ECLI:NL:RBGEL:2026:1607

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
ARN 24_3313
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63a ZWArt. 8:88 AwbArt. 6:162 BWArt. 6:98 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadeverzoek wegens eigenrisicodragerschap UWV Ziektewet

Verzoeker heeft een schadeverzoek ingediend tegen het UWV naar aanleiding van het onrechtmatig beëindigen van zijn ziekengeld per 23 augustus 2010. Het UWV had het ziekengeld destijds stopgezet omdat de eigenrisicodrager, zijn werkgever, hem als hersteld meldde. Verzoeker stelt dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld en eist vergoeding van schade die voortvloeit uit nabetalingen en financiële gevolgen zoals hogere belasting en lagere toeslagen.

De rechtbank stelt vast dat het UWV het besluit van 24 augustus 2010 onrechtmatig heeft genomen, maar dat dit besluit niet aan het UWV kan worden toegerekend omdat de werkgever als eigenrisicodrager verantwoordelijk was voor de uitvoering van de Ziektewet in die periode. De werkgever droeg de verantwoordelijkheid voor verzuimbegeleiding, medische controles en betalingen.

De rechtbank oordeelt dat het causaal verband tussen de schade en het onrechtmatige besluit ontbreekt voor zover het UWV betreft. De schade is het gevolg van het handelen van de eigenrisicodrager en niet van het UWV. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelt zij verzoeker niet tot vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Verzoeker kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van het vonnis.

Uitkomst: De rechtbank wijst het schadeverzoek af omdat het onrechtmatige besluit niet aan het UWV kan worden toegerekend vanwege het eigenrisicodragerschap van de werkgever.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3313

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.F. van den Brink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: E. van den Brink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het schadeverzoek van verzoeker. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van zijn schadeverzoek. Hij voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot [naam bedrijf] oordeel komt en welke gevolgen [naam bedrijf] oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 25 april 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het verzoek van verzoeker om schadevergoeding afgewezen.
2.1.
Op 17 mei 2024 heeft verzoeker de gronden van het verzoekschrift aangevuld. Het UWV heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het verzoek op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoeker is werkzaam geweest bij [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf]). [naam bedrijf] was van 17 augustus 2008 tot en met 31 december 2013 en van 1 januari 2017 tot en met 2 januari 2021 eigenrisicodrager (ERD) voor de Ziektewet (ZW). [naam bedrijf] was van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2016 eigenrisicodrager voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
3.1.
Met het besluit van 24 maart 2009 heeft het UWV aan verzoeker per 16 februari 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
3.2.
Met het besluit van 13 april 2010 heeft het UWV aan verzoeker per 16 februari 2009 ziekengeld op grond van de ZW toegekend.
3.3.
Met het besluit van 24 augustus 2010 heeft het UWV het ziekengeld van verzoeker per 23 augustus 2010 beëindigd, omdat hij door de eigenrisicodrager hersteld is gemeld.
3.4.
Op 1 februari 2021 heeft verzoeker het UWV verzocht om terug te komen van - de rechtbank begrijpt - het besluit van 24 augustus 2010.
3.5.
Met het besluit van 10 december 2021 heeft het UWV vervolgens aan verzoeker per 10 februari 2020 een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten) toegekend op grond van de Wet WIA. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts [persoon A] van 18 november 2021 ten grondslag.
3.6.
Op 13 maart 2024 heeft verzoeker het UWV schriftelijk om vergoeding van schade gevraagd.
3.7.
Het UWV is hierna overgegaan tot de besluitvorming als vermeld onder het kopje “Procesverloop”. Volgens het UWV is het besluit van 24 augustus 2010 onrechtmatig, omdat er teruggekomen wordt op de eerdere hersteldmelding. Dit kan het UWV echter niet worden toegerekend, omdat [naam bedrijf] in die tijd eigenrisicodrager was. De uitvoering van de ZW, inclusief verzuimbegeleiding en medische controles, vindt plaats door of onder verantwoording van [naam bedrijf]. Gedurende de periode van oktober 2010 tot januari 2021 is verzoeker niet meer in beeld bij het UWV. Dat betekent dat de gevolgen van het achteraf onrechtmatig gebleken besluit het UWV niet kunnen worden toegerekend.
Standpunt partijen
4. Tijdens de zitting heeft verzoeker verduidelijkt dat het besluit van 24 augustus 2010 het onrechtmatige besluit is. Als gevolg van dit besluit is het ziekengeld van verzoeker ten onrechte per 23 augustus 2010 beëindigd. Het UWV heeft dit besluit herzien en verzoeker per 10 februari 2020 alsnog in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering.
De schade is het gevolg van drie nabetalingen van het UWV op 4, 11 en 27 januari 2022 die zien op de periode 10 februari 2020 tot 1 januari 2022. De schade bestaat uit het betalen van meer inkomstenbelasting, een lager bedrag aan huur- en zorgtoeslag, het terugbetalen van bijstand aan de gemeente Apeldoorn, vanwege een ontvangen erfenis en wettelijke rente. Het totaalbedrag aan schade is € 15.808,87.
Volgens verzoeker staat het eigenrisicodragerschap van [naam bedrijf] niet in de weg aan toerekening van het onrechtmatig besluit aan het UWV. Het UWV heeft het onrechtmatige besluit namelijk genomen en als de aanvraag destijds was ingewilligd, zou er geen schade zijn geleden. Daar ligt het causaal verband dat nodig is voor toerekening volgens het aansprakelijkheidsrecht. Het eigenrisicodragerschap van [naam bedrijf] heeft hier volgens verzoeker niets mee te maken.
4.1.
Volgens het UWV bepaalt artikel 63a, eerste en tweede lid, van de ZW dat de eigenrisicodrager de verantwoording draagt voor de werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding van besluiten, het betalen van ziekengeld en verzekeringsgeneeskundige onderzoeken. Ook als achteraf is gebleken dat het besluit van 24 augustus 2010 (de hersteld melding) onjuist is geweest, komt dat niet voor rekening van het UWV, maar van de eigenrisicodragende werkgever. Voor geleden schade zal verzoeker zich dan ook tot [naam bedrijf] moeten richten en niet tot het UWV.
Wettelijk kader
5. Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade, die belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.
6. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit of die andere onrechtmatige handeling, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. [1]
Inhoudelijke beoordeling
7. Niet in geschil is dat er sprake is van een onrechtmatig besluit. Het UWV zal daarom, in beginsel, de schade die is ontstaan, ten gevolge van het ten onrechte beëindigen van het ziekengeld per 23 augustus 2010, en voor zover die schade het UWV gezien de aard van de aansprakelijkheid kan worden toegerekend, moeten vergoeden. Verzoeker heeft gesteld dat hij schade heeft geleden in de vorm van het betalen van meer inkomstenbelasting, een lager bedrag aan huur- en zorgtoeslag, het terugbetalen van bijstand en wettelijke rente. De rechtbank zal hierna beoordelen of het UWV die schade moet vergoeden.
De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade als gevolg van de drie nabetalingen van het UWV op 4, 11 en 27 januari 2022 niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat het causaal verband tussen de gestelde schade en het onrechtmatige besluit van 24 augustus 2010 ontbreekt. Het onrechtmatige besluit is immers niet terug te voeren op handelen of nalaten van het UWV, maar van [naam bedrijf] als eigenrisicodrager. Zoals het UWV terecht opmerkt, draagt [naam bedrijf] de verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding van besluiten, het betalen van ziekengeld en verzekeringsgeneeskundige onderzoeken. Eventuele misslagen of nalatigheden met betrekking tot de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid komen daarom voor rekening van [naam bedrijf] en niet van het UWV. Voor zover het betalen van meer inkomstenbelasting, een lager bedrag aan huur- en zorgtoeslag, het terugbetalen van bijstand en de wettelijke rente het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg zijn van het ten onrechte beëindigen van het ziekengeld van verzoeker per 23 augustus 2010, zijn deze niet het gevolg van het besluit van 24 augustus 2010. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding meer voor beantwoording van de vraag of de schade voor vergoeding in aanmerking komt.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Verzoeker krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ook geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1646.