ECLI:NL:RBGEL:2026:214

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
ARN 23/4986
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging natuurvergunning wegens niet voldoen aan kader uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 13 januari 2026 uitspraak gedaan over de natuurvergunning die op 12 juni 2023 door de provincie Gelderland was verleend aan een veehouderij. De eisers, Coöperatie Mobilisation for the Environment en Vereniging Leefmilieu, hebben beroep ingesteld tegen deze vergunning, omdat zij van mening zijn dat deze niet voldoet aan de eisen die zijn gesteld in eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de verleende natuurvergunning niet voldoet aan het kader uit de uitspraken van 18 december 2024 (Amer en Rendac). Hierdoor is het beroep gegrond verklaard en is de natuurvergunning vernietigd. De rechtbank heeft de provincie opgedragen om uiterlijk op 1 juli 2026 een nieuw besluit te nemen. Tevens is er een schadevergoeding toegekend aan de eisers voor de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De rechtbank heeft de provincie en de Staat der Nederlanden veroordeeld tot het betalen van proceskosten en schadevergoeding aan de eisers.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/4986

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environmenten
Vereniging Leefmilieuuit Nijmegen, eisers
(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof)
en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland,

(gemachtigden: mr. A. Speekenbrink en A.S.E Blankman-Hoekstra).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [plaats] (de veehouderij)
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ); en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie). [1]
Hierna worden partijen genoemd: eisers, de provincie en de veehouderij.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de natuurvergunning van 12 juni 2023 die de provincie heeft verleend aan de veehouderij. Eisers zijn het niet eens met deze natuurvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de natuurvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eisers krijgen dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 12 juni 2023 heeft de provincie een natuurvergunning verleend aan de veehouderij. Eisers hebben beroep ingesteld tegen deze vergunning. De provincie heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.1.
Op 25 november 2024 heeft de rechtbank de zaak vooraangekondigd voor een zitting op 13 maart 2025. Op 23 december 2024 berichtte de provincie dat op 19 september 2024 een ontwerp-herstelbesluit is genomen waarmee de vergunning is aangevuld met rundvee en een additionaliteitstoets voor het extern salderen. Verder berichtte de provincie dat zij zich op dat moment nog aan het beraden was over de gevolgen van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024. [2] Op 15 januari 2025 kondigde de provincie aan dat de natuurvergunning en het ontwerpherstelbesluit niet ongewijzigd in stand kunnen blijven door de verandering in de rechtspraak. Zij verzocht daarom om uitstel van de zitting van 13 maart met ten minste vier maanden. Op 21 januari 2025 heeft de rechtbank de zitting uitgesteld.
2.2.
Op 19 juni 2025 heeft de rechtbank de zaken vooraangekondigd voor een zitting op 1 oktober 2025. Op 15 augustus 2025 hebben eisers verzocht om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.
2.3.
Op 25 augustus 2025 heeft de rechtbank de provincie gevraagd of er inmiddels zicht is op een herstelbesluit en zo ja om dat dan uiterlijk op 3 september 2025 toe te zenden. De provincie heeft hier op 3 september 2025 op gereageerd dat
“we op dit moment op basis van de tot op heden ingediende aanvullende stukken door aanvrager [aanvrager] geen mogelijkheden zien voor het nemen van een herstelbesluit. De consequenties van de Rendac uitspraak voor het bestreden besluit kunnen wij daarmee op dit moment met de huidige kennis niet herstellen.”
2.4.
Vervolgens heeft de rechtbank partijen op 5 september 2025 bericht dat zij van plan is om in deze zaak uitspraak te doen zonder zitting. [3] De veehouderij heeft hierop gereageerd dat zij het niet eens is met de reactie van de provincie omdat
“de 3 vergunningen waarmee gesaldeerd wordt, zonder het aanvragen van een nieuwe vergunning weer in gebruik kunnen worden genomen. Om dit te onderbouwen hebben we voor de bedrijven offertes aangevraagd om hier het vergunde aantal dieren te houden. Deze zitten als bijlage 1, 2 en 3 bij deze brief. Ook is geen twijfel of vergunningen gerealiseerd zijn.”
Toen heeft de rechtbank de gemachtigde van de veehouderij telefonisch gevraagd of dit betekent dat zij een zitting wenst. De gemachtigde van de veehouderij heeft bevestigd dat zij op zitting wil worden gehoord. De rechtbank heeft partijen daarom op 18 september 2025 bericht dat er een zitting zal volgen.
2.5.
De provincie heeft op 19 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 5 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van de provincie en namens de veehouderij: [persoon A] , [persoon B] en de gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming besluit
3. Op 2 september 2021 heeft de veehouderij bij de provincie een natuurvergunning aangevraagd voor de locatie [locatie] in [plaats] . De aanvraag ziet op het veranderen van de geitenhouderij ten opzichte van een eerder verleende natuurvergunning in 2015. De aangevraagde situatie is nagenoeg gelijk aan de situatie waarvoor in 2016 een PAS-melding is gedaan. In die situatie werden enkel nog geiten ouder dan 1 jaar gehouden. Ten opzichte van deze situatie vinden twee veranderingen plaats: (1) door wijziging in de milieuwetgeving moeten lammeren tot en met 60 dagen op het verblijf blijven en (2) naast het houden van geiten wordt er in de beoogde situatie ook rundvee gehouden.
3.1.
Op de aanvraag is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Het ontwerpbesluit tot verlening van de vergunning is van 21 april 2023. Hierop hebben eisers op 2 juni 2023, en de veehouderij zelf op 7 juni 2023, zienswijzen ingediend.
3.2.
De provincie heeft de natuurvergunning op 12 juni 2023 definitief verleend. In die natuurvergunning is, samengevat, geconcludeerd dat geen sprake is van significante negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden [4] door middel van intern en extern salderen. Er is intern gesaldeerd met een eigen natuurvergunning. Er is extern gesaldeerd met stikstofruimte van drie andere bedrijven (een natuurvergunning en twee milieutoestemmingen).
3.3.
Op 19 september 2024 heeft de provincie een ontwerpherstelbesluit genomen, omdat de natuurvergunning onbedoeld niet zag op rundvee en een aanvulling nodig was van de additionaliteitstoets. Voordat de provincie het definitieve herstelbesluit heeft genomen, heeft de provincie de conclusie getrokken dat dit herstelbesluit niet ongewijzigd in stand kan blijven door de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024. [5] De provincie schreef in de brief van 15 januari 2025 dat de verleende natuurvergunning en het ontwerpherstelbesluit gelet op de huidige stand van de rechtspraak moeten worden aangepast.
3.4.
Op 3 september 2025 berichtte de provincie de rechtbank dat herstel op dat moment niet mogelijk was omdat zij daarvoor toen nog onvoldoende informatie had van de veehouderij. De veehouderij was het daar niet mee eens en heeft daarom om een zitting gevraagd. In het verweerschrift van 19 december 2025 schreef de provincie dat de veehouderij inmiddels wel aanvullende informatie heeft ingediend. Er is nog geen herstelbesluit genomen, maar de provincie heeft met het verweerschrift wel comfort willen geven hoe het herstel zal worden vormgegeven. De provincie verzocht de rechtbank daarom om een termijn voor herstel.
3.5.
De veehouderij erkende ook dat de natuurvergunning hersteld moet worden en wil graag dat de zaak bij de rechtbank blijft lopen om te zorgen dat er snel een herstelbesluit komt en om te voorkomen dat zij, als PAS-melder, opnieuw lang moet wachten op nieuwe procedures.
3.6.
Eisers komen op voor de algemene belangen van de natuur en het leefmilieu en kunnen zich daarom niet verenigen met de natuurvergunning. Zij wilden geen uitstel meer, omdat de zaak al oud is, meerdere keren is uitgesteld en eisers duidelijkheid willen dat de natuurvergunning nu niet kan worden gebruikt. Mede daarom hebben zij ook verzocht om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.
Toepasselijk recht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Op deze zaak is echter nog het oude recht van toepassing, omdat de aanvraag om de natuurvergunning is ingediend voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. [6]
Natuurvergunning voldoet niet aan inmiddels geldende kader
5. Deze zaak gaat over een natuurvergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb bepaalde, simpel gezegd, dat het verboden is zonder vergunning van de provincie een project realiseren dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. [7] Voor zo’n vergunningplichtig project moet de provincie, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling maken van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. [8]
5.1.
De natuurvergunning in kwestie is verleend met intern en extern salderen. Dat wil zeggen: door de effecten van de aangevraagde situatie weg te strepen tegen een eigen (interne) referentiesituatie bestaande uit een oude natuurvergunning en (externe) referentiesituaties van andere bedrijven is geconcludeerd dat geen sprake is van significante negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden. Om die reden is de vergunning verleend.
Op 18 december 2024 heeft de Afdeling haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd. [9] Deze wijziging houdt in dat intern salderen niet meer mag worden betrokken bij de vraag of een vergunning is vereist (voortoets), maar alleen nog als mitigerende maatregel in een passende beoordeling. Die wijziging heeft ook gevolgen voor extern salderen met onderdelen van een milieutoestemming die structureel niet meer in gebruik zijn. [10] De wijziging geldt met terugwerkende kracht en dus ook voor de natuurvergunning in deze zaak.
5.2.
Nu partijen het erover eens zijn dat de verleende natuurvergunning niet aan het kader uit de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 voldoet, is het beroep alleen al hierom gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de natuurvergunning van 12 juni 2023.
Hoe nu verder?
6. De rechtbank moet onderzoeken of over de zaak zoveel mogelijk definitief kan worden beslist. [11] De rechtbank heeft partijen, nu zij het er over eens zijn dat de natuurvergunning niet in stand kan blijven, daarom op de zitting gevraagd hoe zij de gang van zaken na de vernietiging voor zich zien. En dan in het bijzonder of de rechtbank de provincie op moet dragen om binnen een bepaalde termijn een nieuw besluit te nemen, of dat de rechtbank een tussenuitspraak doet of de zaak aanhoudt met een termijn voor het herstelbesluit.
6.1.
Eisers zouden graag een vernietiging zien met een opdracht aan de provincie om een nieuw besluit te nemen en willen geen verder uitstel in afwachting van een herstelbesluit. Eisers hebben belang bij duidelijkheid dat deze natuurvergunning niet meer in werking kan zijn en hebben daar inmiddels al lang op gewacht.
6.2.
De provincie realiseert zich dat zij op dit moment niet meer kan bieden dan comfort over de herstelpoging en zou het voor de veehouderij het meest werkbaar vinden als er een nadere termijn komt voor een herstelbesluit via een tussenuitspraak of aanhouding van de zaak, maar kan zich een kale vernietiging ook voorstellen.
6.3.
De veehouderij wil graag dat de zaak bij de rechtbank blijft omdat het proces dan blijft lopen en zij wil voorkomen dat zij na een nieuw besluit opnieuw lang moet wachten op een uitspraak in mogelijke procedures, zeker nu zij een PAS-melder is.
6.4.
De rechtbank draagt de provincie op om op uiterlijk 1 juli 2026 een nieuw besluit te nemen en zal dus geen tussenuitspraak doen of de zaak aanhouden. Belangrijkste reden hiervoor is dat er op dit moment nog geen herstelbesluit is en niet zeker is wanneer dat er komt. De rechtbank weegt bij deze beslissing verder mee dat het een oude zaak is die al lange tijd bij de rechtbank loopt en waarvoor eisers inmiddels een verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn hebben gedaan. Verder geldt dat de rechtbank in afwachting van een herstelbesluit al eerder uitstel heeft verleend en regie heeft gevoerd zonder concreet resultaat. De rechtbank vindt het nu tijd om de regie over dit besluit weer te leggen waar die hoort: bij de provincie.
6.5.
De rechtbank verliest daarbij niet uit het oog dat de veehouderij, zeker nu dat een PAS-melder is, gelet op de zaaksvoorraad bij de rechtbank vreest opnieuw jaren te moeten wachten op een zitting en uitspraak als tegen het herstelbesluit ook rechtsmiddelen zouden worden aangewend. Bovendien lag de vertraging (van de herstelpogingen) in deze zaak niet volledig in de macht van de provincie en de veehouderij nu die vertraging bijvoorbeeld ook te maken had met de in de tussentijd veranderde rechtspraak en de (landelijke) onzekerheid over de legalisatie van PAS-melders. Met het oog daarop heeft de rechtbank de veehouderij op de zitting toegezegd dat zij welwillend zal omgaan met het versneld inplannen van een eventuele zitting in een mogelijke nieuwe beroepszaak tegen een nieuw besluit.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
7. Over het verzoek om schadevergoeding van eisers oordeelt de rechtbank als volgt.
7.1.
De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. [12] Voor een zaak waarbij het besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure, begint de redelijke termijn op het moment dat beroep is ingesteld tegen het besluit. De behandeling van het beroep mag maximaal twee jaar duren. [13]
7.2.
In deze zaak is het beroepschrift ingediend op 25 juli 2023. Dat betekent dat inmiddels ruim twee jaar zijn verstreken en de redelijke termijn in beroep dus is overschreden.
7.3.
De schadevergoeding bedraagt € 500,- voor ieder half jaar dat de termijn is overschreden. Van het moment van het indienen van het beroep tot deze uitspraak komt dat neer op een overschrijding van een half jaar. Dat betekent dat eisers aanspraak maken op een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn van € 500,-. Voor dit verzoek krijgen eisers een proceskostenvergoeding van 1 punt (€ 934,- per punt) met een wegingsfactor 0,5. [14] Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 467,-.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de natuurvergunning. De rechtbank zal de zaak niet finaal beslechten, omdat hiervoor een nieuw besluit nodig is. Omdat niet zeker is hoe lang dit nog gaat duren en nu er inmiddels in deze zaak al veel tijd is verstreken zonder dat een herstelbesluit is genomen, zal de rechtbank geen tussenuitspraak doen of de zaak nog langer aanhouden. Wel zal de rechtbank met het oog op de belangen van de veehouderij aan eventuele nieuwe beroepen tegen het nieuwe besluit voorrang geven.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de provincie op uiterlijk 1 juli 2026 een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de provincie het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. De provincie moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
8.3.
Verder maken eisers aanspraak op een schadevergoeding van de Staat van € 500,- en voor dit verzoek van de Staat een proceskostenvergoeding van € 467,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de natuurvergunning van 12 juni 2023;
- draagt het college op om uiterlijk op 1 juli 2026 een nieuw besluit te nemen;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding van € 500 en een proceskostenvergoeding van € 467,- aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. J.A.M. van Heijningen, leden, in aanwezigheid van mr. K.M. van Leeuwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De minister ziet af van het voeren van verweer, zie de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935,
2.De uitspraken van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac) en ECLI:NL:RVS:2024:4909 (Amer).
3.Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Het dichtstbijzijnde gebied is Lingegebied & Diefdijk-Zuid op 4,6 kilometer.
5.Zie de uitspraken in voetnoot 1.
6.Dit staat in artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet.
7.Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb.
8.Artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb.
9.De uitspraken in voetnoot 1.
10.Zie de uitspraken in voetnoot 1.
11.Dit bepaalt artikel 8:41a van de Awb.
12.Zie AbRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.3.
13.Zie AbRvS 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2157.
14.Zie AbRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.