening in het kader van re-integratie en resocialisatie worden geboden. Het is aan verdachte om hier in een vrijwillig kader gebruik van te maken.
Verdachte heeft verklaard, dat de thans ondergane voorlopige hechtenis grote indruk op hem heeft gemaakt, dat hij de fouten inziet die hij heeft gemaakt, dat hij afstand heeft genomen van zijn ‘foute vrienden’ en oude omgeving, en dat hij zich wil inzetten om in te burgeren en zich positief te ontwikkelen.
De straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gelet op de ‘Oriëntatiepunten voor de straftoemeting’ van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Die vormen een uitgangspunt voor de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in de zaken van de medeverdachten zijn opgelegd. Gelet op enerzijds de ernst van de feiten en anderzijds de nog jonge leeftijd van verdachte, de omstandigheid dat hij niet eerder veroordeeld is, het belang van het behoud van zijn woning en de thans beschikbare hulp om nieuwe misstappen te voorkomen vindt de rechtbank een stevige straf passend in de vorm van een gevangenisstraf van 300 dagen, maar daarvan wel een fors deel van 146 dagen voorwaardelijk. De straf wijkt af van de eis van de officier van justitie in die zin dat de rechtbank weliswaar een langere gevangenisstraf oplegt, maar het voorwaardelijke deel van die straf vergroot. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die verdachte de dag na uitspraak van het vonnis in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte hoeft vanaf dan niet langer in detentie te blijven. Op deze manier kan hij zijn huurwoning behouden en direct starten met hulp, hetgeen door de reclassering van belang wordt geacht. Het (forsere) voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal een proeftijd van drie jaar opleggen.
Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal de rechtbank alleen de algemene voorwaarde verbinden. In dit dossier lijken de hulpverlenende instanties voor een deel naar elkaar te wijzen voor toezicht, begeleiding en ondersteuning van verdachte. Reclassering ziet in ieder geval geen mogelijkheden voor hulp in een verplicht kader.
De rechtbank is, gelet op de uitgebrachte rapportages en adviezen, van oordeel dat in dit geval hulpverlening en begeleiding in een vrijwillig kader (verzorgd door de gemeente en Vluchtelingenwerk) voldoende perspectief biedt voor verdachte en hem voldoende mogelijkheden biedt om een positieve draai aan zijn leven te geven. De rechtbank geeft verdachte daarmee dus zelf de verantwoordelijkheid om, met hulpverlening maar zonder dwang- of drangmaatregelen, het uiteindelijke resultaat – een leven zonder strafbare feiten – te behalen.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met het feit (parketnummer 05/299636-25) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 600,00 (zoals in de zaken van de medeverdachten is gebeurd), met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij - gezien de gevraagde vrijspraak - niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair is het standpunt van de verdediging dat een lager bedrag dan gevorderd, te weten € 300,00, moet worden toegewezen omdat hooguit openlijke geweldpleging bewezen kan worden verklaard. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om een lager bedrag dan gevorderd toe te wijzen, gelet op het geringe aandeel dat verdachte heeft gehad. De door de benadeelde partij aangehaalde jurisprudentie staat volgens haar niet in verhouding tot deze zaak. Onder verwijzing naar een arrest van het Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:3818) is € 600,00 het maximale bedrag dat zou kunnen worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de diefstal met geweld heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
Bij het bepalen van de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank acht geslagen op de door de rechtsspraak gehanteerde “Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW Pro”, waarin wordt verwezen naar de “Rotterdamse Schaal”. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht de categorie 19.1
bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal (art. 312 Sr Pro) en afpersing (art. 317 Sr Pro) van genoemde Rotterdamse Schaal. De rechtbank constateert dat de benadeelde (zeer) licht letsel in de vorm van blauwe plekken en zwellingen heeft opgelopen. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde kan worden aangenomen dat sprake is van een persoonsaantasting.
Gelet op de nadelige (psychische) gevolgen voor de benadeelde en gelet op zijn jeugdige leeftijd (17 jaar) zal de rechtbank de vordering naar maatstaven van billijkheid toewijzen zoals gevorderd, welke vordering ruimschoots blijft binnen de kaders zoals neergelegd in voornoemde aanbevelingen en Rotterdamse Schaal. De rechtbank zal daarom beslissen dat verdachte € 1.000,00 aan smartengeld moet betalen aan de benadeelde partij.
Verdachte is vanaf 7 november 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kan worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen;
 bepaalt dat
een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 146 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de
proeftijd van drie jarenschuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beslissingen op de vordering van de benadeelde partij
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit onder parketnummer 05/299636-25 tot betaling van schadevergoeding aan de
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1], een bedrag te betalen van € 1.000,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 10 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
beslissing ten aanzien van de voorlopige hechtenis
 heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. A. Tegelaar en mr. T.M.A. Arts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 april 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis
mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025540871, gesloten op 12 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p 16-18.
3.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], p. 29-30.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], p. 26.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 33.
6.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 77-78.
7.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 maart 2026.
8.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], p. 95.
9.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025509276, gesloten op 22 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
10.Proces-verbaal van aangifte, p. 9.
11.Foto’s, p. 12, 14 en 15.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 19.
13.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 maart 2026.
14.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025359912, gesloten op 29 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.