Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2382

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
AWB 24/5958
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 Wet IB 2001Art. 7:628 BWArt. 29 ZWArt. 64 ZWArt. 14 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling arbeidskorting bij Ziektewetuitkering na beëindiging dienstverband

Belanghebbende had een tijdelijk arbeidscontract dat eindigde op 14 februari 2022 en is per 15 februari 2022 ziek uit dienst gegaan. Zij ontving een Ziektewetuitkering van haar voormalige werkgever, die eigenrisicodrager is. De inspecteur kwalificeerde het inkomen uit deze uitkering als loon uit vroegere dienstbetrekking, waardoor geen arbeidskorting werd toegepast.

Belanghebbende stelde dat zij recht had op arbeidskorting omdat haar situatie gelijk zou zijn aan die van werknemers die een Ziektewetuitkering via het UWV ontvangen. Zij voerde aan dat de ex-werkgever verantwoordelijk blijft voor loonbetaling en re-integratie, en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank oordeelde dat de dienstbetrekking was geëindigd en dat de uitkering niet voortkomt uit een lopende dienstbetrekking, maar uit de Ziektewet. De situatie van eigenrisicodragers is expliciet geregeld en leidt niet tot recht op arbeidskorting. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen op grond van een arrest van de Hoge Raad, die het aan de wetgever overlaat om het rechtstekort te herstellen.

Ook het beroep tegen de belastingrente werd ongegrond verklaard omdat de rente wettelijk is voorgeschreven en niet te hoog is vastgesteld. De aanslag blijft in stand en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de weigering van arbeidskorting op de Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5958

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 maart 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 april 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.119. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag is een bedrag van € 106 aan belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende de gemachtigde en namens de inspecteur [persoon A], [persoon B] en [persoon C].

Feiten

1. Voor het jaar 2022 heeft belanghebbende de volgende inkomsten genoten:
Inhoudingsplichtige
Tijdvak
Loon
Loonbelastingtabel
Soort inkomen
[bedrijf 1]
15-02 t/m 31-12
€ 20.930
Groen
ZW-uitkering
[bedrijf 2]
01-01 t/m 14-02
€ 7.779
Loon
[bedrijf 2]
01-02 t/m 14-02
€ 1.043
Groen
Ontslagvergoeding
2. Belanghebbende had bij [bedrijf 2] B.V. ([bedrijf 2]) een tijdelijk arbeidscontract van 14 februari 2021 tot en met 14 februari 2022.
3. [bedrijf 1] B.V. is 100% aandeelhouder van [bedrijf 2].
4. Belanghebbende is per 15 februari 2022 ziek uit dienst gegaan. Zij was op 17 augustus 2021 ziek geworden.
5. Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV 2022 de volgende inkomsten opgegeven:
Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
28.709
Loon uit vroegere dienstbetrekking
1.043
Specifieke zorgkosten
-/- 633
Verzamelinkomen
29.119
6. De inspecteur heeft met dagtekening 17 november 2023 de aanslag IB/PVV 2022 als volgt vastgesteld:
Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
7.779
Loon uit vroegere dienstbetrekking
21.973
Specifieke zorgkosten
-/- 633
Verzamelinkomen
29.119
7. De inspecteur heeft het inkomen van [bedrijf 1] B.V. gerekend tot het loon uit vroegere dienstbetrekking, waardoor belanghebbende over dat inkomen geen arbeidskorting kan toepassen.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het door belanghebbende genoten inkomen van [bedrijf 1] B.V. terecht tot het loon uit vroegere dienstbetrekking heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. Het beroep is ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
10. Belanghebbende is van mening dat zij recht heeft op de arbeidskorting, de uitkering kwalificeert volgens haar als arbeidsinkomen. Zij voert daartoe aan dat haar ex-werkgever eigen risico drager is, en ook na het dienstverband verantwoordelijk is gebleven voor de uitbetaling van loon. Er is dan ook een gelijke situatie met een werknemer die ziek is vanuit een doorlopend dienstverband en wel in aanmerking komt voor de arbeidskorting. Bovendien is de ex-werkgever ook gehouden aan de re-integratie verplichtingen als ware het dienstverband nog aanwezig. De Belastingdienst handelt inconsequent volgens belanghebbende. De ex-werkgever dient zich namelijk te houden aan de verplichtingen als ware er nog een dienstverband, maar belanghebbende wordt beoordeeld als ware er geen relatie meer met de ex-werkgever. Belanghebbende doet tevens een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
11. De inspecteur is van mening dat het inkomen van [bedrijf 1] B.V. niet kwalificeert als inkomen uit tegenwoordige tijd (arbeidsinkomen), waardoor belanghebbende geen recht heeft op toepassing van de arbeidskorting.
12. Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001 bepaalt dat tot arbeidsinkomen wordt gerekend, het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige dienstbetrekking is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden.
13. Op grond van artikel 8.1, tweede lid, onderdeel c, van Wet IB 2001 wordt onder meer tevens tot arbeidsinkomen gerekend uitkeringen ingevolge de Ziektewet (ZW), voor zover die betrekking hebben op de periode waarin de dienstbetrekking in de zin van die wet nog niet is beëindigd of voor zover die voortvloeien uit een vrijwillige verzekering als bedoeld in artikel 64 van Pro die wet.
14. In de wetsgeschiedenis [1] is onder meer het volgende vermeld:
De voorgestelde maatregel geldt derhalve niet voor ZW-uitkeringen die betrekking
hebben op de periode waarin de dienstbetrekking aanwezig is of voortvloeien uit
een vrijwillige verzekering voor de ZW. Indien een persoon bijvoorbeeld een
tijdelijk contract van 1 januari tot 1 mei van dat kalenderjaar heeft en vanaf 15
april tot 1 juni recht heeft op een ZW-uitkering, telt de ZW-uitkering over de
periode 15 april tot 1 mei mee als arbeidsinkomen en telt de ZW-uitkering over de
periode 1 mei tot 1 juni niet mee als arbeidsinkomen. De ZW-uitkering over de
periode 1 mei tot 1 juni blijft dus buiten beschouwing bij de bepaling van de
hoogte van de arbeidskorting en de IACK. De voorgestelde maatregel geldt zoals
gezegd niet voor ZW-uitkeringen waarop mensen recht hebben op basis van een
door henzelf afgesloten vrijwillige ZW-verzekering. Voor alle duidelijkheid wordt
opgemerkt dat het moment waarop een ZW-uitkering wordt ontvangen, niet
relevant is voor de voorgestelde maatregel.
De voorgestelde maatregel geldt voor alle overige ZW-uitkeringen. Met andere
woorden, voor zover de ZW-uitkering niet voortkomt uit een lopende
dienstbetrekking in de zin van de ZW en ook niet uit een vrijwillige ZW
verzekering, wordt de ZW-uitkering niet langer aangemerkt als arbeidsinkomen en
telt die ZW-uitkering niet mee voor de bepaling van de hoogte van de
arbeidskorting en de IACK. Dat is dus het geval indien het bijvoorbeeld een ZW
uitkering betreft van:
1. personen die ziek worden binnen 4 weken na beëindiging van de
dienstbetrekking, de zogenoemde nawerking van de ZW-verzekering (artikel 29,
tweede lid, derde zin, onderdeel b, ZW);
2. personen die ziek zijn bij beëindiging van de dienstbetrekking (bijvoorbeeld in
geval van tijdelijke contractanten) en personen waarvan de dienstbetrekking
eindigt binnen het tijdvak van 104 weken, genoemd in artikel 29, tweede lid,
derde zin, onderdeel c, ZW (bijvoorbeeld uitzendkrachten met een uitzendbeding);
15. De rechtbank overweegt dat de dienstbetrekking van belanghebbende is geëindigd per 15 februari 2022, vanwege het aflopen van het tijdelijke arbeidscontract. Er is dan ook geen sprake van loondoorbetalingsverplichting bij ziekte in de zin van artikel 7:628 van Pro het BW. De uitkering die belanghebbende ontvangt van [bedrijf 1] B.V. komt dus niet voort uit een lopende dienstbetrekking, maar krijgt zij op grond van de ZW. Het UWV verstrekt normaal gesproken de ZW-uitkering, maar omdat [bedrijf 1] B.V. eigen risico drager is, doet [bedrijf 1] B.V. dat. Deze situatie van belanghebbende is expliciet genoemd in de hiervoor genoemde kamerstukken. Dat de ex-werkgever eigenrisicodrager is doet daar niet aan af.
16. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat haar situatie gelijk is aan die van belastingplichtigen die via het UWV een uitkering krijgen. De rechtbank overweegt hierover dat de Hoge Raad in zijn arrest van 15 november 2024 [2] heeft geoordeeld dat voor de toepassing van de arbeidskorting het onderscheid tussen het geval waarin een WGA-uitkering direct van het UWV wordt ontvangen enerzijds en het geval waarin een WGA-uitkering via de werkgever wordt ontvangen anderzijds, in strijd is met het verbod van discriminatie in de zin van artikel 14 van Pro het EVRM in samenhang met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 van Pro het IVBPR. De Hoge Raad heeft echter ook geoordeeld dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om te voorzien in het daardoor ontstane rechtstekort en het aan de wetgever is om daarin te voorzien.
17. Het oordeel van de Hoge Raad leidt er kortgezegd toe dat belanghebbende wellicht gelijk heeft, maar dat dit niet leidt tot een verlaging van de aanslag dan wel het toepassen van de arbeidskorting.
18. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft aangegeven het onrechtvaardig te voelen dat belastingrente in rekening wordt gebracht, omdat zij naar haar geweten de aangifte juist heeft ingediend. De rechtbank overweegt dat belanghebbende ook niet wordt verweten een onjuiste aangifte te hebben gedaan. De belastingrente volgt echter uit de wet en is niet te hoog vastgesteld. Het beroep is ook in zoverre ongegrond.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.
Uitgesproken op 25 maart 2026
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2018/19, 35025, nr. 3, p. 39-41.