De voorgestelde maatregel geldt derhalve niet voor ZW-uitkeringen die betrekking
hebben op de periode waarin de dienstbetrekking aanwezig is of voortvloeien uit
een vrijwillige verzekering voor de ZW. Indien een persoon bijvoorbeeld een
tijdelijk contract van 1 januari tot 1 mei van dat kalenderjaar heeft en vanaf 15
april tot 1 juni recht heeft op een ZW-uitkering, telt de ZW-uitkering over de
periode 15 april tot 1 mei mee als arbeidsinkomen en telt de ZW-uitkering over de
periode 1 mei tot 1 juni niet mee als arbeidsinkomen. De ZW-uitkering over de
periode 1 mei tot 1 juni blijft dus buiten beschouwing bij de bepaling van de
hoogte van de arbeidskorting en de IACK. De voorgestelde maatregel geldt zoals
gezegd niet voor ZW-uitkeringen waarop mensen recht hebben op basis van een
door henzelf afgesloten vrijwillige ZW-verzekering. Voor alle duidelijkheid wordt
opgemerkt dat het moment waarop een ZW-uitkering wordt ontvangen, niet
relevant is voor de voorgestelde maatregel.
De voorgestelde maatregel geldt voor alle overige ZW-uitkeringen. Met andere
woorden, voor zover de ZW-uitkering niet voortkomt uit een lopende
dienstbetrekking in de zin van de ZW en ook niet uit een vrijwillige ZW
verzekering, wordt de ZW-uitkering niet langer aangemerkt als arbeidsinkomen en
telt die ZW-uitkering niet mee voor de bepaling van de hoogte van de
arbeidskorting en de IACK. Dat is dus het geval indien het bijvoorbeeld een ZW
uitkering betreft van:
1. personen die ziek worden binnen 4 weken na beëindiging van de
dienstbetrekking, de zogenoemde nawerking van de ZW-verzekering (artikel 29,
tweede lid, derde zin, onderdeel b, ZW);
2. personen die ziek zijn bij beëindiging van de dienstbetrekking (bijvoorbeeld in
geval van tijdelijke contractanten) en personen waarvan de dienstbetrekking
eindigt binnen het tijdvak van 104 weken, genoemd in artikel 29, tweede lid,
derde zin, onderdeel c, ZW (bijvoorbeeld uitzendkrachten met een uitzendbeding);