Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
2.De feiten
B. ONTERVING
Rechtbank Gelderland
Op 13 februari 2024 overleed de erflater, die zijn dochter onterfde en zijn echtgenote tot enig erfgenaam en executeur benoemde. Eiser, de dochter, vorderde de vaststelling en betaling van haar legitieme portie. De rechtbank behandelde geschillen over de waardering van diverse nalatenschapsbestanddelen zoals een auto, caravan, inboedel, schulden en uitvaartkosten.
De rechtbank stelde de waarde van de auto vast op €25.000, de caravan op €1.200 en de inboedel op €3.850. Schulden zoals een creditcardschuld van €605,37 en een belastingaanslag van €161 werden erkend. De uitvaartkosten werden vastgesteld op €2.340,10. Op basis hiervan bedroeg de legitieme portie van eiser €47.152,42.
De rechtbank oordeelde dat de legitieme portie nog niet opeisbaar is, omdat het testament bepaalt dat de opeisbaarheid wordt uitgesteld tot na het overlijden van de langstlevende echtgenoot, die nog in leven is. De vordering tot betaling werd daarom afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De legitieme portie van eiser wordt vastgesteld op €47.152,42 maar is nog niet opeisbaar volgens testamentaire bepalingen.