De werknemer, een junior accountmanager bij B2 Works, werd op 2 oktober 2025 op staande voet ontslagen vanwege een incident in de nacht van 20 op 21 september 2025. Hij had een collega thuis bezocht, met haar seksueel contact gehad in de bedrijfsauto, waarna een schermutseling ontstond waarbij hij haar met de vlakke hand sloeg en haar uit de auto zette terwijl zij niet volledig gekleed was.
De werkgever stelde dat dit gedrag een dringende reden vormde voor ontslag op staande voet, mede vanwege de negatieve gevolgen voor de werkvloer en de reputatie van het bedrijf. De werknemer voerde verweer met een beroep op noodweer(exces) en stelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag rechtsgeldig was. De mishandeling van een collega, ook buiten werktijd, rechtvaardigt ontslag op staande voet wanneer dit de werkrelaties en het imago van de werkgever schaadt. De werkgever had het ontslag tijdig en zorgvuldig voorbereid en medegedeeld. De persoonlijke omstandigheden van de werknemer werden meegewogen, maar konden het ontslag niet ongedaan maken.
Het verzoek tot vernietiging van het ontslag werd afgewezen. Daarnaast werd de werknemer veroordeeld tot betaling van een gefixeerde vergoeding van €6.400 wegens ernstig verwijtbaar handelen. De proceskosten werden aan de werknemer opgelegd.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt rechtsgeldig verklaard en het verzoek tot vernietiging afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer / rekestnummer: 12002228 \ HA VERZ 25-87
Beschikking van27februari 2026
in de zaak van
[naam verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. P.Chr. Snijders,
tegen
B2 WORKS B.V.,
te Nijmegen,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: B2,
gemachtigde: mr. S.A.J. van Riel.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 28 november 2025 met 11 producties
- het verweerschrift met een tegenverzoek, negen producties en twee geluidsfragmenten
- de aanvullende producties 12 en 13 van [verzoeker]
- de reactie van [verzoeker] op het tegenverzoek.
1.2.
Op 3 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar de gemachtigde van [verzoeker] en de gemachtigde van B2 het woord hebben gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen en waar door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.3.
De beschikking is bepaald op 4 maart 2026, maar wordt vandaag bij vervroeging uitgesproken.
2.De feiten
2.1.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] , is sinds 13 september 2021 in dienst bij B2. De functie van [verzoeker] is [functie] met een loon van € 3.200,00 bruto per maand.
2.2.
In de nacht van 20 op 21 september 2025 heeft [verzoeker] een collega, mevrouw [aangever] (hierna: [aangever] ), rond 3.30 uur thuis bezocht en is hij met haar een stuk gaan rijden in de bedrijfsauto. Op enig moment heeft seksueel contact met wederzijdse instemming in de bedrijfsauto plaatsgevonden. Daarna is in de auto een schermutseling ontstaan, waarbij [verzoeker] [aangever] met de vlakke hand een klap heeft gegeven en daarna uit de auto heeft gezet. [aangever] was, toen zij buiten stond, (nog) niet geheel gekleed. [verzoeker] heeft haar haar kleding toegeworpen en is daarna weggereden.
2.3.
Op 26 september 2025, aan het einde van de middag, heeft een collega van [verzoeker] en [aangever] gesproken met twee directeuren van B2 en aangegeven dat er tussen [verzoeker] en [aangever] een incident had plaatsgevonden waarbij fysiek geweld was gebruikt.
2.4.
De directeuren hebben op 29 september 2025 een gesprek met [aangever] gehad om haar te vragen wat er in de nacht van 20 op 21 september 2025 was gebeurd. Op
30 september 2025 hebben de directeuren een huisgenoot van [aangever] , eveneens een collega, gesproken om wat [aangever] hen verteld had te verifiëren. Deze huisgenoot was aanwezig toen [aangever] na het incident thuis kwam.
2.5.
Op 1 oktober 2025 hebben de directeuren een gesprek met [verzoeker] gehad over het incident. [verzoeker] heeft in dat gesprek erkend dat hij [aangever] heeft bezocht in de betreffende nacht, dat er seksueel contact is geweest, dat er daarna een schermutseling heeft plaatsgevonden en dat hij [aangever] , terwijl zij nog niet volledig gekleed was, uit de auto heeft gezet en is weggereden.
2.6.
Op 2 oktober 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de brief die [verzoeker] ontvangen heeft, staat het volgende:
“ Vandaag hebben wij besloten uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang per vandaag op te zeggen wegens (een) dringende reden(en). (…)
De reden(en) van dit ontslag op staande voet, word(t)en hierna kort uiteengezet.
In de nacht van zaterdag 20 september op zondag 21 september 2025 rond 03.30 uur heeft u
uw collega, mevrouw [aangever] in de door ons aan u ter beschikking gestelde bedrijfsauto opgehaald. Jullie zijn samen naar een parkje gereden en hebben daar gemeenschap gehad in de auto. Hierna is er tussen jullie een woordenwisseling ontstaan die
ontaard is in een vechtpartij in de auto. Hierbij heeft u mevrouw [aangever] met de vlakke hand in haar gezicht geslagen, tenminste eenmaal. U heeft haar daarna uit de auto gezet, terwijl zij naakt/ontbloot was. Mevrouw [aangever] heeft als gevolg van uw handelen verwondingen aan haar arm en knie opgelopen. Aansluitend heeft u haar gefilmd, terwijl zij naakt/ontbloot was. Tenslotte bent u weggereden en heeft u mevrouw [aangever] alleen achtergelaten. Mevrouw [aangever] heeft de politie gebeld, die ter plaatse is gekomen. Vervolgens is mevrouw [aangever] met een taxi naar huis gegaan, alwaar ze tegen haar huisgenoot (tevens collega) mevrouw [huisgenoot] deze gebeurtenissen heeft verteld.
(…)
Uw gedragingen vormen een dringende reden voor ontslag op staande voet, omdat u zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van een collega en/of in elk geval uw verplichtingen op grond van de arbeidsovereenkomst met B2 Works op een grovelijke wijze heeft veronachtzaamd. Op grond hiervan kan jouw dienstverband met onmiddellijke ingang opgezegd worden.
Uw handelen heeft negatieve gevolgen voor de werkrelatie tussen u en mevrouw [aangever] , nu jullie beiden geacht worden met elkaar samen te werken in jullie functies. Diverse collega’s zijn inmiddels op de hoogte geraakt van het voorval (…) en daardoor heeft het negatieve gevolgen voor het werk(klimaat) in het algemeen bij B2Works. Ten slotte heeft het negatieve gevolgen voor de goede reputatie en het goede imago van B2Works als werkgever en als bedrijf in het algemeen.
Wij kunnen uw gedrag niet tolereren. Door dit handelen is het vertrouwen van B2Works in u als werknemer ernstig en onherstelbaar beschadigd en daarom kan van B2Works redelijkerwijs niet worden verwacht dat de arbeidsovereenkomst nog enige tijd blijft voortduren.
(…)”
2.7.
Ook [aangever] is op 2 oktober 2025 op staande voet ontslagen.
3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
bij wijze van voorlopige voorziening ex art. 223 RvPro, B2 te veroordelen om
[verzoeker] tot de werkvloer toe te laten ten einde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, voor elke dag of een gedeelte daarvan dat B2 in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen;
aan [verzoeker] het salaris van € 3.200,00 bruto per maand te voldoen, exclusief 8% vakantiegeld en te vermeerderen met vakantiedagen, vanaf 2 oktober 2025, tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig geëindigd zal zijn, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, tevens te vermeerderen met de wettelijke rente;
aan [verzoeker] salarisspecificaties te verstrekken vanaf 2 oktober 2025, waarin de salarisbetalingen zijn verwerkt op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, met een maximum van € 10.000,00 voor elke dag dat B2, na vijf dagen na het wijzen van de beschikking, niet voldoet aan de beschikking;
e buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel te betalen.
in de hoofdzaak
het ontslag op staande voet te vernietigen dan wel nietig te verklaren;
B2 te veroordelen om binnen twee dagen na het wijzen van de beschikking aan [verzoeker] het salaris van € 3.200,00 bruto per maand te voldoen, exclusief 8% vakantiegeld en te vermeerderen met vakantiedagen, vanaf 2 oktober 2025, tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig geëindigd zal zijn, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, tevens te vermeerderen met de wettelijke rente;
B2 te veroordelen om binnen twee dagen na het wijzen van de beschikking aan [verzoeker] salarisspecificaties te verstrekken vanaf 2 oktober 2025, waarin de salarisbetalingen zijn verwerkt op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, met een maximum van € 10.000,00 voor elke dag dat B2, na vijf dagen na het wijzen van de beschikking, niet voldoet aan de beschikking;
B2 te veroordelen om binnen twee dagen na het wijzen van de beschikking de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel te betalen;
B2 te veroordelen om binnen twee dagen na het wijzen van de beschikking [verzoeker] tot de werkvloer toe te laten ten einde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, voor elke dag of een gedeelte daarvan dat B2 in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen.
in de voorlopige voorziening en in de hoofdzaak
te bepalen dat B2 vanwege ernstig verwijtbaar gedrag geen rechten kan ontlenen aan het non-concurrentiebeding als genoemd in artikel 11 vanPro de arbeidsovereenkomst;
B2 te veroordelen in de (werkelijke) proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Het incident heeft volgens hem wel op de wijze die beschreven is in de brief omtrent het ontslag op staande voet plaatsgevonden, maar in die brief ontbreken een aantal relevante omstandigheden. Zo was bij [verzoeker] sprake van noodweer(exces). Hij werd, nadat het seksueel contact had plaatsgevonden, door [aangever] aangevallen. Op dat moment zat hij op de bestuurdersstoel en [aangever] (nog) op de achterbank. [aangever] heeft hem gekrabd, geslagen, aan zijn haar getrokken, gespuugd en een poging gedaan hem te wurgen. Hij moest zichzelf daarom verdedigen en heeft haar afgeweerd en uiteindelijk uit de auto gewerkt. Er is, aldus [verzoeker] , kortom geen dringende reden aanwezig. Ook omdat het incident buiten werktijd plaatsvond. Daarnaast is onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Bovendien is het ontslag niet onverwijld gegeven/medegedeeld, omdat het incident op
21 september 2025 plaatsvond, maar het ontslag pas op 2 oktober 2025 is gegeven. Het treffen van een voorlopige voorziening is volgens [verzoeker] van belang, omdat hij voor de kosten van zijn levensonderhoud afhankelijk is van loon. Dit loon wordt nu niet meer door B2 betaald, aldus [verzoeker] .
3.3.
B2 voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Ze voert ‑ samengevat ‑ aan dat zij bevoegd was de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen om een dringende reden, dat zij dit onverwijld gedaan heeft en dat ze de dringende reden ook onverwijld aan [verzoeker] heeft medegedeeld.
3.4.
B2 heeft een tegenverzoek gedaan. Ze verzoekt (voorwaardelijk) dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden en (onvoorwaardelijk) dat [verzoeker] wordt veroordeeld tot betaling van een zogenoemde gefixeerde vergoeding. Ze verzoekt ook om [verzoeker] , bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.5.
[verzoeker] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de tegenverzoeken, met veroordeling van B2 in de kosten van deze procedure.
4.De beoordeling van het verzoek
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of B2 moet worden veroordeeld tot betaling van loon.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Hij legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
Dringende reden
4.3.
Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden is een afweging vereist van alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang beschouwd. Daarbij behoort het volgende te worden betrokken: (i) de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, (ii) de aard van de dienstbetrekking, (iii) de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede (iv) de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (vergelijk HR 12 februari 1999, NJ 1999, 643 en HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:596). Gedragingen buiten werktijd kunnen een dringende reden opleveren. Het gedrag van de werknemer moet dan wel een duidelijk negatieve invloed hebben op het functioneren van de werknemer, de goede naam van het bedrijf of de verhoudingen op de werkvloer.
4.4.
[verzoeker] heeft buiten werktijd, in de nacht, een collega opgehaald met de bedrijfsauto. Vervolgens heeft hij die collega, op enig moment, een klap gegeven. Deze klap, ook al was sprake van het over en weer gebruik van fysiek geweld, ziet de kantonrechter, net als B2, als mishandeling. Mishandeling van een medewerknemer wordt in art. 7:678 lid 2 aanhefPro en onder e BW genoemd. Het kan zijn dat zo’n mishandeling ertoe lijdt dat van B2 niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te laten voortduren. In dit geval is de kantonrechter van oordeel dat die mishandeling inderdaad een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Het incident heeft namelijk tot onrust op de werkvloer geleid. Twee collega’s ( [verzoeker] en [aangever] ) zijn elkaar in de haren gevolgen en (minstens) twee andere collega’s zijn hiervan op de hoogte geraakt. Ten eerste de collega aan wie [aangever] na het incident haar verhaal deed en ten tweede de collega die de directeuren van B2 heeft ingelicht over het incident op 26 september 2025. Daarnaast geldt dat [verzoeker] ook heeft erkend dat er onrust is ontstaan op de werkvloer. In het gesprek dat B2 met hem had over het incident verklaart hij: “ This is clearly affecting work and actually… it has been affecting work. I just tried all the time to push it down and I thought that she will get over it. I thought everything will be fine. I thought that she will calm down (…) but it doesn’t settle. (…) she is spreading rumors about me to workers. To my workers. (…) She was even telling some people (…) that basically whoever new girls comes I start to date them all, then fuck them and then I fire them. This is ridiculous.” Hij zegt dus dat [aangever] geruchten over hem verspreidt op het werk. Ook ter zitting vertelde [verzoeker] dat hij en [aangever] elkaar normaliter regelmatig op de werkvloer kunnen tegenkomen, hoewel dat niet dagelijks is.
4.5.
Naast dat sprake was van onrust op de werkvloer, heeft B2 ook voldoende onderbouwd dat het incident een negatieve invloed had op de goede naam van haar bedrijf. Als volstaan was met het geven van een lichtere sanctie, zou dat aan andere medewerkers het signaal kunnen geven dat B2 fysiek geweld tussen collega’s toelaat. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat ook [aangever] op staande voet ontslagen is (zij heeft in het ontslag berust). B2 tolereert dit soort gedrag niet.
4.6.
Dat [verzoeker] de nadruk erop legt dat er op het specifieke moment van de mishandeling sprake was van noodweer(exces), doet volgens de kantonrechter niet ter zake. [verzoeker] heeft zichzelf in de situatie gebracht dat hij alleen met [aangever] in een auto zat, waarbij zij zich (nog) op de achterbank bevond en hij (dus) in een kwetsbare positie. Hij heeft herhaaldelijk aangegeven dat [aangever] “instabiel” was en er toch voor gekozen haar op te halen, met haar te gaan rijden en haar in half ontklede toestand uit de auto te zetten, wat ertoe leidt dat hij (in ieder geval deels) schuld heeft aan de ontstane situatie en de mishandeling in die zin niet is goed te praten.
4.7.
De kantonrechter is ook van oordeel dat B2 voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] . Zo heeft B2 [verzoeker] nog enige tijd gegund om in de door B2 aan [verzoeker] ter beschikking gestelde woonruimte te verblijven, na het ontslag. Ook heeft ze er rekening mee gehouden dat [verzoeker] nog relatief jong is en, omdat hij goed Engels spreekt, ook weer een nieuwe baan zal kunnen vinden. Dit heeft [verzoeker] ook niet tegengesproken. Hij heeft enkel betoogd dat hij aan het incident lichamelijke en psychische klachten heeft overgehouden en daarom niet of moeilijk aan een andere baan kan komen. Dat is echter voor de beoordeling van het ontslag op staande voet niet relevant. Het ontslag heeft hem namelijk niet zijn klachten gegeven, maar, zo begrijpt de kantonrechter hem, het incident, waar B2 buiten stond.
Onverwijldheid
4.8.
De Hoge Raad geeft een partij die denkt dat mogelijk sprake zou kunnen zijn van een dringende reden enige tijdsruimte. De van, in dit geval de werkgever, te vergen mate van voortvarendheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer valt te denken aan de aard en omvang van eventueel noodzakelijk onderzoek, de behoedzaamheid die bij het instellen van zo’n onderzoek geboden kan zijn om geen onrust in het bedrijf van de werkgever te wekken, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van juridisch advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorg om te vermijden dat, bij ongegrondbevinding van het vermoeden, de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen zou worden geschaad. Vanaf het tijdstip waarop het vermoeden van de dringende reden ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen, gaat de teller voor de beoordeling van de onverwijldheid lopen (HR 15 februari 1980, NJ 1980, 328).
4.9.
B2 heeft onweersproken gesteld dat de directeuren op vrijdag 26 september 2025 nog niet nadachten over een mogelijk ontslag op staande voet. Ze hadden enkel aan het einde van de (werk)dag een melding gehad dat er binnen het bedrijf dingen gebeurden waar ze niet van wisten en dat [verzoeker] [aangever] geslagen zou hebben, zonder details. Pas op maandag 29 september 2025 hebben de directeuren met [aangever] gesproken, wederom aan het einde van de (werk)dag en ontstond bij hen het vermoeden dat het incident tussen [verzoeker] en [aangever] zodanig was dat mogelijk voor één van de twee of voor allebei een ontslag op staande voet de gepaste maatregel was die getroffen moest worden. Voor het (al) horen van één of meer personen in het tussenliggende weekend was om die reden geen noodzaak. Omdat ze begrepen dat het ontslag verregaande gevolgen kon hebben voor [verzoeker] , wilden ze niet enkel op de verklaring van [aangever] , die behoorlijk geëmotioneerd was, afgaan, maar ook haar huisgenoot en [verzoeker] zelf horen. De kantonrechter kan deze gedachtegang goed volgen, mede omdat ontslag op staande voet een ultimum remedium is en niet lichtvaardig moet worden ingezet. Dat er om meerdere reden voor gekozen werd de gesprekken aan het einde van de werkdag te voeren, kan de kantonrechter ook begrijpen, om niet teveel onrust in het bedrijf te veroorzaken. Omdat ook de huisgenoot en [verzoeker] aan het einde van de (werk)dag werden gehoord, was op 1 oktober 2025 (pas) duidelijk wat er zich precies in de betreffende nacht had afgespeeld. Na overleg met haar advocaat is B2 toen onmiddellijk overgegaan tot het verlenen van het ontslag en het op schrift stellen van de reden voor het ontslag. Op deze manier is, naar het oordeel van de kantonrechter, voldaan aan de eisen van onverwijldheid.
4.10.
Het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is.
Overige punten
4.11.
Er is geen verzoek tot betaling van een transitievergoeding in het geval het ontslag op staande voet stand houdt en de kantonrechter ziet ook geen reden om deze toe te wijzen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [verzoeker] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt (art. 7:673 lidPro 7, onder c, BW). Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd.
4.12.
Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven over het verzoek van [verzoeker] , is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 RvPro een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding.
4.13.
[verzoeker] heeft verzocht te bepalen dat B2 geen rechten kan ontlenen aan het non-concurrentiebeding. Volgens hem heeft B2, vanwege het verlenen van een onterecht ontslag op staande voet, ernstig verwijtbaar gehandeld. Omdat in het voorgaande is geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht was, gaat de redenering van [verzoeker] niet op. Niet gesteld of gebleken is dat [verzoeker] om een andere reden niet aan het non-concurrentiebeding kan worden gehouden. Dit verzoek wordt dus afgewezen. Ten overvloede merkt de kantonrechter wel op dat B2 in haar verweerschrift (randnummers 57 en 62) welwillend lijkt te staan tegenover het loslaten van het non-concurrentiebeding. Wellicht kunnen partijen hierover tot een vergelijk komen.
4.14.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van B2 worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.De beoordeling van het tegenverzoek
5.1.
Op het verzoek van B2 om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, hoeft niet te worden beslist. De voorwaarde waaronder B2 dat verzoek heeft gedaan, is namelijk niet vervuld. Hiervoor is immers beslist dat het ontslag op staande voet niet wordt vernietigd.
5.2.
Het verzoek van B2 om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde vergoeding wordt toegewezen, om de volgende reden. Op grond van art. 7:677 lid 2 BWPro is de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. In het voorgaande is duidelijk geworden dat [verzoeker] aan B2 een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. De vraag is of er ook sprake was van opzet of schuld. [verzoeker] heeft dat betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] schuld aan de dringende reden, omdat hem een verwijt treft. Hij had [aangever] de betreffende nacht ook niet op kunnen halen en/of de situatie op een andere manier (zonder fysiek geweld), kunnen oplossen. Het door B2 verzochte bedrag van € 6.400,00 (twee maandsalarissen) zal worden toegewezen.
5.3.
[verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van B2 worden begroot op nihil, omdat, gezien de samenhang tussen het verzoek en het tegenverzoek, voor dit tegenverzoek geen separate kosten zijn gemaakt.
6.De beslissing
De kantonrechter
op het verzoek
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
op het tegenverzoek,
6.5.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de gefixeerde vergoeding van € 6.400,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 oktober 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
6.6.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van B2 bepaald op nihil,
6.7.
verklaart de veroordeling tot betaling van de gefixeerde vergoeding uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.