ECLI:NL:RBGEL:2026:2096

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
25/3914
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13.1 planregelsArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 22.1 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid omgevingsvergunning voor woningbouw binnen bestemmingsplan

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel heeft verleend voor het bouwen van 59 woningen aan een locatie in de gemeente. De vergunning werd op 3 april 2025 verleend met een afwijking van de bouwhoogte voor twee woningen, waarna op 19 juni 2025 een gewijzigde vergunning werd verleend die binnen de maximale bouwhoogte van het bestemmingsplan viel.

Eisers voerden aan dat het college ten onrechte niet heeft gewacht met de beslissing op bezwaar vanwege een lopend beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak over het bestemmingsplan en dat er bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering op de vaste Tegelenrechtspraak rechtvaardigen. De rechtbank oordeelt dat het bestemmingsplan op het moment van de beslissing op bezwaar al in werking was getreden en dat de gewijzigde vergunning conform het bestemmingsplan is verleend.

Daarnaast stelden eisers dat de locatie ongeschikt is voor woningbouw vanwege nabijheid van bedrijvigheid en mogelijke belemmeringen voor hun bedrijfsvoering. De rechtbank stelt dat deze gronden niet in deze procedure aan de orde kunnen komen en dat de Afdeling bestuursrechtspraak hierover moet oordelen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door rechter M.J.M. Verhoeven op 18 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning voor woningbouw.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3914

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen
[naam bedrijf 1] B.V., [naam bedrijf 2], [eiser 1] en [eiseres 1], uit [plaats 1],
[naam bedrijf 3] en [eiser 2], uit [plaats 2], en
[naam bedrijf 4] v.o.f. en haar vennoten [eiser 3], [eiseres 2] en [eiseres 3], uit [plaats 1],
gezamenlijk eisers
(gemachtigde: mr. E.H.E.J. Wijnen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel

(gemachtigden: mr. S. Stokkers en mr. S. Keywani).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [plaats 3], vergunninghouder
(gemachtigde: J. van Zanten).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het bouwen van 59 woningen aan de [locatie 1] in [plaats 1]. Eisers zijn het niet eens met het bouwplan. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Op 23 december 2024 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor de omgevingsplanactiviteit bouwen om 59 woningen te realiseren.
2.1.
Op 3 april 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend, met toepassing van de binnenplanse omgevingsplanactiviteit van het omgevingsplan voor afwijking van de in het omgevingsplan opgenomen bouwhoogte van twee woningen in bouwblok B.
2.2.
Op 6 juni 2025 heeft vergunninghouder verzocht de omgevingsvergunning te wijzigen en de verleende bouwhoogte van 9,46 meter van de twee woningen in bouwblok B (bekend onder [locatie 2] [huisnummer 1] en [huisnummer 2]) te verlagen naar 8,99 meter, zodat deze binnen de maximale hoogte uit het omgevingsplan past.
2.3.
Bij besluit van 19 juni 2025 heeft het college aan vergunninghouder een gewijzigde omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit bouwen voor het verlagen van de twee woningen, geheel passend binnen de mogelijkheden volgens de planregels.
2.4.
Bij beslissing op bezwaar van 22 juli 2025 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.6.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.7.
Eisers hebben nadere stukken ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres 1], [eiser 2], de gemachtigde van eisers, mr. S. Stokkers en mr. S. Keywani namens het college, en vergunninghouder en zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de gewijzigde omgevingsvergunning
3. Op 3 april 2025 heeft het college een omgevingsvergunning voor het bouwen van 59 woningen verleend met gebruikmaking van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’. [1] Dit bestemmingsplan is nog volgens het oude recht van de Wet ruimtelijke ordening op 7 november 2024 vastgesteld door de gemeenteraad. [2] Dit bestemmingsplan maakt van rechtswege onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Zaltbommel (verder: het bestemmingsplan). [3] Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Het bouwplan voorziet in de ontwikkeling van het westelijke deel van het bestemmingsplan.
Op het moment van verlening van de vergunning op 3 april 2025 was het bestemmingsplan nog niet in werking omdat er een voorlopige voorzieningenprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) liep. De Afdeling heeft op 1 mei 2025 de verzochte voorlopige voorziening afgewezen. [4] Nadat het bestemmingsplan in werking is getreden, heeft vergunninghouder op 6 juni 2025 een gewijzigde aanvraag ingediend die past in het – inmiddels in werking getreden - bestemmingsplan en heeft het college deze wijziging vergund. . Met deze wijziging hoeft voor de omgevingsvergunning, anders dan de eerdere, en inmiddels gewijzigde, omgevingsvergunning van 3 april 2025, niet meer van het bestemmingsplan te worden afgeweken. Het college heeft de gewijzigde omgevingsvergunning in de beslissing op bezwaar in stand gelaten.
3.1.
De rechtbank beoordeelt de in stand gelaten omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Heeft het college de omgevingsvergunning kunnen verlenen?
4. Eisers betogen dat het college ten onrechte de beslissing op bezwaar niet heeft aangehouden. Er loopt nog beroep bij de Afdeling over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Eisers hebben beroep bij de rechtbank moeten instellen om te voorkomen dat de omgevingsvergunning onherroepelijk wordt. Eisers zijn van mening dat in dit geval de vaste Tegelenrechtspraak niet van toepassing is, omdat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. De gemeenteraad heeft op de zitting van de voorzieningenrechter van de Afdeling over het bestemmingsplan erkend dat het bestemmingsplan gebreken heeft en dat die hersteld moeten worden. Ten tijde van de uitspraak van de Afdeling over de voorlopige voorziening van het bestemmingsplan, 1 mei 2025, was het herstelbesluit van de gemeenteraad nog niet genomen. Ook bevat de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling onjuistheden. Onder deze omstandigheden dient het belang van de rechtsbescherming van eisers zwaarder te wegen dan het belang van de rechtszekerheid van de vergunninghouder.
4.1.
De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning naar het moment van de beslissing op bezwaar van 22 juli 2025. Het bestemmingsplan is in werking getreden nadat de voorlopige voorziening over het bestemmingsplan op 1 mei 2025 is afgewezen. Dat betekent dat ten tijde van de beoordeling van de gewijzigde aanvraag en ten tijde van de beslissing op bezwaar het bestemmingsplan het geldende toetsingskader voor de vergunningsaanvraag was. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De gewijzigde aanvraag heeft betrekking op verlaging van de bouwhoogte van twee woningen tot negen meter. Met deze verlaging is voldaan aan de maximale bouwhoogte zoals vastgelegd in het bestemmingsplan.
4.2.
Uit de vaste Tegelenrechtspraak volgt dat in de periode tussen de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan en de mogelijke vernietiging van de goedkeuring van dat plan in beginsel het nieuwe bestemmingsplan het toetsingskader vormt voor de beslissing over een omgevingsvergunning. Als tegelijk met de indiening van het bezwaarschrift tegen de omgevingsvergunning een verzoek om schorsing van de goedkeuring van het nieuwe bestemmingsplan indient bij de voorzitter van de Afdeling, ligt het in de rede dat het college niet op het bezwaar beslist voordat de voorzitter van de Afdeling zich over de gevraagde schorsing heeft uitgesproken. [5]
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat de Tegelenrechtspraak onverkort van toepassing is en dat een eventuele vernietiging van het bestemmingsplan geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning. De rechtbank moet de omgevingsvergunning beoordelen aan de hand van het planologische regime dat gold op het moment van de beslissing op bezwaar. Vast staat dat het bestemmingsplan op dat moment al in werking was getreden. De gewijzigde vergunning is conform de planregels van het bestemmingsplan verleend voor de omgevingsplanactiviteit bouwen. Het toetsingskader is limitatief-imperatief geformuleerd en dat betekent dat het college binnen de daartoe gestelde termijnen de vergunning moet verlenen als de aanvraag in overeenstemming is met het bestemmingsplan en moet beslissen op het bezwaar. Anders dan eisers stellen, is er geen aanleiding om de beslissing op het bezwaar van eisers aan te houden. Er staat namelijk vast dat het college op het bezwaar heeft beslist nadat de voorzitter van de Afdeling het verzoek om een voorlopige voorziening over het bestemmingsplan heeft afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat de door eisers aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven een uitzondering te maken op de vaste Tegelenrechtspraak. Wat ook zij van eventuele toezeggingen over een herstelbesluit in het kader van de bestemmingsplanprocedure, en van het standpunt van eisers dat de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling onjuistheden bevat, vaststaat dat de voorzieningenrechter van de Afdeling het bestemmingsplan niet heeft geschorst. Daarmee is aan de eisen van de Tegelenrechtspraak voldaan. Een beoordeling van de standpunten van eisers over de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling is niet aan de rechtbank. De beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgrond
4. Eisers betogen dat zij het niet eens zijn met het bestemmingsplan. Eisers vinden de locatie ongeschikt voor woningbouw. Zij voeren onder meer aan dat de woningbouw op te korte afstand ligt van de omliggende bedrijvigheid en vrezen belemmering van hun bedrijfsvoering. De raad heeft ten onrechte geen rekening gehouden met loonwerkactiviteiten met een afstandsnorm van 30 meter, de geurnormering belemmert de varkenshouderij en de verkeersafwikkeling over de [locatie 3] belemmert de freesiakwekerij.
4.1.
Het college stelt zich terecht op het standpunt dat de beroepsgronden tegen het bestemmingsplan niet in deze procedure aan de orde kunnen komen. De Afdeling zal daarover moeten oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met toepassing van de binnenplanse omgevingsplanactiviteit c.q. afwijkingsbevoegdheid van artikel 13.1 van de planregels.
2.Zie artikel 4.6, tweede lid, aanhef en onder a onder 2° en onder b van de Invoeringswet Omgevingswet.
3.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1897.
5.Uitspraak van de Afdeling van 21 december 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA4296 onder 2.5.2 e.v. (Tegelen).