Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2663

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/05/421488 / HZ ZA 23-198
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:96 BWArt. 6:97 BWArt. 7:5 lid 1 BWArt. 7:17 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank wijst schadevergoeding toe wegens verkoop tweedehandsauto met ongeldig chassisnummer

In deze civiele procedure vordert de koper schadevergoeding van de verkoper wegens de verkoop van een tweedehands Mercedes waarvan het chassisnummer in het voertuig afwijkt van het chassisnummer op het kentekenbewijs. Dit leidde tot vervallen verklaring van de tenaamstelling door de RDW en inbeslagname van de auto.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een consumentenkoop en dat de auto niet voldoet aan de overeenkomst omdat deze niet de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik nodig zijn. De koper heeft aan zijn onderzoeksplicht voldaan, aangezien hij niet hoefde te twijfelen aan de juistheid van het kentekenbewijs en geen concrete aanleiding had om het chassisnummer te controleren.

De verkoper is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. De koper heeft schade geleden doordat hij de auto niet meer kan gebruiken of verkopen. De rechtbank schat de schade op €43.000, rekening houdend met een gebruiksvergoeding voor vier jaar gebruik. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten deels toegewezen en de proceskosten aan de koper opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de verkoper tot betaling van €43.000 schadevergoeding en incassokosten wegens verkoop van een niet-conforme tweedehandsauto.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/421488 / HZ ZA 23-198
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van

1.[naam eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[naam eiser 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [de eisers] , en afzonderlijk: [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mr. J.F. van Duin,
tegen
[naam gedaagd bedrijf] B.V.,
te [vestigingsplaats] , gemeente [vestigingsgemeente] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. F.J.M. Kobossen.

1.De zaak in het kort

In 2018 heeft [de eisers] van [de gedaagde] een Mercedes gekocht. In 2022 is uit onderzoek onder meer gebleken dat het chassisnummer van de Mercedes niet hetzelfde is als het chassisnummer dat staat vermeld op het kentekenbewijs. De Mercedes is in beslag genomen en de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) heeft de tenaamstelling van de Mercedes vervallen verklaard. Volgens de RDW is [eiser 1] daardoor geen houder, bezitter of eigenaar van de Mercedes. [de eisers] vordert in deze procedure schadevergoeding van [de gedaagde] , omdat deze hem een auto heeft verkocht die op het moment van de koop al niet voldeed aan de vereisten van de RDW. De rechtbank wijst de vordering van [de eisers] grotendeels toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 september 2023
- de brief van mr. Van Duin van 17 oktober 2023 met daarbij productie 12
- de brief van mr. Van Duin van 23 oktober 2023 met daarbij productie 13
- de akte tot wijziging van eis van 9 november 2023
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 november 2023
- de verwijzing van de zaak naar de parkeerrol
- de akte uitlaten van [de eisers] van 22 januari 2025
- de e-mail van mr. Kobossen namens [de gedaagde] van 18 februari 2025, die blijkens die e-mail moet worden geduid als akte uitlating
- de 2e akte uitlaten van [de eisers] van 18 februari 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Omstreeks augustus 2018 heeft [de gedaagde] een auto te koop aangeboden met de volgende omschrijving in de advertentietekst: “
Mercedes-benz G-KLASSE 320 CDI 7G-Tronic 5drs lang Facelift”.
3.2.
Op 30 augustus 2018 is in opdracht van [eiser 1] een taxatierapport opgemaakt met betrekking tot deze Mercedes Benz, type 300Gd, met kenteken [kentekennummer] , bouwjaar 1981. In het taxatierapport staat een chassisnummer vermeld dat begint met [chassisnummer 1] . Verder staat in het taxatierapport onder meer vermeld: “
Aangepast gemodificeerd voertuig(…)”. Volgens het taxatierapport heeft de Mercedes een vervangingswaarde van € 40.000,00.
3.3.
Op 8 september 2018 heeft [de gedaagde] de Mercedes gekocht van Autobedrijf [bedrijf 2] te [plaatsnaam] voor een bedrag van € 19.250,00 inclusief btw.
3.4.
Op 11 september 2018 heeft [eiser 1] de Mercedes gekocht van [de gedaagde] . De koopprijs bedroeg € 38.625,00 inclusief btw. In dit bedrag zijn ook de kosten van de onder 3.2 genoemde taxatie begrepen. Het chassisnummer dat op de factuur is vermeld, begint met [chassisnummer 2] . Op de factuur staat verder onder meer vermeld: “
Mercedes G300 op kenteken van 1981. Chassis ombouw gedaan bij [naam] naar 320 cdi van 2008”. Met “ [naam] ” wordt gedoeld op autobedrijf [bedrijf] B.V.
3.5.
Op het kentekenbewijs van de Mercedes dat [eiser 1] heeft ontvangen, staat hetzelfde chassisnummer vermeld als op de factuur.
3.6.
Op 6 mei 2022 heeft [de eisers] de Mercedes laten taxeren in verband met de voorgenomen verkoop van de auto. De Mercedes is toen getaxeerd op een vervangingswaarde van € 55.500,00.
3.7.
Medio 2022 heeft [de eisers] de Mercedes in consignatie bij een autobedrijf in de verkoop gezet.
3.8.
In oktober 2022 heeft het Landelijk Intelligence- en expertisecentrum Voertuigcriminaliteit een identiteitsonderzoek verricht aan de Mercedes. Tijdens het onderzoek is gebleken dat het aangetroffen chassisnummer niet overeenkomt met het chassisnummer dat hoort bij het kenteken. Verder is tijdens het onderzoek gebleken dat, op het kale chassis na, alle onderdelen afkomstig zijn van een ander voertuig, namelijk een voertuig uit 2009. Vastgesteld is ook dat het onderzochte chassis de nodige bewerkingen heeft gehad, waardoor niet met zekerheid is vast te stellen of het inderdaad het chassis uit 1981 is. Op 14 oktober 2022 is de Mercedes strafvorderlijk in beslag genomen.
3.9.
[eiser 1] heeft tegen de inbeslagname van de Mercedes een klaagschrift ingediend bij de rechtbank Rotterdam.
3.10.
Bij brief van 14 december 2022 heeft het Openbaar Ministerie (OM) te Rotterdam aan [eiser 2] meegedeeld dat de Mercedes zou worden vernietigd en dat tegen die beslissing bezwaar kon worden gemaakt.
3.11.
Bij brief van 14 december 2022 heeft de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) aan [eiser 1] meegedeeld dat de tenaamstelling van de Mercedes per die datum vervallen is verklaard en dat het kentekenbewijs daardoor niet meer geldig is. De brief vermeldt dat uit onderzoek is gebleken dat niet kan worden vastgesteld dat het kentekenbewijs waarover [eiser 1] beschikt bij de Mercedes hoort. Volgens de RDW is [eiser 1] daardoor geen houder, bezitter of eigenaar van de Mercedes. Uit het onderzoek blijkt dat voor de Mercedes het chassisnummer (in de brief aangeduid als VIN; Voertuig Identificatie Nummer) dat begint met [chassisnummer 1] is vastgesteld (zie hierboven 3.2).
3.12.
[eiser 1] heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de RDW om de tenaamstelling vervallen te verklaren.
3.13.
Bij brief van 22 december 2022 heeft [de eisers] [de gedaagde] geïnformeerd over de bovengenoemde brieven van het OM en de RDW. [de eisers] heeft aan [de gedaagde] gevraagd om informatie die hij in de bezwaarschriftprocedure zou kunnen gebruiken. Daarnaast heeft [de eisers] [de gedaagde] aansprakelijk gehouden voor de schade die hij zal lijden doordat [de gedaagde] hem een auto heeft verkocht met een onjuist kentekenbewijs, waardoor hij geen houder, bezitter of eigenaar van de Mercedes is geworden.
3.14.
In reactie hierop heeft [de gedaagde] bij e-mail van 5 januari 2023 aan [de eisers] laten weten: “
Ik kan in de tussentijd niet zien wat er mee gebeurd is de afgelopen 5 jaar, echter heb ik de auto inderdaad online zien staan een tijdje terug voor een bedrag boven de € 50.000,-”.
3.15.
Bij e-mail van 6 januari 2023 heeft [de eisers] aan [de gedaagde] onder meer geschreven dat, als [de gedaagde] bedoelde te zeggen dat er inmiddels mogelijk veranderingen aan de Mercedes werden aangebracht “met de huidige problematiek als resultaat”, dit niet het geval is. De Mercedes had al op het moment van verkoop een ander chassisnummer dan op de factuur en het kentekenbewijs was vermeld. [de gedaagde] had dit, gelet op het taxatierapport waarin een ander chassisnummer staat vermeld, kunnen en moeten weten schrijft [de eisers]
3.16.
Op 21 april 2023 heeft de rechtbank Rotterdam, team strafrecht, het klaagschrift van [de eisers] tegen de inbeslagname van de Mercedes ongegrond verklaard.
3.17.
Bij brief van 17 mei 2023 heeft [de eisers] aan [de gedaagde] meegedeeld dat hij de koopovereenkomst met betrekking tot de Mercedes wil ontbinden wegens een toerekenbare tekortkoming en dat hij aanspraak maakt op een schadevergoeding van € 55.500,00, te betalen binnen een week. Voor zover nodig heeft [de eisers] [de gedaagde] in gebreke gesteld.
3.18.
Op 20 oktober 2023 heeft de RDW het bezwaar van [eiser 1] tegen het besluit van 14 december 2022 ongegrond verklaard. [eiser 1] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam.
3.19.
Op 10 oktober 2024 heeft de bestuursrechter in de rechtbank Rotterdam het beroep van [eiser 1] tegen de vervallenverklaring van de tenaamstelling van de Mercedes ongegrond verklaard. [eiser 1] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).
3.20.
Op 24 december 2025 heeft de Afdeling het hoger beroep van [eiser 1] ongegrond verklaard.

4.Het geschil

4.1.
Na vermeerdering van eis vordert [de eisers] – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
[de gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [de eisers] van € 55.500,00, primair op grond van een toerekenbare tekortkoming, subsidiair op grond van een onrechtmatige daad;
meer subsidiair de vernietiging van de koopovereenkomst uitspreekt op grond van dwaling en [de gedaagde] veroordeelt om aan [de eisers] de als gevolg daarvan geleden schade van € 55.500,00 te betalen;
[de gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.325,00;
[de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
[de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eisers] , met veroordeling van [de eisers] in de kosten van deze procedure.
4.3.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.

5.De beoordeling

[eiser 1] en [eiser 2] zijn beiden ontvankelijk in hun vorderingen
5.1.
[de gedaagde] heeft als eerste verweer aangevoerd dat [eiser 2] geen partij is bij de koopovereenkomst, zodat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de eisers] daartegen aangevoerd dat [eiser 1] en [eiser 2] ten tijde van de koop gehuwd waren en dat een auto niet op twee namen wordt gesteld. Zowel [eiser 1] als [eiser 2] werd bij de koop dus eigenaar van de Mercedes, aldus [de eisers] In het licht hiervan heeft [de gedaagde] haar verweer onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Daarom verwerpt de rechtbank dit verweer. [eiser 1] en [eiser 2] zijn beiden ontvankelijk in hun vorderingen.
De rechtbank zal de vermeerderde eis beoordelen
5.2.
[de eisers] heeft bij akte van 9 november 2023 zijn eis vermeerderd, in die zin dat hij ook nog vordert dat [de gedaagde] wordt veroordeeld in de buitengerechtelijke incassokosten (vordering C in 4.1). [de gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eisvermeerdering als zodanig. Wel heeft zij inhoudelijk verweer gevoerd. Gelet hierop en omdat de rechtbank ook geen aanleiding ziet om de eiswijziging op grond van artikel 130 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ambtshalve buiten beschouwing te laten, zal de rechtbank de vermeerderde eis beoordelen.
Er is sprake van een consumentenkoop
5.3.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een consumentenkoop als bedoeld in artikel 7:5 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). [eiser 1] heeft de Mercedes immers als particulier gekocht van [de gedaagde] , die daarbij handelde in de uitoefening van haar bedrijf. Dit betekent dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot consumentenkoop van toepassing zijn op de overeenkomst.
De Mercedes bezit niet de eigenschappen die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn
5.4.
Aan zijn vordering onder A legt [de eisers] primair ten grondslag dat [de gedaagde] is tekortgekomen in de nakoming van de overeenkomst, omdat hij hem een auto heeft verkocht en geleverd die niet aan het wegverkeer mag deelnemen.
5.5.
Op grond van artikel 7:17 BW Pro moet de afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. In lid 2 van dat artikel is bepaald dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt – in andere woorden: non-conform is – indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Een gebrek levert geen non-conformiteit op als de koper op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst hiermee bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn (artikel 7:17 lid 2 en Pro 5 BW).
5.6.
Bij de koop van een (tweedehands) auto die bestemd is om aan het verkeer deel te nemen, geldt volgens vaste rechtspraak dat deze niet beantwoordt aan de overeenkomst als het gebruik ervan een gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid door een gebrek dat niet eenvoudig door de koper kan worden ontdekt en hersteld. [1] Hierop zijn uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld wanneer de koper het risico van het gebrek heeft aanvaard of als sprake is van een gebrek waarmee de koper gezien de aard van de overeenkomst rekening had moeten houden.
5.7.
In dit geval gaat het om een tweedehands Mercedes, die [de eisers] heeft gekocht met als doel – zoals [de gedaagde] niet heeft weersproken – om er bij mooi weer mee te rijden, dus om ermee aan het verkeer deel te nemen. Dat heeft [de eisers] in eerste instantie ook gedaan, maar vier jaar na de koop is gebleken dat het chassisnummer dat in het chassis is geslagen afwijkt van het chassisnummer op het kentekenbewijs. De Mercedes kon daardoor niet worden geïdentificeerd als het voertuig waarvoor het kentekenbewijs is afgegeven. Om die reden heeft de RDW het kentekenbewijs vervallen verklaard. De Mercedes had nooit aan het wegverkeer mogen deelnemen. Gezien de omstandigheden van het geval beschikte de Mercedes ten tijde van de koop niet over de eigenschappen die voor normaal gebruik ervan nodig zijn.
[de eisers] heeft aan zijn onderzoeksplicht voldaan
5.8.
Bij de koop van een tweedehands auto rust op de koper een zekere onderzoeksplicht. Deze onderzoeksplicht kan eraan in de weg staan dat de koper zich met succes beroept op non-conformiteit. Dat kan het geval zijn als het gaat om gebreken die een koper bij een redelijk onderzoek voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst had kunnen ontdekken. Van de koper mag worden verwacht dat hij de auto bezichtigt en let op zichtbare of kenbare gebreken. Een uitgebreid technisch of specialistisch onderzoek hoeft echter niet te worden verricht, tenzij daarvoor concrete aanleiding bestaat.
5.9.
[de gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser 1] de Mercedes heeft gekocht “met volle wetenschap en kennis”. [de gedaagde] heeft daarbij uitdrukkelijk verwezen naar pagina 2 van de factuur. De rechtbank begrijpt dat [de gedaagde] daarmee doelt op de zinsnede “
Mercedes G300 op kenteken van 1981. Chassis ombouw gedaan bij [naam] naar 320 cdi van 2008”. [de gedaagde] lijkt hiermee te betogen dat [de eisers] wist of had kunnen weten dat een nieuwere carrosserie op een ouder chassis was geplaatst en dat hij daarom voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst onderzoek had moeten doen naar het chassisnummer, temeer omdat [eiser 1] daarover beschikte omdat dit nummer stond vermeld in het taxatierapport dat voorafgaand aan de koop is uitgebracht. Zo ver strekt de onderzoeksplicht van [de eisers] echter niet. Hierbij is het gerechtvaardigd verwachtingspatroon van [de eisers] bepalend. [de eisers] mocht bij de koop van de Mercedes verwachten dat het chassisnummer dat op het kentekenbewijs stond vermeld correct was. Hij hoefde daaraan niet te twijfelen en hij hoefde niet uit eigen beweging te onderzoeken of het chassisnummer in het chassis en het chassisnummer op het kentekenbewijs aan elkaar gelijk waren, ook niet terwijl op het taxatierapport wel het chassisnummer stond dat in het chassis staat. Van een koper kan niet worden verwacht dat hij uit eigen beweging deze nummers met elkaar gaat vergelijken.
5.10.
Voor een dergelijk onderzoek bestond in dit geval ook geen concrete aanleiding. In de advertentietekst stond vermeld dat de Mercedes een “Facelift” had gehad. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de eisers] hierover verklaard dat hij bij een facelift dacht aan een nieuw model bumper, spiegels of lampen, en dat een facelift wel iets heel anders is dan het plaatsen van een nieuwe carrosserie op een oud chassis zoals [naam] heeft gedaan. [de gedaagde] heeft dit op zichzelf niet weersproken. [de gedaagde] heeft aangevoerd dat [naam] destijds meer dan 100 auto’s op deze wijze heeft aangepast en dat de RDW deze werkwijze jarenlang gedoogde, maar dat aan dit gedoogbeleid in 2020/2021 een einde kwam als gevolg van een beleidswijziging bij de RDW. Indien dit al juist zou zijn, geldt dat het dan op de weg van [de gedaagde] had gelegen om [de eisers] erover te informeren dat de ombouw van het chassis zoals vermeld op pagina 2 van de factuur mogelijk in strijd was met het beleid van de RDW. Anders dan [de gedaagde] heeft aangevoerd, komt de gestelde beleidswijziging voor rekening en risico van [de gedaagde] als verkoper en niet voor [de eisers] als koper.
5.11.
Gezien het voorgaande is geen sprake van schending van de onderzoeksplicht door [de eisers]
[de gedaagde] is toerekenbaar tekortgekomen in de nakoming van de overeenkomst
5.12.
Gezien het voorgaande beschikte de Mercedes ten tijde van de koop niet over de eigenschappen die voor normaal gebruik ervan nodig zijn, terwijl [eiser 1] de aanwezigheid daarvan niet behoefde te betwijfelen. De Mercedes beantwoordt daarom niet aan de overeenkomst. Omdat [de gedaagde] een non-conforme auto aan [de eisers] heeft verkocht en geleverd, is [de gedaagde] tekortgekomen in de nakoming van de overeenkomst. Gelet op wat de rechtbank hierboven in 5.10 heeft overwogen, kan deze tekortkoming aan [de gedaagde] worden toegerekend.
[de eisers] heeft schade geleden als gevolg van de tekortkoming
5.13.
Iedere toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden (artikel 7:74 BW Pro). [de eisers] heeft gesteld schade te hebben geleden als gevolg van de tekortkoming. De Mercedes is in beslag genomen, dus hij kan er geen gebruik meer van maken en hij kan hem ook niet meer verkopen. [de eisers] maakt aanspraak op vergoeding van zijn schade door [de gedaagde] .
5.14.
[de gedaagde] heeft betwist dat [de eisers] schade heeft geleden. [de gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat de Mercedes, hoewel deze in beslag is genomen, nog altijd in dezelfde staat verkeert als tijdens de inbeslagname en nog altijd in eigendom is van [eiser 1] , aangezien de beslissing van de rechtbank Rotterdam (zie 3.16) slechts een voorlopig oordeel bevat over teruggave. Dit verweer is echter achterhaald door de uitspraak van de Afdeling, waarmee de vervallenverklaring van de tenaamstelling onherroepelijk is geworden en de Mercedes dus definitief niet terugkomt bij [de eisers] is ongewild geen eigenaar (meer) van de auto en heeft alleen al daarom schade geleden als gevolg van de tekortkoming van [de gedaagde] . Dat [de eisers] , zoals [de gedaagde] verder heeft aangevoerd, niet heeft gesteld dat hij een vervangende auto heeft moeten aanschaffen of anderszins alternatief vervoer heeft moeten “aanboren”, maakt dat niet anders.
De schade die [de gedaagde] moet vergoeden bedraagt € 43.000,00
5.15.
De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van [de eisers] – gebaseerd op het taxatierapport van 6 mei 2022 – dat de Mercedes € 55.500,00 waard is en dat [de eisers] dus tot dat bedrag schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van [de gedaagde] . [de gedaagde] heeft er terecht op gewezen dat de taxatie is uitgevoerd ter bepaling van de waarde voor verzekeringsdoeleinden en dat het gaat om een vervangingswaarde, wat niet hetzelfde is als een marktwaarde (die doorgaans lager is dan de vervangingswaarde). Het taxatierapport vermeldt dat de taxatie geen enkele garantie inhoudt tot het realiseren van de vastgestelde waarde bij inruil of verkoop. Het is dus niet zeker dat [de eisers] dit bedrag voor de Mercedes had kunnen krijgen als hij hem had kunnen verkopen. Anderzijds heeft [de eisers] er terecht op gewezen dat de Mercedes in 2018 is getaxeerd op een vervangingswaarde van € 40.000,00 (zie 3.2), welk bedrag niet veel hoger is dan de prijs die [de eisers] ervoor heeft betaald (€ 38.625,00 inclusief btw). Dit duidt erop dat er geen noemenswaardig verschil bestaat tussen de handelswaarde en de vervangingswaarde.
Mede gelet hierop volgt de rechtbank [de gedaagde] niet in haar standpunt dat de huidige waarde van de Mercedes rond de € 15.000,00 à € 20.000,00 bedraagt. Dit bedrag ligt te ver onder de getaxeerde waarde en is bovendien op geen enkele wijze door [de gedaagde] onderbouwd.
5.16.
Bij gebreke van een voldoende concrete onderbouwing kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld. Daarom zal de rechtbank deze schatten (artikel 6:97 BW Pro).
5.17.
De rechtbank schat de waarde van de Mercedes op (naar beneden afgerond) € 53.000,00 (€ 38.625,00 ÷ € 40.000,00 × € 55.500,00). [de gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat [de eisers] voorafgaand aan de inbeslagname gedurende vier jaar gebruik heeft gemaakt van de Mercedes. [de gedaagde] lijkt daarmee aanspraak te maken op een gebruiksvergoeding. Op de schade van [de eisers] zal een bedrag in mindering moeten worden gebracht vanwege het feit dat hij de Mercedes gedurende vier jaar heeft gebruikt. [de gedaagde] heeft aangevoerd dat [de eisers] minimaal 40.000 kilometer met de auto heeft gereden. [de eisers] heeft dit op zichzelf niet weersproken. De rechtbank schat de gebruiksvergoeding daarom op € 10.000,00 (40.000 km × € 0,25).
5.18.
De schade van [de eisers] die [de gedaagde] moet vergoeden, bedraagt daarmee € 43.000,00 (€ 53.000,00 -/- € 10.000,00). De rechtbank zal [de gedaagde] vergoeden tot betaling van dit bedrag aan [de eisers]
5.19.
Omdat vordering A op de primaire grondslag wordt toegewezen, komt de rechtbank aan de beoordeling van de subsidiaire grondslag niet toe. Ook aan de beoordeling van vordering B komt de rechtbank niet toe.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt deels toegewezen
5.20.
[de eisers] vordert onder C vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [de eisers] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [de eisers] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het bedrag dat [de eisers] vordert is hoger dan de staffel die hoort bij het toegewezen bedrag in hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 1.205,00 worden toegewezen.
[de gedaagde] moet de proceskosten betalen
5.21.
[de gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
132,42
- griffierecht
1.301,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.202,42

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eisers] te betalen een bedrag van € 43.000,00,
6.2.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eisers] te betalen een bedrag van € 1.205,00 aan buitengerechtelijke kosten
6.3.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 4.202,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
JE/MS

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3097