ECLI:NL:RBGEL:2026:1602

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
05-880524-19
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 SvArt. 6:6:26 lid 1 SvArt. 94a SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit deelname criminele organisatie en hennepteelt

De rechtbank Gelderland heeft op 3 maart 2026 uitspraak gedaan in de ontnemingszaak tegen veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt, diefstal van stroom, witwassen en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €37.000,00, gebaseerd op bewezenverklaarde feiten en aanvullende bewijsstukken, waaronder telefoontaps.

De rechtbank nam het standpunt van de verdediging mee dat veroordeelde een ondergeschikte rol had en slechts een beperkt aandeel in het voordeel had, maar concludeerde dat het bewijs, waaronder gesprekken waarin betalingen werden besproken, een voordeel van circa €37.000 aannemelijk maakte. Van dit bedrag werd €2.100 in mindering gebracht wegens een direct verband met verbeurd verklaard geldbedrag, en een korting van €3.700 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op om €31.200 aan de Staat te betalen. Tevens werd de duur van de gijzeling vastgesteld op 312 dagen, conform wettelijke richtlijnen. De uitspraak weerspiegelt een zorgvuldige afweging van bewijs, wettelijke kaders en procesrechtelijke waarborgen.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €31.200 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met een gijzelingstermijn van 312 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer : 05/880524-19 (ontneming)
Datum uitspraak : 3 maart 2026
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde] (hierna: [veroordeelde] ),
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (voormalige Sovjet-Unie),
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. J.W.P. Beijen, advocaat in Amsterdam.

1.De inhoud van de vordering

De officieren van justitie vorderen dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officieren van justitie voorlopig is geschat op € 1.771.172,75.

2.De procedure

De vordering is op een openbare terechtzitting behandeld. Voorafgaand aan deze zitting hebben schriftelijke rondes plaatsgevonden, als volgt.
  • Conclusie van eis van het openbaar ministerie van 29 augustus 2025.
  • Conclusie van antwoord van de verdediging van 3 oktober 2025, met als bijlage een tegenberekening met vijf bijlagen.
  • Conclusie van repliek van 6 november 2025, met als bijlage een reactie op de tegenberekening met vier bijlagen.
  • Aanvullende conclusie van repliek van 20 november 2025 met vijf bijlagen.
  • Conclusie van dupliek van 12 december 2025.
De officieren van justitie hebben ter terechtzitting de vordering aangepast en gevorderd dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel (dat in totaal € 1.454.047,05 bedraagt) voor veroordeelde dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 231.237,00 en dat de betalingsverplichting van veroordeelde dient te worden vastgesteld op een bedrag van
€ 184.990,00.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Het vonnis in de hoofdzaak
De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 12 mei 2025 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde is veroordeeld ter zake van het medeplegen van hennepteelt in het pand aan [adres] te Nijmegen (in de periode van 7 mei 2019 tot en met 3 juni 2019), het medeplegen van diefstal van stroom (in de periode van 9 februari 2019 tot en met 3 juni 2019), witwassen (omstreeks 23 juli 2019) en de deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk had gewoontewitwassen en de diefstal van stroom (in de periode van 10 juli 2017 tot en met 23 juli 2019) en het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van hennep (in de periode van 17 november 2018 tot en met 23 juli 2019). De rechtbank heeft aan veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd van 233 dagen. Daarnaast heeft de rechtbank een contant geldbedrag van
€ 17.200,00 verbeurd verklaard.
Uit de bewijsmotivering die ziet op deelname aan de criminele organisatie volgt dat die organisatie zich onder andere bezig hield met de hennepteelt en diefstal van stroom in de panden aan [adres] te Silvolde en [adres] te Rotterdam en dat veroordeelde via haar deelname aan de criminele organisatie ook bij de hennepteelt in die panden betrokken was.
Voor deelname aan de criminele organisatie zijn bij vonnissen van 12 mei 2025 tevens veroordeeld [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] , [medeveroordeelde 3] , en [medeveroordeelde 4] (laatstgenoemde enkel wat betreft de criminele organisatie die het gewoontewitwassen tot oogmerk had).
3.2
Het kader voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank zal het geschatte voordeel van veroordeelde berekenen op basis van artikel 36e, lid 2, Sr. Het voordeel zal worden berekend over de bewezenverklaarde strafbare feiten en over andere strafbare feiten ten aanzien waarvan de rechtbank van oordeel is dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat veroordeelde die strafbare feiten heeft begaan.
3.3
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
3.3.1
Het standpunt van het openbaar ministerie
Aannemelijk is dat veroordeelden en de medeveroordeelden alleen volwaardig lid zijn geweest van de criminele organisatie. Niet is gebleken van een verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de verschillende deelnemers. Het voordeel uit de kwekerijen in Silvolde en Nijmegen moet daarom pondspondsgewijze over de deelnemers worden verdeeld. Nu de veroordeling van veroordeelde voor haar deelname aan de criminele organisatie de periode van 10 juli 2017 tot en met 23 juli 2019 beslaat, is aannemelijk dat de opbrengst van de in de kwekerij in Rotterdam geoogste hennep voorafgaand aan 10 juli 2017 werd verdeeld over vier deelnemers en daarna over vijf deelnemers. In de periode van 10 juli 2017 tot en met 23 juli 2019 zijn tien oogsten aannemelijk. Van het daaruit verkregen voordeel moet 20% aan veroordeelde worden toegerekend.
3.3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.
Primair geldt dat het openbaar ministerie niet aan de hand van concrete omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat veroordeelde enige relevante bemoeienis had met de hennepplantages in de panden aan [adres] in Silvolde en [adres] in Rotterdam. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat zij, rechtstreeks dan wel via haar deelname aan de criminele organisatie, daadwerkelijk enig voordeel heeft genoten uit deze plantages. De vordering dient daarom in zoverre te worden afgewezen.
Subsidiair heeft de verdediging verwezen naar een gemaakte tegenberekening ter zake van de netto opbrengst uit de hennepplantages in Silvolde, Rotterdam en aan [adres] in Nijmegen. Ten aanzien van laatstgenoemde hennepplantage heeft de verdediging nadien nog een subsidiair standpunt ingenomen (ten opzichte van de tegenberekening).
Te aanzien van de verdeling geldt dat veroordeelde in de kwekerij in Nijmegen de hennepplanten heeft verzorgd, met [medeveroordeelde 1] en [naam] overleg heeft gehad over de problemen bij het kweken en heeft geholpen bij het knippen. Ook heeft zij het pand ter beschikking gesteld. Overduidelijk is echter dat de kwekerij tot het einde van [medeveroordeelde 1] en anderen was en dat veroordeelde daarin een ondergeschikte en ondersteunende rol heeft gehad. Zij heeft daarmee slechts in beperkte mate daadwerkelijk voordeel verkregen uit de kwekerij. Dit voordeel kan zeker niet op 20% geschat worden. Een percentage tussen 10 en 15% is reëel en aannemelijk.
Voor de beantwoording van de vraag wat veroordeelde heeft ontvangen voor haar activiteiten voor de criminele organisatie (inclusief het telen in de kwekerij in Nijmegen), kan duidelijkheid worden verkregen uit een aantal (nader genoemde) telefoontaps. Voldoende aannemelijk is dat in die gesprekken de volledige betalingen worden besproken die [medeveroordeelde 1] over de gehele periode aan veroordeelde heeft gedaan. Afgezet tegen de omvang van haar bijdragende/ondersteunende handelingen in het kader van de criminele organisatie (€ 22.318,00) en bij het telen in de kwekerij in Nijmegen (€ 4.482,00), lijkt dit bovendien een redelijke en reële vergoeding.
Het totale bedrag dat [medeveroordeelde 1] aan veroordeelde heeft betaald moet worden geschat op in totaal € 26.800,00 (de optelsom van € 4.800,00, € 10.000,00 en € 12.000,00). Dat is het bedrag dat veroordeelde aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
3.3.3
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank komt in het navolgende tot het oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen. [1]
In het vonnis in de hoofdzaak heeft de rechtbank vastgesteld dat [veroordeelde] vanaf 10 juli 2017 de criminele organisatie ondersteunde. Daarnaast was zij nauw betrokken bij de hennepkwekerij gelegen aan [adres] te Nijmegen. Dat zij vanaf genoemde datum een gelijk aandeel had in de criminele opbrengsten als [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] , [medeveroordeelde 3] en [medeveroordeelde 4] acht de rechtbank echter niet aannemelijk. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
In het geval van [veroordeelde] bevinden zich concrete aanwijzingen in het dossier van bedragen die zij heeft ontvangen. Op 25 mei 2019 hebben [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] drie gesprekken gevoerd, waarin wordt gezegd dat [medeveroordeelde 1] aan [veroordeelde] 2400 en 3000 in twee maanden had gegeven, waarvan 600 voor [naam] [2] , dat [medeveroordeelde 1] aan [veroordeelde] vorige maand € 5000 had gegeven, dat ze een keer 10.000 en een andere keer 12.000 kreeg [3] en dat hij haar 5000 gaf, maar dat ze nu geen geld heeft. [4] De rechtbank leidt hieruit af dat [veroordeelde] in ieder geval € 27.000,00 heeft ontvangen. Waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de genoemde € 2.400,00 en € 3.000,00, hetzelfde bedrag betreft als de in het laatste gesprek genoemde € 5.000,00. Nu deze gesprekken plaatsvonden op 25 mei 2019, op welk moment al een aantal maanden hennep werd geteeld in het pand aan [adres] te Nijmegen, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de bedragen die in deze gesprekken worden genoemd voor het overgrote deel zien op het aandeel van [veroordeelde] in de opbrengst van die kwekerij en voor het overige op haar andere ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de criminele organisatie in deze maanden. Dat zij op deze wijze heeft meegedeeld in de opbrengst van de kwekerij past ook bij de substantiële rol die [veroordeelde] in die kwekerij heeft vervuld en bij het feit dat zij het (op het bij haar moeder in eigendom zijnde) pand voor de hennepteelt ter beschikking heeft gesteld.
De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat [veroordeelde] ook voor de vanaf 10 juli 2017 door haar verrichte ondersteunende werkzaamheden binnen de criminele organisatie een vergoeding ontving. Hoewel dit van haar verwacht had mogen worden, heeft zij over de hoogte van deze vergoeding niets verklaard (anders dan het voorgaande, waarin de rechtbank niet mee gaat). Bij gebreke van een zodanige verklaring, en bij gebreke van concrete aanwijzingen in het dossier voor de hoogte van die vergoeding, schat de rechtbank dat bedrag op € 10.000,00.
Dat betekent dat de rechtbank het voordeel dat [veroordeelde] ontving vanwege haar deelname aan de criminele organisatie schat op een totaalbedrag van € 37.000,00. De rechtbank zal het wederrechtelijk voordeel van [veroordeelde] vaststellen op dit bedrag.

4.De betalingsverplichting

4.1
De aftrek van de verbeurd verklaarde goederen
4.1.1
Vooraf
In het vonnis in de hoofdzaak is een geldbedrag van € 17.200,00 verbeurd verklaard.
4.1.2
De standpunten
4.1.2.1
Het standpunt van het openbaar ministerie
Omdat het vonnis van 12 mei 2025 nog niet onherroepelijk is, hoeft geen rekening te worden gehouden met de verbeurdverklaring van het onder veroordeelde in beslag genomen bedrag van € 17.200,00. Volgens vaste jurisprudentie moet sprake zijn van een onherroepelijke verbeurdverklaring voordat daarmee rekening kan worden gehouden bij de vaststelling van de hoogte van de betalingsverplichting.
Subsidiair geldt dat van het geldbedrag van € 17.200,00 niet aannemelijk is geworden dat dit geheel afkomstig is van een concrete oogst c.q. de hennepteelt in een van de panden in Silvolde, Nijmegen en Rotterdam. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet van een relatie met een van de kwekerijen in die panden en veroordeelde heeft hierover niets verklaard. Nu een directe relatie ontbreekt, raakt de verbeurdverklaring van het geldbedrag de betalingsverplichting van veroordeelde niet.
4.1.2.2
Het standpunt van de verdediging
Van het verbeurdverklaarde bedrag van € 17.200,00 moet een bedrag van € 5.200,00 in mindering worden gebracht op de betalingsverplichting van veroordeelde. Laatstgenoemd bedrag is uit de opbrengst van de kwekerij in Nijmegen aan veroordeelde betaald. Het restant is geld dat veroordeelde zelf heeft verdiend.
4.1.3
De beoordeling door de rechtbank
4.1.3.1
Het juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Wordt in zo’n geval ook de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd, dan dient, in verband met het reparatoire karakter van die maatregel, de waarde van het onder de veroordeelde inbeslaggenomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde voorwerp in mindering te worden gebracht op de aan de veroordeelde op te leggen betalingsverplichting (vgl. Hoge Raad
17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874). Ook als de hiervoor bedoelde verbeurdverklaring ten tijde van de uitspraak van de ontnemingsrechter nog niet onherroepelijk is, kan de ontnemingsrechter de waarde van de verbeurd verklaarde voorwerpen in mindering brengen op de aan de veroordeelde op te leggen betalingsverplichting. De ontnemingsrechter is daartoe echter niet verplicht. In het geval dat de rechter de waarde van de verbeurdverklaarde voorwerpen niet in mindering brengt omdat de verbeurdverklaring nog niet onherroepelijk is, kan de veroordeelde nadien – als de uitspraak waarin die verbeurdverklaring is uitgesproken, wel onherroepelijk is geworden – een verzoek doen als bedoeld in artikel 6:6:26 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Hoge Raad 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:808).
Het feit dat de vonnissen in de hoofdzaak niet onherroepelijk zijn, staat dus niet reeds in de weg aan het in mindering brengen van (de waarde van) de panden en het contante geldbedrag.
De rechtbank is van oordeel dat het aftrekken van (de waarde van) de verbeurdverklaarde goederen in de ontnemingsbeslissing, indien (zoals in het onderhavige geval) sprake is van een rechtstreeks verband tussen de verbeurdverklaarde goederen en het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, de meest geëigende weg is. Dit voorkomt dat een rechtbank mogelijk op een (veel) later moment nog een beslissing moet nemen in een geschil over de vraag of verbeurdverklaarde goederen voor aftrek in aanmerking komen.
4.1.3.2
Het voor aftrek in aanmerking komende geldbedrag
Tijdens de doorzoeking van het pand aan [adres] te Baarn op 23 juli 2019 is een geldbedrag van in totaal € 17.200,00 aangetroffen. Een geldbedrag van € 15.100,00 zat in een wit plastic bakje dat werd aangetroffen in een kastje boven de koelkast. Een tweede
geldbedrag van € 2.100,00 zat in een wit plastic bakje in de bovenste keukenla. [5]
[veroordeelde] heeft ter terechtzitting verklaard dat de € 17.200,00 in twee bakjes zat. In het ene bakje zat € 5.200,00 en in het andere bakje zat € 12.000,00. Het bakje met € 5.000,00 heeft ze van [medeveroordeelde 1] (de rechtbank begrijpt: [medeveroordeelde 1] ) gekregen en is afkomstig van [adres] (de rechtbank begrijpt: de opbrengst van de kwekerij aan [adres] ). Het andere bakje was haar eigen geld [6] , dat zij zelf had verdiend.
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat er bij [veroordeelde] twee bakjes met geld zijn aangetroffen. Het bakje met daarin het hoogste bedrag is het bakje waarvan [veroordeelde] zegt dat het haar eigen geld is. Het bakje met het laagste bedrag is het bakje met geld afkomstig uit [adres] . De verklaring van [veroordeelde] over de inhoud van die bakjes komt niet overeen met wat is beschreven in het proces-verbaal van de doorzoeking. De rechtbank zal uitgaan van de bevindingen zoals opgenomen in het proces-verbaal. Dat proces-verbaal is op ambtseed en kort na de doorzoeking opgemaakt.
Op basis van de verklaring van [veroordeelde] acht de rechtbank het aannemelijk dat het geldbedrag van € 2.100,00 rechtstreeks verband houdt met de (opbrengst van de) kwekerij aan [adres] te Nijmegen. De rechtbank zal dit bedrag daarom aftrekken van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit is anders voor het geldbedrag van € 15.100,00 dat is aangetroffen in het andere bakje. Uit de verklaring van [veroordeelde] blijkt dat er wat betreft dit geldbedrag geen sprake is van een rechtstreeks verband met de opbrengst van hennepteelt in de panden in Nijmegen, Silvolde en Rotterdam. Dat geldbedrag komt dus niet voor aftrek in aanmerking.
4.2
Redelijke termijn
4.2.1
De standpunten
4.2.1.1
Het standpunt van het openbaar ministerie
Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn hebben de officieren van justitie zich op het standpunt gesteld dat een korting van maximaal 20% op de betalingsverplichting redelijk is. Een halvering zou disproportioneel zijn, waarbij niet moet worden vergeten dat veroordeelde niet alleen jarenlang heeft genoten van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar ook nagenoeg gratis heeft gewoond, toeslagen heeft ontvangen en bovendien zijn inkomsten en daaruit voortvloeiende vermogen niet heeft opgegeven bij de belastingdienst.
4.2.1.2
Het standpunt van de verdediging
Op grond van de forse overschrijding van de redelijke termijn is een ruimere korting dan 20% mogelijk. Aanknopingspunten hiervoor zijn te vinden in (nader genoemde) jurisprudentie.
4.2.2
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de veroordeelde een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de ontnemingsvordering moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Op 23 juli 2019 hebben op verschillende locaties doorzoekingen plaatsgevonden, waarbij onder andere conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Stafvordering is gelegd op goederen. De rechtbank zal deze datum daarom aanmerken als aanvangsdatum van de redelijke termijn. Zoals ook in het vonnis in de hoofdzaak is overwogen, maakt de zaak van veroordeelde onderdeel uit van het onderzoek Babydraak. Dit is een zeer omvangrijk en complex onderzoek, waarin via vele rechtshulpverzoeken uit diverse landen informatie moest worden verkregen, en waarin, na ontvangst van het omvangrijke procesdossier door de verdediging van diverse verdachten onderzoekswensen zijn gedaan en ook gehonoreerd. De rechter-commissaris heeft de verzochte getuigen gehoord in de periode van 19 augustus 2020 tot en met 1 december 2020, deels via een videoverbinding met het buitenland. Net als in de hoofdzaak zal de rechtbank daarom uitgaan van een redelijke termijn van drie jaren, wat betekent dat sprake is van een forse overschrijding met meerdere jaren, die op geen enkele wijze aan veroordeelde valt toe te rekenen. Zowel het Openbaar Ministerie als de rechtbank hebben onvoldoende voortvarendheid betracht.
In de hoofdzaak is veroordeelde gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn, in die zin dat aan haar in plaats van een gevangenisstraf van 12 maanden een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest van 233 dagen is opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat als de uitspraken in de hoofdzaak en de ontnemingszaak gelijktijdig hadden plaatsgevonden veroordeelde met die strafvermindering ook in de ontnemingszaak voldoende zou zijn gecompenseerd. De uitspraak in de ontnemingszaak is echter ruim 9 maanden later dan de uitspraak in de hoofdzaak. De rechtbank ziet daarin aanleiding het bedrag waarop de betalingsverplichting ziet te matigen en zoekt aansluiting bij de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten in zijn overzichtsarrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) ingeval sprake is van een termijnoverschrijding tussen de 6 en 12 maanden. Die uitgangspunten houden in dat het ontnemingsbedrag met 10% wordt verminderd, maar dat die vermindering in beginsel niet meer bedraagt dan € 5.000,00. Gelet hierop zal de rechtbank het bedrag dat veroordeelde moet betalen matigen met € 3.700,00 (10% van € 37.000,00). Zij ziet geen reden voor een verdergaande matiging.
4.2.3
Draagkracht
De verdediging heeft geen draagkrachtverweer gevoerd.
4.3
Conclusie betalingsverplichting
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting voor veroordeelde vast op een bedrag van
€ 31.200,00(€ 37.000,00 - € 2.100,00 - € 3.700,00). De rechtbank zal veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

5.Gijzeling

Volgens de LOVS-oriëntatiepunten dient de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd, te worden bepaald op € 100,00 per dag met een maximum van 1080 dagen. De rechtbank ziet geen reden hiervan af te wijken. De rechtbank zal de duur van de gijzeling daarom bepalen op 312 dagen.

6.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 37.000,00;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 31.200,00;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering op
312 dagen.
Aldus gegeven door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. R.P.W. van de Meerakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 maart 2016.
Mr. Van Hoof is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, districtsrecherche Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal,
2.Tapgesprek, sessie 8924, pag. A1710.
3.Tapgesprek, sessie 8910, pag. A1711.
4.Tapgesprek, sessie 7599, pag. A1712.
5.Proces-verbaal van doorzoeking, pag. A1270-A1271.
6.Verklaring van [veroordeelde] ter terechtzitting van 20 januari 2026.