2.1.Partijen hebben langdurig een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 12 januari 1998 hebben partijen een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten. Daarin staat – voor zover voor deze procedure relevant – het volgende:
“
[…]
GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING
Artikel 3
Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun netto inkomsten uit arbeid bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.
Het hiervoor met inachtneming van de norm van lid 1 vast te stellen bedrag van de netto inkomsten of zoveel meer als partijen wensen wordt gestort op een gemeenschappelijke bank- en/of giro-rekening en/of in een gemeenschappelijke kas. Deze gemeenschappelijke bank- en of girorekening en/of deze gemeenschappelijke kas behoort/behoren toe aan partijen gezamenlijk en wordt/worden op naam van beide partijen gesteld; zij zijn daarin ieder voor de helft gerechtigd.
[…]
5.
Geen van partijen kan over de periode van samenwonen verrekening of teruggave verlangen van wat één van hen meer dan de ander mocht hebben bijgedragen aan de gewone gang van de huishouding, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen.
[…]
GEMEENSCHAPPELIJK EIGENDOM WOONHUIS
Artikel 4
Indien partijen te eniger tijd gezamenlijk een woning aankopen zal de eigendomsverhouding als volgt zijn: twintig procent (20%) voor haar en tachtig procent (80%) voor hem. Gemelde verhouding geldt ook voor de financiering.
Alle kosten en lasten van die woning komen voor rekening van partijen, naar evenredigheid van hun eigendomsverhouding, terwijl zij ook naar evenredigheid van hun eigendomsverhouding delen in de voor- of nadelige gevolgen van de waardeverandering.
De verplichtingen, voortvloeiende uit de leningen, aangegaan ter financiering van de woning welke strekt tot gemeenschappelijk gebruik, komen in beginsel ten laste van ieder naar evenredigheid van hun eigendomsverhouding. Indien zij in onderling overleg, mede gelet op hun inkomenspositie en mede in verband met de eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid de rente niet naar evenredigheid van hun eigendomsverhouding betalen, zal degene, die meer dan naar evenredigheid van zijn/haar eigendomsverhouding betaalt, geen verhaal kunnen nemen op de ander, tenzij onmiddellijk bij de betaling schriftelijk iets anders zou zijn overeengekomen. […]
GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING
Artikel 5
[…]
4.
Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning in mede-eigendom wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom, de kosten en al wat is verschuldigd op grond van een ter financiering van de woning gesloten hypothecaire geldlening (waaronder mede zijn begrepen de premies voor het zogeheten spaardeel van een gemengde overlijdensrisicoverzekering, maar waaronder uitdrukkelijk niet is begrepen de verschuldigde rente) heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij beëindiging van deze overeenkomst. De vordering zal tot dat tijdstip geen rente dragen, maar vanaf dat tijdstip de wettelijke rente.
[…]
EINDE
Artikel 6
Deze overeenkomst eindigt:
a.
door opzegging door een van de partijen op het tijdstip waartegen de opzegging is gedaan. De opzegging geschiedt bij aangetekend schrijven gericht aan de wederpartij, waarbij een opzegtermijn van tenminste een maand in acht genomen moet worden. […]
[…]
VERDELING BIJ EINDE VAN DE OVEREENKOMST DOOR OPZEGGING, HUWELIJK OF GEREGISTREERD PARTNERSCHAP
Artikel 7
Indien de overeenkomst eindigt tengevolge van opzegging, huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn partijen verplicht er aan mee te werken, dat aan iedere partij wordt toebedeeld de goederen die hij/zij heeft aangebracht, zoals hierna vermeld.
Het overig gemeenschappelijk vermogen zal zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte worden verdeeld.
[…]
4.
Voor de bepaling van het zuiver saldo van het overig gemeenschappelijk vermogen, bedoeld in lid 2, zal per de dag van het eindigen van de overeenkomst een staat van baten en schulden worden opgesteld.
Op deze staat worden de goederen opgenomen voor de waarde, daaraan toegekend door partijen in onderling overleg en bij gebreke van overeenstemming door een bemiddelaar die door beide partijen is aangewezen en indien hierover evenmin overeenstemming wordt bereikt, door een deskundige die daartoe is benoemd door de Kantonrechter binnen wiens ressort de (laatste) gemeenschappelijke woonplaats is gelegen op verzoek van de meest gerede partij. […]
[…]”