ECLI:NL:RBGEL:2026:2215

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
AWB 24/6954
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet MRBArt. 7 Wet MRBArt. 13 Wet MRBArt. 34 Wet MRBArt. 37 Wet MRB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wegens verblijf in buitenland

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd voor het gebruik van een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig op de Nederlandse openbare weg. De inspecteur stelde dat belanghebbende gedurende de gehele periode van 15 september 2023 tot en met 11 januari 2024 hoofdverblijf in Nederland had, waardoor MRB verschuldigd was.

Belanghebbende voerde aan dat zij tot eind december 2023 haar hoofdverblijf in Frankrijk had en pas tijdens de kerstvakantie naar Nederland verhuisde. Zij overlegde bewijsstukken zoals huurspecificaties en schoolgegevens van haar kinderen. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat haar hoofdverblijf tot eind november 2023 in Frankrijk was, maar onvoldoende bewijs leverde voor de periode van 1 december 2023 tot 10 januari 2024.

De rechtbank stelde vast dat de naheffingsaanslag daarom moet worden berekend over de periode van 1 december 2023 tot en met 10 januari 2024 en verminderde de aanslag tot € 305. Ook werd de boete verlaagd tot het wettelijke minimum van € 50. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en bepaalde dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.

Uitkomst: De naheffingsaanslag en boete worden verminderd vanwege het verblijf van belanghebbende in het buitenland gedurende een deel van de aanslagperiode.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6954

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 maart 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Apeldoorn, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 29 juli 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) over het tijdvak dat loopt van 15 september 2023 tot en met 11 januari 2024 opgelegd van € 871 (de naheffingsaanslag).
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 435 opgelegd (de boetebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot € 863 en de boetebeschikking verminderd tot € 86.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben belanghebbende en haar nichtje deelgenomen. Namens de inspecteur zijn [persoon A] en [persoon B] verschenen.

Feiten

Belanghebbende stond blijkens de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) van 15 september 2023 tot 31 oktober 2023 ingeschreven op een adres in [plaats 2]. Vanaf 31 oktober 2023 staat belanghebbende ingeschreven op haar huidige adres in [plaats 1]. Van 31 december 2015 tot 15 september 2023 was belanghebbende woonachtig in Frankrijk.
Op 11 januari 2024 om 12.18 uur is geconstateerd door de politie dat belanghebbende met een motorrijtuig van het merk Volvo, type XC90, voorzien van het buitenlandse (Franse) kenteken [kenteken] (het motorrijtuig) gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland.
3. De inspecteur heeft met dagtekening 22 januari 2024 aan belanghebbende een brief gezonden met het opschrift “Gevolgen controle”. Daarin is onder meer vermeld dat belanghebbende, voor het gebruik van de openbare weg in Nederland, mogelijk MRB moet betalen.
4. Naar aanleiding van de controle heeft de inspecteur met dagtekening 2 april 2024 een vooraankondiging voor de naheffingsaanslag MRB met boetebeschikking aan belanghebbende gezonden. Daarin is onder meer het volgende vermeld:
“Geachte heer/mevrouw,
Deze vooraankondiging voor de motorrijtuigenbelasting (mrb) stuur ik u, omdat het motorrijtuig met kenteken [kenteken] op de weg is gecontroleerd.
(…)
Constatering
U hebt gebruik van de weg gemaakt met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig, zonder dat de verschuldigde mrb is betaald.

Houder woonachtig in Nederland

U staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) of had ingeschreven moeten staan. Voor de heffing van de mrb neem ik daarom aan dat u in Nederland woont. Het motorrijtuig staat u feitelijk ter beschikking. Dat betekent dat u wordt aangemerkt als houder. De houder van een motorrijtuig moet de verschuldigde mrb betalen.
(…)
De naheffingsaanslag wordt altijd berekend over een periode van 12 maanden. De laatste dag van deze periode is de dag voorafgaand aan de dag waarop gebruik van de weg is geconstateerd. Indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van 12 maanden u niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan, wordt over dat gedeelte de belasting niet nageheven.
(…)
Reactietermijn
Wilt u reageren op mijn plan om een naheffingsaanslag en een boete op te
leggen? Stuur dan uw schriftelijke reactie met eventuele bewijsstukken
voor 23 april 2024 naar CAP/Afdeling Autoheffingen. (…)
Stond het motorrijtuig niet de hele naheffingsperiode ter beschikking? Ligt
uw woonplaats niet in Nederland? Dan moet u dat aannemelijk maken door
tegenbewijs aan mij te sturen.
(…)”
5. Belanghebbende heeft op 13 mei 2024 bezwaar ingesteld tegen de vooraankondiging naheffingsaanslag/boetebeschikking. Omdat de reactietermijn uit de vooraankondiging toen al verstreken was en de naheffingsaanslag en boetebeschikking in het systeem al was aangemaakt, heeft de inspecteur dit bezwaarschrift aangemerkt als een (prematuur maar ontvankelijk) bezwaar tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking.
6. Met dagtekening 22 mei 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting voor de periode 15 september 2023 tot en met 11 januari 2024 opgelegd van € 871. De inspecteur heeft gelijktijdig een boete van € 435 opgelegd.
7. Met dagtekening 29 juli 2024 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, omdat de periode onjuist was berekend. De naheffingsaanslag moet worden berekend over de periode van 15 september 2023 tot en met 10 januari 2024. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot € 863. De inspecteur heeft de boetebeschikking verminderd tot € 86 (10% van de verschuldigde belasting).

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De naheffingsaanslag
9. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij tot eind december niet de feitelijke beschikking had over de auto. Het huurcontract voor de woning in Nederland is op 30 oktober 2023 officieel getekend. De partner van belanghebbende is toen begonnen met de renovatie van het huis. Belanghebbende zelf is pas tijdens de kerstvakantie met haar schoolgaande kinderen naar Nederland verhuisd. Belanghebbende heeft ter onderbouwing een huurspecificatie, bankafschriften, de gegevens van de inschrijving van haar kinderen, tandartsafspraken en een factuur van de schoolkantine van haar kinderen overgelegd. Daarnaast heeft de auto nooit op naam van belanghebbende gestaan.
10. De inspecteur stelt zich in beroep op het standpunt dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat haar hoofdverblijf gedurende de periode van 15 september 2023 tot december 2023 in Frankrijk lag. De naheffingsaanslag moet daarom worden berekend over de periode van 1 december 2023 tot en met 10 januari 2024. De verschuldigde belasting over deze periode bedraagt nog € 305.
11. De rechtbank overweegt als volgt. In de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) is bepaald dat MRB wordt geheven ter zake van het houden van een personenauto. [1] Een motorrijtuig wordt onder andere gehouden door degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. [2]
12. Bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de belasting worden nageheven. Voor de toepassing hiervan wordt een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven. [3]
13. Het staat vast dat belanghebbende op 11 januari 2024, met een auto met buitenlands kenteken, gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland, zonder dat daarvoor in Nederland motorrijtuigenbelasting is betaald. Dat betekent dat belanghebbende op die datum de feitelijke beschikking over de auto met het buitenlandse kenteken had. Voor naheffing van de motorrijtuigenbelasting is niet vereist dat de auto ook op naam van belanghebbende stond. Belanghebbende is aldus terecht aangemerkt als houder van de auto en de inspecteur was bevoegd om een naheffingsaanslag op te leggen.
14. De na te heffen belasting wordt in beginsel berekend over het tijdvak met ingang van de dag waarop belanghebbende als ingezetene stond ingeschreven in de BRP of ingeschreven had moeten staan, tenzij de houder aannemelijk maakt dat de feitelijke terbeschikkingstelling op een ander moment is aangevangen. Dan wordt aangesloten bij die dag. [4]
15. Tussen partijen is niet meer in geschil dat belanghebbende van 15 september 2023 tot december 2023 haar hoofdverblijf in Frankrijk had. Partijen zijn het nog oneens over de periode van 1 december 2023 tot en met 10 januari 2024. Volgens belanghebbende heeft zij de auto hooguit één week daadwerkelijk gebruikt. Het ligt op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat haar hoofdverblijf gedurende deze periode niet in Nederland was. Belanghebbende heeft geen bewijsstukken overgelegd die zien op de periode van 1 december 2023 tot en met 10 januari 2024. Belanghebbende stelt wel dat zij gedurende de kerstvakantie pas naar Nederland is verhuisd, maar kan deze stelling niet onderbouwen. Dit heeft temeer te gelden omdat er vanaf december wel huurtoeslag is genoten, wat juist een aanwijzing is dat het hoofdverblijf toen al in Nederland was.
16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag moet worden berekend over de periode van 1 december 2023 tot en met 10 januari 2024. De rechtbank zal de naheffingsaanslag, overeenkomstig het standpunt van de inspecteur, verminderen tot € 305.
De boetebeschikking
17. Aangezien de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, is er sprake van een verzuim. [5] Op grond van artikel 37 van Pro de Wet MRB gaat het om een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), waarvoor de inspecteur een verzuimboete kan opleggen. Voor het opleggen van een verzuimboete is niet vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Een verzuimboete blijft achterwege indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Hiervan is sprake indien belanghebbende alle in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te voorkomen dat het verzuim zou worden begaan. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake.
18. Met in achtneming van paragraaf 34, onderdeel twee, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) kan de inspecteur een boete opleggen van 50% van de nageheven belasting met een minimum van € 50 en een wettelijk maximum van € 5.514. De inspecteur heeft na bezwaar de boete verminderd tot 10% van de verschuldigde belasting. In beroep stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de verschuldigde belasting € 305 bedraagt. Dit betekent dat de boete verminderd moet worden tot het minimum van € 50. De rechtbank is van oordeel dat de gematigde boete van € 50 passend en geboden is. De rechtbank ziet geen reden om de boete verder te matigen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de boete voor haar financieel ondraaglijk is.
19. Verder vindt belanghebbende het onterecht dat de boete al wordt opgelegd terwijl de procedure nog niet definitief is afgerond. De rechtbank wijst erop dat uit de wet volgt dat de boete gelijktijdig opgelegd moet worden met de naheffingsaanslag. [6] De inspecteur heeft dit gedaan. De opgelegde boete is onderdeel van de procedure.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is gegrond omdat de naheffingsaanslag en de boete te hoog zijn vastgesteld. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de naheffingsaanslag en de boete.
21. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 305;
- vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 50;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 187 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.
Uitgesproken op 18 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 1, eerste lid, van de Wet MRB.
2.Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet MRB.
3.Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB.
4.Artikel 13, tweede lid, van de Wet MRB in samenhang met artikel 34, tweede lid, van de Wet MRB en Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483.
5.Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB.
6.Artikel 67c, tweede lid, van de AWR.