ECLI:NL:RBGEL:2026:16

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
ARN 23/7211
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid met schadevergoeding voor termijnoverschrijding

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 7 januari 2026, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een WIA-uitkering behandeld. Eiser, die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het UWV om zijn aanvraag af te wijzen. De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft besloten, maar kent eiser wel een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eiser op 25 januari 2023 is afgewezen en dat de bezwaar- en beroepsfase samen meer dan twee jaar hebben geduurd, wat leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn met tien maanden. Eiser ontvangt een schadevergoeding van € 1.000, waarvan € 900 ten laste komt van de Staat en € 100 van het UWV. De rechtbank concludeert dat de medische belastbaarheid van eiser op de datum in geding overtuigend is gemotiveerd en dat er geen aanleiding is om een onafhankelijk deskundige te benoemen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding toe.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/7211

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: E. van den Brink).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid),hierna: de Staat.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag van eiser voor een WIA-uitkering terecht heeft afgewezen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Aan eiser wordt wel schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van zijn zaak. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 25 januari 2023 afgewezen, omdat eiser per 3 november 2022 (datum in geding) minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
2.3.
Naar aanleiding van het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt.
2.4.
De Staat heeft afgezien van het voeren van verweer. [1]
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting gelijktijdig behandeld met zaaknummer ARN 23/7213. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
2.6.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken na verzending van de schorsingsbeslissing de rechtbank de rapporten toe te doen komen op grond waarvan aan eiser met ingang van 3 november 2023 (alsnog) een WIA-uitkering is toegekend op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, vergezeld van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzake de vraag of de uitkomst in die latere procedure ook relevant is voor de uitkomst in deze zaak. Eiser is hierna in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na ontvangst van de reactie van het UWV hier weer op te reageren. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat partijen in hun reacties aan dienen te geven of zij gebruik willen maken van hun recht om op een (nadere) zitting te worden gehoord.
2.7.
Het UWV heeft op 17 september 2025 gereageerd met een brief, met bijvoeging van de gevraagde stukken en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep L.P. Burgers van 17 september 2025. Het UWV heeft niet laten weten of het op een (nadere) zitting wil worden gehoord. Op 3 november 2025 heeft eiser hierop weer gereageerd. Eiser heeft ook niet laten weten of hij op een (nadere) zitting wil worden gehoord.
2.8.
Met inachtneming van artikel 8:64, vijfde lid, en artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank vervolgens het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is vanaf 1 oktober 2020 werkzaam geweest als monteur/dakdekker bij Zwanepol Installatietechniek B.V. voor gemiddeld 38,16 uur per week. Op 5 november 2020 heeft eiser zich ziekgemeld als gevolg van fysieke beperkingen.
3.1.
Eiser heeft een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Het UWV is hierna overgegaan tot de besluitvorming als vermeld onder het kopje “Procesverloop”. Hieraan liggen de rapporten van de verzekeringsarts F.H. van Lent van 29 november 2022 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep (va b&b) L.P. Burgers van 6 september 2023 en 4 oktober 2023 ten grondslag. De belastbaarheid van eiser is vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 september 2023.
3.2.
Het UWV overweegt in het bestreden besluit dat de va b&b meer beperkingen in de FML heeft aangenomen dan de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft drie van de vijf (door de arbeidsdeskundige geduide) functies laten vervallen. Er zijn wel andere functies beschikbaar waarmee de theoretische verdiencapaciteit vastgesteld kan worden. De mate van arbeidsongeschiktheid is nu vastgesteld op 26,39% en blijft minder dan 35%. Het primaire besluit wijzigt daarom niet.
Beperkingen
4. Volgens eiser overschat de va b&b zijn mogelijkheden. Het handelingstempo is vertraagd door chronische pijn en zijn beperkte coping kwaliteiten (rubriek I: persoonlijk functioneren). Autorijden op professioneel niveau is niet toegestaan als gevolg van medicatie (oxycodon), er is sprake van verminderde tastzin en uitval van handen en voeten (rubriek II: sociaal functioneren). Door koude en tocht zullen de klachten en beperkingen van eiser toenemen (rubriek III: fysieke omgevingseisen). Hand- en vingergebruik is beperkt, eiser laat dingen vallen en heeft moeite met repetities en fijne motoriek alsook het vasthouden van kracht; werken met toetsenbord en muis is beperkt door nekklachten en uitval van en tintelingen in de handen; de tastzin is verminderd; de schroefbeweging is beperkt door krachtverlies; buigen is meer beperkt dan aangenomen; tillen en dragen zijn meer beperkt dan aangenomen; er is sprake van uitval of verminderde grip van de handen waardoor klimmen op een huishoudtrap niet verantwoord is (rubriek IV dynamische handelingen). Eiser kan minder dan een half uur staan en tijdens de dag niet meer dan een uur; boven schouderhoogte werken is beperkt; het hoofd in een bepaalde stand houden is slechts een enkele minuut mogelijk en dient het liefst voorkomen te worden; afwisselen van houding is om de maximaal 30 minuten nodig (rubriek V statische houdingen). Ook dient een urenbeperking aangenomen te worden vanwege de chronische pijn waardoor eiser onvoldoende slaap krijgt, de toename van pijn en uitvalsverschijnselen bij en na activiteiten, het hieruit voortkomende energietekort, medicatiegebruik en zijn mentale toestand (rubriek VI werktijden).
Ter onderbouwing verwijst eiser naar de deskundigenrapporten van de arts A. Bernaert van 20 september 2023 (in bezwaar) en 29 augustus 2025 (in beroep). Hiernaast heeft eiser in beroep verschillende medische stukken bijgevoegd: een brief van 20 juni 2024 van Vogellanden, brieven van 21 oktober 2024, 6 maart 2025 en 4 april 2025 van de afdeling neurochirurgie van Isala en een uitdraai van de apotheek inzake medicatie van 27 augustus 2025. Eiser verzoekt de rechtbank om een onafhankelijk deskundige te benoemen.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de medische belastbaarheid van eiser op de datum in geding in de rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Het beroep van eiser geeft geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen.
4.1.1.
Uit het rapport van de verzekeringsarts Lent van 29 november 2022 blijkt dat hij het dossier heeft bestudeerd en informatie van de behandelend sector heeft betrokken. [2] Hiernaast heeft hij eiser psychisch en lichamelijk onderzocht tijdens een spreekuurcontact op 29 november 2022. Hij stelt als diagnoses: lumbago met ischialgie, coxartrose, knieklachten, hoofdpijn en een somatoforme pijnstoornis. [3]
Lent acht eiser in enige mate beperkt voor rugbelastende werkzaamheden, maar de ernst van de door eiser ervaren belemmeringen is niet volledig consistent met de objectiveerbare afwijkingen. Eiser is tijdens het spreekuur in staat om zonder opvallend ongemak circa een uur te zitten. Gezien de oefeningen met twintig kilogram die hij dagelijks uitvoert, kan hij behoorlijk tillen en dragen. Schoenen uit- en aantrekken gaat zonder wezenlijk ongemak op een krukje in de onderzoekskamer, waarbij de rug meer buigt dan wanneer gevraagd voorover te buigen.
Gegeven de matige coxartrose is de door eiser ervaren ernstig invaliderende pijn volgens Lent niet volledig plausibel. Voorts geeft eiser aan dat er sprake is van hoofdpijn die belemmeringen geeft op het gebied van zien, waarbij hij zich goed moet focussen en dan pas kan lezen. Anderzijds heeft hij ook klachten in verband met dyslexie, maar neuroloog, oogarts en KNO-arts hebben voor de ervaren belemmeringen geen verklaring, zodat ook die als niet volledig plausibel worden gezien.
Lent ziet daarom aanleiding om eiser in enige mate te beperken op basis van degeneratieve afwijkingen, maar de ernst van de ervaren pijn en het chronisch oxycodon gebruik doen ook een somatoforme stoornis vermoeden. Daarbij vormen persoonsgebonden factoren en coping vaak een belangrijke oorzakelijk en in stand houdende rol, maar dit betreffen geen medische oorzaken waar beperkingen voor kunnen worden aangenomen. De belastbaarheid van eiser is door Lent vastgelegd in de FML van 29 november 2022.
4.1.2.
Uit de rapporten van de va b&b Burgers van 6 september 2023 en 4 oktober 2023 blijkt dat hij het dossier heeft bestudeerd [4] , medische informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector [5] en de door eiser ingebrachte stukken heeft betrokken. [6] Hiernaast heeft hij eiser na de hoorzitting op 11 augustus 2023 lichamelijk en psychisch onderzocht.
Burgers overweegt dat de (sterkte van de) door Lent aangenomen beperking voor zitten tijdens het werk medisch niet navolgbaar is, gezien de aandoeningen van eiser aan de wervelkolom, heupgewrichten en kniegewrichten. Wel ziet Burgers aanleiding om op andere beoordelingspunten nadere beperkingen aan te nemen. Uit het fysiek onderzoek in bezwaar en de opgevraagde informatie komt naar voren dat eiser gezien de beschreven aandoeningen aan de lumbale wervelkolom, de kniegewrichten en de artrose van de heupgewrichten ook beperkt is voor het dragen van zware persoonlijke beschermingsmiddelen. Het torderen in beide richtingen dient niet in de uiterste standen plaats te vinden. Het lopen (op oneffen ondergrond), lopen tijdens het werk, het traplopen, knielen of hurken, staan en staan tijdens het werk zijn ook beperkt. De afwijkingen aan de cervicale wervelkolom maken dat eiser beperkt is ten aanzien van blootstelling aan grove trillingen, schokken en stoten via handgereedschap/-machines, het maken van hoofdbewegingen (waarbij eiser zijn nek niet in de uiterste standen dient te bewegen), het maken van snelle nekbewegingen en het boven schouderhoogte actief zijn. Burgers ziet geen medische reden om nog verdergaande beperkingen aan te nemen. Hij heeft de beperkingen van eiser vastgelegd in de FML van 6 september 2023.
4.2.
De rechtbank acht de rapporten van Bernaert onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de rapporten van de verzekeringsartsen. Bernaert heeft op geen enkele wijze, medisch beredeneerd, onderbouwd waarom hij vindt dat de aandoeningen van eiser maken dat hij meer beperkt geacht moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen voldoende gemotiveerd hoe en waarom zij tot hun beperkingen zijn gekomen. Hun overwegingen komen overeen met de bevindingen van de behandelaren van eiser, ook als het gaat om het chronisch pijnsyndroom. De rechtbank wil daarbij benadrukken dat zij de pijnklachten van eiser geenszins wil bagatelliseren. De door hem ervaren ernstig invaliderende pijn is echter medisch gezien niet volledig objectiveerbaar. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen voor zijn aandoeningen en klachten die wel medisch objectiveerbaar zijn, voldoende beperkingen aangenomen. De door eiser in beroep ingediende stukken leiden ten slotte niet tot een ander oordeel, aangezien zij niet zien op de datum in geding.
4.3.
Ook de rapporten op grond waarvan aan eiser met ingang van 3 november 2023 (alsnog) een WIA-uitkering is toegekend op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, leiden niet tot een ander oordeel. Uit deze rapporten blijkt namelijk dat eiser uitsluitend volledig arbeidsongeschikt is geacht, omdat hij van 21 maart 2024 tot 27 juni 2024 een behandel-/revalidatietraject is ingegaan waardoor hij minder beschikbaar is. Dit heeft dus niets te maken met een andere inschatting van de medische situatie van eiser op de datum in geding.
4.4.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de medische belastbaarheid van eiser op de datum in geding in de rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Eiser moet op de datum in geding daarom in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van 6 september 2023. Om die reden ziet de rechtbank ook geen aanleiding tot het benoemen van een onafhankelijk deskundige, zoals eiser heeft verzocht.
Functies
5. Volgens eiser zijn de geduide functies niet geschikt. Hij kan zich bij de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en wikkelaar (nieuw en revisie) (sbc-code 267053) van alles voorstellen, maar niet aangaande de belasting. De functies van productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) en textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (sbc-code 111160) zijn ongeschikt, omdat er tenten of bankbekleding aan elkaar genaaid moeten worden voor 80% van de tijd. Dit is fysiek een te zware belasting van de wervelkolom. Ook is er sprake van te veel staand werk, bukken en buigen.
5.1.
Het arbeidsdeskundig onderzoek van het UWV is vastgelegd in de rapporten van arbeidsdeskundige K.D. Dijkstra van 24 januari 2023 en van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep J. Langius van 7 september 2023 en 5 oktober 2023. Het UWV acht eiser in staat tot het verrichten van de volgende functies: wikkelaar (nieuw en revisie) (sbc-code 267053), productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) en textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (sbc-code 111160). Hiernaast zijn twee extra functies geduid: administratief medewerker (document scannen) (sbc-code 315133) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180).
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV in de arbeidsdeskundige rapporten van 7 september 2023 en 5 oktober 2023 van Langius voldoende gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de vastgestelde medische belastbaarheid van eiser niet overschrijdt. Nu eiser daar verder niets tegenover heeft gesteld, heeft de rechtbank geen reden om aan de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te twijfelen.
Schadevergoeding redelijke termijn
6. Eiser verzoekt de rechtbank om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor ieder half jaar heeft hij recht op een schadevergoeding van € 500 voor zover de procedure langer dan de redelijke termijn heeft geduurd.
7. Met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad (HR) van 19 februari 2016 [7] is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. De bezwaar- en de beroepsfase samen hebben meer dan twee jaar geduurd. De redelijke termijn is met tien maanden overschreden. Het UWV heeft de WIA-aanvraag met het besluit van 25 januari 2023 afgewezen. Eiser heeft op 3 maart 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het UWV heeft de termijn van een half jaar, waar binnen op het bezwaarschrift moet worden beslist, dus met ongeveer één maand overschreden. Op 3 november 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Gezien de termijnoverschrijding in de bezwaarfase van één maand ziet de rechtbank aanleiding om de resterende overschrijding van negen maanden toe te rekenen aan de beroepsfase. Als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De door eiser geleden immateriële schade wordt daarom vastgesteld op een bedrag van
€ 1.000, welk bedrag voor 1/10e deel (€ 100) ten laste komt van het UWV en voor 9/10e deel (€ 900) ten laste van de Staat.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV de aanvraag van eiser voor een WIA-uitkering terecht heeft afgewezen, omdat hij op de datum in geding minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Er bestaat geen aanleiding te bepalen dat de Staat eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden. Eiser heeft een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend. Op dit verzoek is de op 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 van de Awb van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 8:94, tweede lid, van de Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb, zoals hier aan de orde, geen griffierecht verschuldigd. Wel bestaat er aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade, wegingsfactor 0,5 (licht)) met een waarde van € 934 per punt).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467 en tot betaling aan eiser van een vergoeding van een deel van de geleden schade tot een bedrag van € 900.
- veroordeelt het UWV tot betaling aan eiser van een vergoeding van geleden schade tot een bedrag van € 100.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 20210.
2.Informatie van de bedrijfsarts, brief van 1 maart 2021 van de neurochirurg, brief van 26 augustus 2021 van de neuroloog, brief van 24 september 2021 van de neuroloog, brief van 15 december 2021 van de neuroloog, brief met verwijsdatum 17 juni 2022, brief van 29 september 2022 van de orthopeed.
3.Bij een somatisch-symptoomstoornis is er sprake van lichamelijke (somatische) klachten die je leven langdurig op aanzienlijke wijze verstoren, maar waarvoor geen lichamelijke of medische oorzaak is gevonden. Deze klachten kunnen specifiek (gelokaliseerde pijn) of minder specifiek zijn (vermoeidheid).
4.Re-integratiegegevens van de bedrijfsarts, brief van de huisarts van 31 augustus 2021, informatie van de huisartsen met journaalregels en specialistische bijlagen (ontvangen op 20 januari 2023), brieven van de neurochirurg van 12 februari 2020, 1 maart 2021, 12 april 2021 en 19 april 2021, brieven van de neuroloog van 12 april 2021, 14 juli 2021, 26 augustus 2021, 24 september 2021, 24 november 2021 en 15 december 2021, brieven van de orthopeed van 28 juni 2022, 29 september 2022 en 1 februari 2023.
5.MRI-LWK op 11 mei 2023, X-CWK AP en lateraal op 13 juni 2023, brief van 18 augustus 2023 van de anesthesioloog/pijnarts, brief van 24 augustus 2023 van de huisarts.
6.Formulier aanvraag TENS-behandeling, brieven van 25 mei 2023 en 19 juni 2023 van de neuroloog, medicatielijst van 8 augustus 2023 en het deskundigenrapport van 20 september 2023 van Bernaert.