ECLI:NL:RBGEL:2026:2042

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
AWB 24/9358
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet WOZArtikel 1 Verordening op de heffing en invordering van riool- en waterzorgheffing 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-waarde en aanslag rioolheffing ongegrond en niet-ontvankelijk verklaard

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde van een fastfoodrestaurant langs de snelweg en de daaraan gekoppelde aanslag onroerendezaakbelastingen, alsmede tegen de aanslag riool- en waterzorgheffing. De rechtbank beoordeelt dat het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelastingen ongegrond is, omdat de heffingsambtenaar zijn bewijslast met een taxatierapport en onderbouwing heeft voldaan.

De gemachtigde van belanghebbende heeft echter niet concreet ingegaan op de specifieke kenmerken van de zaak en volstond met algemene beroepschriften, wat in strijd is met de goede procesorde. Het beroep tegen de aanslag riool- en waterzorgheffing is niet-ontvankelijk verklaard omdat daartegen geen bezwaar is gemaakt, een vereiste voor beroep bij de belastingrechter.

Daarnaast is het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de termijn tussen bezwaar en uitspraak minder dan twee jaar bedroeg. De rechtbank wijst het beroep af en verklaart het niet-ontvankelijk waar van toepassing, zonder proceskostenvergoeding toe te kennen.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelastingen is ongegrond verklaard en het beroep tegen de aanslag rioolheffing niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9358

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van Meerinzicht, de heffingsambtenaar.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 4 december 2024.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [locatie 1] in [plaats 2] op 1 januari 2023 (waardepeildatum) vastgesteld op € 766.000. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook een aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente Harderwijk voor het jaar 2024 opgelegd. Op het biljet staat daarnaast voor deze onroerende zaak ook een aanslag riool- en waterzorgheffing vermeld.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Het beroep is aangevuld met (onder andere) een pinpointbrief. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft belanghebbende op 5 november 2025 verzocht de beroepsgronden en argumenten die zien op de in geschil zijnde onroerende zaak te concretiseren. Belanghebbende heeft daarop gereageerd met een verbijzonderingsbrief.
Hoewel in deze zaak sprake is van een derde-belanghebbende met een mogelijk tegengesteld belang, heeft de derde-belanghebbende niet of afwijzend gereageerd op de uitnodiging van de rechtbank om zich te voegen in de procedure. De procedure heeft daarom zonder de derde-belanghebbende plaatsgevonden.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben (via een digitale verbinding) deelgenomenieraan: gemachtigde en namens de heffingsambtenaar [persoon A] en [persoon B] .
Feiten
1. Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een fastfoodrestaurant langs de snelweg.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het volgende:
- de objectafbakening;
- de WOZ-waarde;
- de aanslag riool- en waterzorgheffing;
- of artikel 40 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) is geschonden.
3. De rechtbank heeft de beroepsgronden beoordeeld en is van oordeel dat het beroep tegen de waarde en aanslag onroerendezaakbelastingen ongegrond is en dat het beroep tegen de aanslag riool- en waterzorgheffing niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
4. Bij de beoordeling van de gronden stelt de rechtbank het volgende voorop.
Gemachtigde heeft voor de in geschil zijnde onroerende zaak de WOZ-beschikking en de aanslagen betwist. Hij heeft daarvoor volstaan met de indiening van een beroepschrift dat (nagenoeg) gelijkluidend is aan vele andere door gemachtigde namens diverse belanghebbenden ingediende beroepschriften ongeacht de aard van de onroerende zaak (woning, winkel, bedrijfsruimte of hotel). Hij is dus niet specifiek ingegaan op de in geschil zijnde WOZ-beschikking en aanslag(en). Hetzelfde heeft te gelden voor de nader door hem ingediende stukken (pinpointbrief en verbijzonderingsbrief). Zelfs nadat de rechtbank gemachtigde heeft verzocht om concretisering van zijn beroepsgronden en argumenten heeft gemachtigde volstaan met reacties waarvan de inhoud van de stukken grotendeels bestaat uit algemene en irrelevante vragen en stellingen. Het is daarom niet mogelijk (de inhoud van) de stukken van de gemachtigde zinvol bij de beoordeling van de zaak te betrekken. De wijze waarop de gemachtigde van belanghebbende procedeert is in strijd met hetgeen van een beroepsmatig optredende rechtsbijstandsverlener mag worden verwacht en is in strijd met de goede procesorde. [1] Het risico dat een stelling niet wordt behandeld die in een concreet voorliggende zaak mogelijk met succes zou kunnen worden verdedigd, is dan ook het rechtstreekse gevolg van de wijze van procederen door de gemachtigde en komt derhalve voor rekening van de belanghebbende namens wie hij optreedt. [2] De gemachtigde heeft op de zitting wel stellingen ingenomen die specifiek op de onroerende zaak betrekking hebben, zoals over de gebruikte referenties. De rechtbank zal die stellingen betrekken in haar beoordeling. Daarbij bewaakt de rechtbank de goede procesorde, waarbij de beoordeling van standpunten achterwege blijft als de heffingsambtenaar zich daarop, door het late moment waarop ze zijn ingenomen, onvoldoende heeft kunnen voorbereiden.
5. De rechtbank zal met inachtneming van het hiervoor overwogene beslissen.
Gegevensverstrekking
6. Gemachtigde heeft in de loop van deze en vele andere bezwaar- en beroepsprocedures standaard aangegeven dat bepaalde stukken en/of gegevens ontbreken. Uit de gedingstukken blijkt dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase het taxatieverslag aan gemachtigde heeft verstrekt. Voor het overige is onvoldoende concreet gesteld wanneer hij om welke specifiek op deze zaak betrekking hebbende gegevens heeft gevraagd en dat die stukken niet zijn verstrekt. Artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ verplicht verder niet tot het beantwoorden van vragen over de op grond van die bepaling te verstrekken gegevens of onderbouwing van de gebruikte gegevens. Met betrekking tot de verdeling van de stelplicht en bewijslast heeft te gelden dat het op de weg ligt van een belanghebbende die betoogt dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden doordat door hem gevraagde gegevens niet uiterlijk bij uitspraak op bezwaar zijn verstrekt, om de feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem gevraagde, en niet verkregen gegevens aan de vaststelling van de waarde ten grondslag hebben gelegen en daarom onder de werking van die bepaling vallen. [3] Belanghebbende heeft in deze zaak niet concreet gesteld dat hij daartoe in redelijkheid niet in staat is doordat de daartoe benodigde gegevens zich bevinden in het domein van de heffingsambtenaar en de belanghebbende daartoe geen toegang heeft en evenmin aangeboden heeft gekregen. De heffingsambtenaar heeft daarom met de door hem overgelegde stukken aan zijn informatieplicht voldaan.
WOZ-beschikking
7. Belanghebbende stelt ter zitting dat de waarde van de onroerende zaak € 499.000 bedraagt.
8. De heffingsambtenaar heeft de vastgestelde waarde van de onroerende zaak onderbouwd met een taxatierapport. In het taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak getaxeerd op € 766.000. De waarde is bepaald middels de huurwaardekapitalisatiemethode waarbij de huurwaarde is afgeleid uit huurreferenties en de kapitalisatiefactor is berekend middels de zogenaamde top-down methode op basis van verkoopreferenties.
9. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met zijn taxatierapport en de toelichting ter zitting de waarde aannemelijk heeft gemaakt. Uit niets volgt dat de heffingsambtenaar bij de waardebepaling is uitgegaan van een onjuiste afbakening. Er is ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar gebruikte objectkenmerken. De huurwaarde is onderbouwd met huurreferenties die naar het oordeel van de rechtbank ter onderbouwing kunnen dienen. Daarbij houdt de rechtbank er rekening mee dat, zoals de heffingsambtenaar ter zitting heeft toegelicht, er geen betere referenties beschikbaar zijn, vanwege de specifieke markt van fastfoodrestaurants langs de snelweg. Bovendien is de eigen huurprijs van de onroerende zaak opgevraagd, maar deze gegevens zijn niet verstrekt. De kapitalisatiefactor is onderbouwd met verkoopreferenties. De rechtbank gaat voorbij aan [locatie 2] in [plaats 2] omdat deze in verhuurde staat is verkocht, maar de overige koopreferenties leiden tot aanzienlijk hogere kapitalisatiefactoren dan de factor van 8,8 waarmee bij de onroerende zaak rekening is gehouden. Hoewel bij de analyse van de verkoopreferenties mogelijk is uitgegaan van transportdata in plaats van de verkoopdata, is de rechtbank van oordeel dat ook als hiervoor nog gecorrigeerd moet worden, de kapitalisatiefactor van de onroerende zaak zeker niet te hoog is bepaald. De heffingsambtenaar heeft daarmee aan zijn bewijslast voldaan.
Aanslag riool- en waterzorgheffing
10. Voor zover belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen de overige aanslagen, is het beroep niet-ontvankelijk, omdat tegen de aanslagen geen bezwaar is ingediend. Beroep bij de belastingrechter staat uitsluitend open als hiertegen eerst bezwaar is gemaakt. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in het bezwaarschrift bezwaar maakt tegen de aanslag “
WOZ/OZB 2024 én uitdrukkelijk ook alle andere hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook”. Uit deze aanhef noch de verdere inhoud van het bezwaarschrift volgt dat het bezwaar zich richt tegen iets anders dan de WOZ-waarde en de daaruit volgende aanslag onroerendezaakbelastingen. Een beroep is niet-ontvankelijk als niet eerst bezwaar is gemaakt. Weliswaar vermeldt de volmacht ook rioolheffing, maar dat belanghebbende de gemachtigde heeft gemachtigd om ook bezwaar te maken tegen deze aanslagen, betekent nog niet dat dit feitelijk ook is gebeurd. Daarvoor is de inhoud van het bezwaarschrift doorslaggevend. Dat er andere aanslagen op hetzelfde biljet zijn vermeld, maakt nog niet dat het hier gaat om aan de WOZ gerelateerde aanslagen.
11. In dit geval is er ook geen verband tussen de riool-en waterzuiveringsheffing en de WOZ-waarde, omdat de hoogte van de riool-en waterzuiveringsheffing blijkens de Verordening op de heffing en invordering van riool- en waterzorgheffing 2024 niet is gekoppeld aan de WOZ-waarde. Voor de riool- en waterzuiveringsheffing is er wel een relatie met de WOZ-objectafbakening, omdat de heffing voor het perceelbegrip gedeeltelijk aansluit bij de definitie in de Wet WOZ. [4] Uit niets volgt evenwel dat bezwaar is gemaakt tegen de objectafbakening, zodat ook dit beroep niet-ontvankelijk is. Dat gemachtigde in bezwaar een uitdrukkelijk voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de juiste objectafbakening, betekent niet dat die grond is ingebracht. In de uitspraak op bezwaar wordt dan ook terecht uitsluitend uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de waardevaststelling van de onroerende zaak en de aanslag onroerendezaakbelastingen, zodat het beroep van belanghebbende, voor zover dat is gericht tegen de overige aanslag(en) niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De stellingen van belanghebbende over de opbrengstlimiet worden dan ook niet inhoudelijk behandeld.
Vergoeding van immateriële schade
12. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De heffingsambtenaar heeft op 14 maart 2024 van belanghebbende een bezwaarschrift ontvangen. De periode tussen de datum van indiening van het bezwaarschrift en de datum van deze uitspraak is minder dan twee jaar. Belanghebbende heeft geen bekorting bepleit van de gebruikelijke termijn van twee jaren voor toekenning van immateriële schadevergoeding en de rechtbank ziet daar ook geen aanleiding toe. Daarom wijst de rechtbank dit verzoek af.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep ter zake van de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelastingen is ongegrond. Het beroep ter zake van de aanslag riool- en waterzorgheffing is niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
14. Het voorgaande betekent dat belanghebbende geen proceskostenvergoeding ontvangt. Ook het griffierecht wordt niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond, voor zover deze betrekking heeft op de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelastingen;
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover deze betrekking heeft op de aanslag riool- en waterzorgheffing;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken op 13 maart 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. Hof Amsterdam 9 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3272.
2.In gelijke zin Hof Amsterdam 11 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3661
3.Vgl. Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, rechtsoverweging 5.17 en Hoge Raad 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, rechtsoverweging 4.3.1.
4.Artikel 1 van Pro de Verordening op de heffing en invordering van riool- en waterzorgheffing 2024.