ECLI:NL:RBGEL:2026:2297

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
ARN 25/3546
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Wet inburgeringArt. 5:46 Algemene wet bestuursrechtArt. 1 Wetboek van StrafrechtArt. 5:41 Algemene wet bestuursrechtArt. 34 Wet inburgering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling boete inburgering op €800 wegens toepassing gunstigere regelgeving

Eiseres is sinds 7 juni 2021 inburgeringsplichtig en kreeg een boete van €1.000 opgelegd wegens het niet tijdig voldoen aan deze plicht. De rechtbank oordeelt dat verweerder de boete had moeten vaststellen op €800, omdat de huidige Regeling inburgering 2021 een lagere maximale boete kent dan de beleidsregel die verweerder toepaste.

Eiseres voerde aan dat persoonlijke omstandigheden, zoals medische behandelingen en psychische problemen door een scheiding, haar verhinderden tijdig in te burgeren. De rechtbank acht deze omstandigheden echter onvoldoende onderbouwd om verwijtbaarheid uit te sluiten of de boete te matigen.

De rechtbank concludeert dat verweerder terecht een boete oplegde, maar dat de hoogte onjuist is vastgesteld. De boete wordt daarom verminderd naar €800, met toepassing van de meest gunstige sanctieregeling. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed.

Uitkomst: De boete wegens het niet tijdig inburgeren wordt vastgesteld op €800, de meest gunstige sanctieregeling voor eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3546

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres,

en
de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (thans: de minister van Werk en Participatie), verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde boete van € 1.000 wegens het te laat inburgeren. Eiseres is het niet eens met de opgelegde boete en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder een boete mocht opleggen aan eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete had moeten vaststellen op € 800. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is sinds 7 juni 2021 inburgeringsplichtig. Met de brief van 14 juni 2024 heeft DUO aan eiseres medegedeeld dat zij tot en met 6 juni 2024 de tijd had om in te burgeren en dat zij niet op tijd heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. Dit betekent dat DUO een boete kan opleggen van € 1.000. Vervolgens is met het besluit van
30 augustus 2024 aan eiseres een boete opgelegd van € 1.000. Met het bestreden besluit van 14 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de opgelegde boete gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld van een vriendin, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres niet tijdig is ingeburgerd.
3.1.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet inburgering [1] (Wi) (voor zover van belang) legt verweerder een boete op aan de inburgeringsplichtige wegens het overschrijden van de inburgeringstermijn. Verweerder moet de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet verweerder rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. [2] In situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt bestaat er geen grond voor boeteoplegging. [3] Die situatie doet zich in elk geval voor als de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen. [4]
Kan eiseres worden verweten dat zij niet tijdig is ingeburgerd?
4. Eiseres stelt dat het haar niet kan worden verweten dat zij niet tijdig is ingeburgerd. Eiseres heeft deelgenomen aan de lessen en deelexamens. Er is dan ook niet gebleken dat zij niet bereid is te integreren. Door persoonlijke omstandigheden was eiseres echter niet in staat om tijdig in te burgeren. Zo heeft eiseres afspraken bij medisch specialisten en een verslag van haar operatie overgelegd aan DUO. De operatie heeft door de lange wachttijden pas plaatsgevonden in januari 2025. Daarnaast ervaart eiseres grote psychische problemen door de scheiding van haar voormalig echtgenoot. Deze problemen zijn erger geworden doordat eiseres haar zoon heeft moeten achterlaten in Iran. Verder stelt eiseres dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar leeftijd en haar opleidingsniveau.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het eiseres kan worden verweten dat zij niet tijdig is ingeburgerd. Eiseres heeft weliswaar persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die ongetwijfeld impact op haar zullen hebben gehad, maar zij heeft niet met stukken onderbouwd dat zij door deze omstandigheden niet in staat was om binnen de geldende termijn van drie jaar tijdig in te burgeren. Ook heeft eiseres geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij vanwege medische onderzoeken en behandelingen ten minste drie aaneengesloten maanden niet in staat is geweest om onderwijs te volgen. Verder wijst eiseres op haar leeftijd en opleidingsniveau, maar dit zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het haar niet kan worden verweten dat zij niet tijdig is ingeburgerd.
Is de boete onevenredig hoog?
5. Eiseres stelt dat de boete onevenredig hoog is, waardoor deze verder had moeten worden gematigd. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de persoonlijke en financiële situatie van eiseres. Eiseres heeft geen eigen inkomen waardoor de boete een onredelijke financiële last met zich meebrengt. Verder stelt eiseres dat verweerder alleen in uitzonderlijke gevallen mag overgaan tot het opleggen van een boete. Verweerder heeft echter routinematig een boete opgelegd aan eiseres, terwijl zij in voldoende mate haar bereidheid tot inburgering heeft getoond.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de boete te hoog is vastgesteld. Een inburgeringsplichtige die niet tijdig voldoet aan de inburgeringsplicht kreeg onder de Wi een boete opgelegd van maximaal € 1.250. [5] Ter zitting is bevestigd dat de hoogte van de boete is vastgesteld met toepassing van de bijlage bij de Beleidsregel boetevaststelling inburgering zoals die gold tot 1 januari 2022. Het volgen van minder dan 150 cursusuren leidt op grond van die bijlage tot een boete van € 1.250 die, vanwege het feit dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit één examenonderdeel heeft behaald, is gematigd met 20% tot een bedrag van € 1.000. Op grond van de thans geldende Regeling inburgering 2021 wordt aan een inburgeringsplichtige echter een boete van maximaal € 1.000 opgelegd, die bij het behalen van één examenonderdeel wordt gematigd tot € 800. Uit artikel 5:46, vierde lid, van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht vloeit voort dat bij verandering van regels van sanctierecht de voor de overtreder meest gunstige bepalingen moeten worden toegepast. [6] Het voorgaande betekent dat verweerder de boete had moeten vaststellen op € 800 (€ 1.000 minus een korting van 20%).
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de boete verder te matigen. Eiseres stelt weliswaar dat de boete onredelijk hoog is vanwege haar persoonlijke en financiële situatie, maar deze stelling heeft zij niet onderbouwd met stukken. Daarbij komt dat verweerder eiseres erop heeft gewezen dat zij een betalingsregeling kan treffen als zij de boete niet in één keer kan betalen. Verder merkt de rechtbank op dat eiseres met haar stelling dat verweerder alleen in uitzonderlijke gevallen een boete mag opleggen, impliciet een beroep doet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juli 2025. [7] Eiseres verblijft echter op grond van een reguliere verblijfsvergunning in Nederland, terwijl de uitspraak van de Afdeling ziet op asielstatushouders. Dit betekent dat die uitspraak dus niet van toepassing is op de situatie van eiseres. Daarnaast heeft eiseres ook niet onderbouwd dat zij zich in een zodanige kwetsbare positie bevindt dat zij op één lijn is te stellen met asielstatushouders.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond, omdat verweerder de hoogte van de boete ten onrechte heeft vastgesteld op € 1.000. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor wat betreft de hoogte van de boete. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door de hoogte van de boete vast te stellen op € 800 en door te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Er is niet gebleken dat eiseres kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 14 juli 2025, voor wat betreft de hoogte van de boete;
  • herroept het besluit van 30 augustus 2024 voor wat betreft de hoogte van de boete en stelt de hoogte van de boete vast op € 800;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194 aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op deze zaak is volgens artikel 54, eerste lid, van de Wet inburgering 2021 de Wet inburgering van toepassing zoals die wet luidde tot 1 januari 2022.
2.Dit volgt uit artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit volgt uit artikel 5:41 van Pro de Awb.
4.Dit volgt bijvoorbeeld uit ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:160.
5.Dit volgt uit artikel 34, aanhef en onder c, van de Wi.
6.Zie ook ABRvS 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3291.
7.ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3087.