ECLI:NL:RBGEL:2026:1459

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
C/05/365390 / HZ ZA 20-53
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40a OwArt. 40 OwArt. 40b lid 1 OwArt. 40b lid 2 OwArt. 41 Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling schadeloosstelling bij onteigening grond voor aanleg ViA15-project

De Staat der Nederlanden heeft een deel van een perceel van de gedaagde onteigend voor de aanleg van een nieuwe weg in het kader van het ViA15-project. De rechtbank stelt de hoogte van de schadeloosstelling vast op basis van een lagere pachtdruk dan deskundigen hadden aangenomen, namelijk 10% in plaats van 40%.

De waarde van het onteigende perceel wordt vastgesteld op €274.608,00, de waardevermindering van het overblijvende op €26.789,75 en bijkomende schade op €5.500,00, tezamen €306.897,75. De Staat wordt veroordeeld het restant van de schadeloosstelling te betalen, vermeerderd met rente. De rechtbank wijst ook de kosten van juridische en overige deskundige bijstand toe, met matiging van enkele posten.

De gedaagde vordert vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtbank wijst dit af omdat deze schade onvoldoende verband houdt met de onteigening en een aparte procedure vereist is. De Staat wordt tevens veroordeeld om de overblijvende percelen te ontsluiten en zorg te dragen voor passende afwatering. Tot slot wordt een nieuwsblad aangewezen voor publicatie van het vonnis.

Uitkomst: De rechtbank stelt de schadeloosstelling vast op €306.897,75 met rente en wijst bijkomende schade en kosten toe, maar wijst immateriële schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/365985 / HZ ZA 20-69
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat),
te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. R.C.K. van Andel,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. C.F. van Helvoirt.

1.De zaak in het kort

De Staat heeft een gedeelte van een perceel van [gedaagde] onteigend voor de aanleg van een nieuwe weg in onder meer de gemeente [gemeentenaam] (project ViA15). In dit vonnis stelt de rechtbank de hoogte van de schadeloosstelling vast en ook de kosten die de Staat aan [gedaagde] moet vergoeden. De schadeloosstelling valt hoger uit dan door de deskundigen was begroot. De Staat hoeft geen vergoeding te betalen voor immateriële schade die [gedaagde] stelt te hebben geleden door de lange duur van de procedure.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juni 2025
- de brief van mr. Van Andel namens de Staat van 29 oktober 2025 met daarbij productie 1
- het verkort proces-verbaal van het pleidooi van 11 november 2025
- de akte (opgaaf kosten rechtskundige en deskundige bijstand ex artikel 50 Ow Pro) van [gedaagde] van 26 november 2025
- de akte van de Staat van 10 december 2025.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De verdere beoordeling

3.1.
Bij tussenvonnis van 11 december 2024 heeft de rechtbank, ten name van de Staat en ten algemenen nutte, de onteigening uitgesproken van (grondplannummer 192.10) een gedeelte ter grootte van 30.512 m² van het aan [gedaagde] toebehorende perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie I, nr. 246, totaal groot 38.755 m², kadastraal omschreven als “Terrein (akkerbouw)”.
3.2.
De rechtbank moet nu de hoogte van de aan [gedaagde] toekomende schadeloosstelling vaststellen. Peildatum is 28 januari 2025, de dag waarop het vonnis van 11 december 2024 in de openbare registers is ingeschreven (artikel 40a Onteigeningswet (Ow)).
3.3.
De deskundigen hebben de aan [gedaagde] te betalen schadeloosstelling in hun rapport van 30 april 2025 als volgt begroot:
Waarde (in verpachte staat) € 204.430,40
Waardevermindering overblijvende € 7.830,85
Bijkomende schade € 5.500,00
Schade van derde-belanghebbenden
€ 0,00
Totaal € 217.761,25
3.4.
Partijen hebben bij pleidooi gereageerd op het definitieve deskundigenrapport. De rechtbank zal hierna ingaan op wat partijen hebben aangevoerd, voor zover voor de beoordeling van belang.
De omvang van het onteigende
3.5.
Tijdens het pleidooi heeft [gedaagde] aangevoerd dat het onteigende perceelsdeel volgens de kadastrale gegevens 6 m² groter is dan wat in het onteigeningsvonnis is uitgesproken. Volgens [gedaagde] heeft de Staat dus 6 m² te veel onteigend. De rechtbank gaat er echter – met de deskundigen – van uit dat op dit moment sprake is van voorlopige kadastrale grenzen, die nog definitief in de administratie van het Kadaster moeten worden verwerkt. Uiteraard kan niet méér worden onteigend dan in het onteigeningsvonnis staat vermeld. Uitgangspunt is dus het hierboven in 3.1 vermelde perceelsdeel ter grootte van 30.512 m². Mocht bij de definitieve vaststelling van de kadastrale grenzen blijken dat het onteigende perceelsdeel toch 6 m² groter is dan vermeld in het onteigeningsvonnis, dan zal de Staat daarvoor aan [gedaagde] de hierna te bepalen prijs per m² moeten betalen, te vermeerderen met rente. De rechtbank zal dit vastleggen onder de beslissing.
Uitgangspunten bij de waardering
3.6.
De schadeloosstelling is een volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn zaak (artikel 40 Ow Pro). Schadecomponenten kunnen zijn de waarde van het onteigende, de waardevermindering van het overblijvende en bijkomende schade.
De waarde van het onteigende
3.7.
Uitgangspunt is dat de werkelijke waarde moet worden vergoed. Dit is de prijs die tot stand zou komen bij een vrijwillige verkoop op commerciële basis, waarbij wordt verondersteld dat koper en verkoper optreden als redelijk handelende partijen (artikel 40b lid 1 en 2 Ow). De onteigening mag voor de onteigende partij in financieel opzicht geen nadeel en geen voordeel meebrengen.
3.8.
Bij het bepalen van de hiervoor bedoelde koopprijs is uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de exploitatie die het geldende bestemmingsplan op het onteigende toelaat. Ook moet rekening worden gehouden met op het moment van de onteigening bestaande, voldoende reële, verwachtingen over een wijziging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, de zogenoemde verwachtingswaarde.
3.9.
De onteigening heeft plaatsgevonden ter uitvoering van het Tracébesluit A12/A15 Ressen-Oudbroeken (Tracébesluit ViA15-2017) en het Tracébesluit A12/A15 Ressen-Oudbroeken (Tracébesluit ViA15-2019). Deze Tracébesluiten voorzien in de wijziging en doortrekking van de Rijksweg A15, de aanleg van een nieuw knooppunt in de aansluiting van de Rijksweg A15 met de Rijksweg A12 (knooppunt Oudbroeken), de wijziging van de Rijksweg A12, de aanpassing van de aansluitingen Elst, Bemmel en Duiven/Zevenaar en de aanleg van nieuwe aansluitingen Duiven en Zevenaar-Oost (project ViA15).
3.10.
De deskundigen hebben uiteengezet dat zij bij hun waardering rekening hebben gehouden met het feit dat het onteigende sinds 9 september 2005, en ook nog op de peildatum 28 januari 2025, regulier is verpacht aan de heer [pachter] (hierna: [pachter] ). In het vrije commerciële verkeer, de onteigening weggedacht, zal een koper immers niet bereid zijn een koopsom voor het perceel te betalen als ware het niet verpacht, terwijl dat in werkelijkheid wel het geval is en de pachter zich verzet tegen de beëindiging van de pacht. De omstandigheid dat de Staat met [pachter] overeenstemming heeft bereikt over de beëindiging van de pacht, kan volgens de deskundigen niet meewegen bij de waardering van het onteigende. Zij zijn uitgegaan van een pachtdruk van 40%.
3.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is een lagere pachtdruk op zijn plaats. Enerzijds is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen dat het in de lijn der verwachting lag dat de pachtrelatie met [pachter] binnen afzienbare tijd zou eindigen. Zo heeft [gedaagde] aangevoerd dat er een pachtbeëindigingsprocedure liep. Bovendien heeft [pachter] zijn melkveebedrijf gestaakt en houdt hij zich nog uitsluitend bezig met het op kleine schaal opfokken van jongvee voor derden. Verder gebruikt [pachter] zijn bedrijfsgebouwen voor het overgrote deel niet zelf, maar worden die verhuurd aan een potplantenkweker. [pachter] heeft zijn fosfaatrechten verkocht. Van een economisch levensvatbaar bedrijf is geen sprake meer. Ook is [pachter] bijna pensioengerechtigd, heeft hij geen bedrijfsopvolging en is zijn gezondheid slecht, aldus [gedaagde] . Ten slotte blijkt volgens [gedaagde] ook uit de afspraak tussen de Staat en [pachter] over de beëindiging van de pacht ten aanzien van het gehele perceel dat [pachter] aan het afbouwen is als landbouwer en dat hij genoegen heeft genomen met het inkrimpen van zijn toch al beperkte landbouwareaal. Tegenover deze feiten en omstandigheden – die de Staat op zichzelf niet heeft weersproken – staat dat in het verleden meerdere pogingen zijn gedaan om de pachtrelatie te beëindigen, maar zonder succes. Op de peildatum kon er dus niet zonder meer van worden uitgegaan dat de pachtovereenkomst binnen afzienbare tijd daadwerkelijk tot een einde zou komen. Eén en ander tegen elkaar afwegend gaat de rechtbank daarom in dit geval uit van een pachtdruk van 10%.
3.12.
De deskundigen hebben de onteigende grond in vrije en onverpachte staat gewaardeerd op een bedrag van € 10,00 per m². Zij hebben in hun rapport gemotiveerd uiteengezet dat deze waardering is gebaseerd op – deels door partijen ingebrachte – referentietransacties, waarbij enkele transacties het meest relevant voor de waardering zijn bevonden.
3.13.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze gemotiveerde waardering van de deskundigen te twijfelen en sluit zich daarbij aan. De deskundigen hebben bij hun waardering terecht een transactie van 6 februari 2025, waarop [gedaagde] hen had gewezen, buiten beschouwing gelaten. De inschrijving voor die verkoop eindigde immers op 27 maart 2025, dus ruim na de peildatum. [gedaagde] heeft tijdens het pleidooi aangevoerd dat referentietransacties van na de peildatum wel degelijk relevant zijn voor het bepalen van de schadeloosstelling. Volgens [gedaagde] geven referentietransacties die rond de peildatum hebben plaatsgevonden een trend weer in de marktonwikkelingen en de werkelijke waarde op de peildatum. Uitgangspunt is echter dat bij de waardering alleen referentietransacties van voor de peildatum in aanmerking worden genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. De transactie van 6 februari 2025 moet dus buiten beschouwing blijven. Dat geldt ook voor de door [gedaagde] genoemde transactie met betrekking tot de aankoop door K3 Industriezand B.V. van een perceel cultuurgrond in Duiven. De deskundigen hebben gemotiveerd aangegeven dat zij deze transactie buiten beschouwing hebben gelaten in hun waardering, omdat deze betrekking heeft op de verwerving van cultuurgronden als eventuele compensatiegrond ten behoeve van verwerving van andere percelen waarop zandwinning kan plaatsvinden. In dat kader worden hogere dan agrarische prijzen betaald. Volgens de deskundigen betreft het dus een incidentele transactie die niet de reguliere markt vertegenwoordigt. De rechtbank volgt de deskundigen op dit punt.
3.14.
Uitgaande van een waarde van de onteigende grond in vrije en onverpachte staat van € 10,00 per m² en een pachtdruk van 10% moet de onteigende grond in verpachte staat worden gewaardeerd op € 9,00 per m². Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de totale waarde van het onteigende vast op een bedrag van
€ 274.608,00(30.512 m² × € 9,00).
De waardevermindering van het overblijvende
3.15.
Op grond van artikel 41 Ow Pro komt de mindere waarde van het overblijvende, voor zover een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening, voor vergoeding in aanmerking.
3.16.
De deskundigen hebben in hun rapport uiteengezet dat sprake zal zijn van een beperkte waardevermindering van het overblijvende. Zij hebben de waarde van de overblijvende perceelsgedeelten in vrije en onverpachte staat begroot op € 5,75 per m².
3.17.
In reactie op het conceptrapport heeft [gedaagde] betoogd – en hij heeft tijdens het pleidooi herhaald – dat dit bedrag veel te hoog is, ten eerste vanwege de ongunstige vorm van de perceelsgedeelten voor landbouwkundig gebruik en ten tweede omdat als gevolg van de onteigening niet langer sprake is van een ontsluiting. De Staat heeft echter bij brief van mr. Van Andel van 12 februari 2025 bevestigd dat bijkomend wordt aangeboden dat beide overblijvende perceelsgedeelten vanaf de openbare weg voor landbouwverkeer bereikbaar zullen blijven. De deskundigen hebben in hun definitieve rapport in verband met dit bijkomend aanbod van de Staat geen aanleiding gezien hun waardering naar beneden bij te stellen. In het licht hiervan kan [gedaagde] niet langer volhouden dat de deskundigen het overblijvende te hoog hebben gewaardeerd door geen rekening te houden met het ontbreken van een ontsluiting. De rechtbank ziet ook overigens geen reden te twijfelen aan de juistheid van de gemotiveerde waardering door de deskundigen en sluit zich hierbij aan.
3.18.
Tijdens het pleidooi heeft de Staat het bijkomend aanbod om de twee overblijvende perceelsgedeelten te ontsluiten herhaald. De rechtbank zal hierna bepalen dat de Staat dit bijkomend aanbod gestand zal doen.
3.19.
Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de schade in de vorm van waardevermindering van het overblijvende als volgt vast:
Waarde van het perceel vóór onteigening (38.755 m² × € 9,00) € 348.795,00
Waarde van de overblijvende perceelsgedeelten (8.243 m² × € 5,75)
€ 47.397,25
Verschil: € 301.397,75
Af: waarde van het onteigende
€ 274.608,00
Te vergoeden waardevermindering van het overblijvende
€ 26.789,75
Bijkomende schade
3.20.
De deskundigen hebben in hun rapport uiteengezet dat wegens bijkomende schade een bedrag van € 5.500,00 voor vergoeding in aanmerking komt. Het gaat om kosten die [gedaagde] zal moeten maken om de overblijvende perceelsgedeelten te voorzien van toegangshekken en afrasteringen van de overblijvende percelen weiland. De deskundigen begroten de kosten daarvan op € 5.500,00.
3.21.
De Staat kan zich in deze schadebegroting vinden. De rechtbank sluit zich daarbij aan.
3.22.
Dat [gedaagde] door de onteigening overige bijkomende schade heeft geleden, is niet gebleken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
3.23.
Voor zover [gedaagde] aanspraak maakt op vergoeding van kosten voor het aanleggen van inritten en kosten voor ontsluitingswegen geldt dat de Staat het bijkomend aanbod heeft gedaan dat de percelen vanaf de openbare weg bereikbaar zullen blijven. Tijdens het pleidooi heeft de Staat gewezen op de afspraak die Rijkswaterstaat hierover met de aannemer (GelreGroen) heeft gemaakt en die in de pleitnota van de Staat als volgt wordt geciteerd:

De Opdrachtnemer dient de bereikbaarheid en afwatering van de overblijvende percelen, na goedkeuring van het waterschap en de gemeente, af te stemmen met direct aangrenzende belanghebbenden. Uitgangspunt hierbij is dat opdrachtnemer zorgdraagt voor een ontsluiting van beide percelen op onderliggend wegennet en een afwatering in de eindsituatie. De Opdrachtnemer dient, daar waar de bereikbaarheid of afwatering van direct aangrenzende belanghebbenden tijdens de uitvoering wordt beïnvloed, dit voorafgaand aan de uitvoering van de Werkzaamheden te melden aan de Opdrachtgever en de Werkzaamheden af te stemmen met de betreffende belanghebbenden.
De rechtbank herhaalt dat zij de Staat ertoe zal veroordelen het bijkomend aanbod gestand te doen. Op dit punt is dus geen sprake van schade van [gedaagde] die voor vergoeding in aanmerking komt.
3.24.
Verder heeft [gedaagde] betoogd dat als gevolg van de aanleg van het werk problemen met de waterhuishouding zijn te verwachten en dat hiervoor aanpassingskosten moeten worden gemaakt. De deskundigen hebben hun advies hierover aangehouden, omdat de Staat niet de toegezegde informatie heeft verschaft over de vraag hoe de afwatering van de Rijksweg is geregeld en wordt voorkomen dat het overblijvende daarvan overlast ondervindt. Tijdens het pleidooi heeft de Staat aangevoerd dat uitgangspunt bij het Tracébesluit is dat de afwatering wordt geborgd in afstemming met de belanghebbenden. Ook op dit punt heeft de Staat verwezen naar het hiervoor in 3.23 weergegeven citaat. De Staat heeft verder aangevoerd dat GelreGroen in overleg is met de gemeente en het waterschap over de afwatering in de eindsituatie. Ten aanzien van het overblijvende met grondplannummer 192.07 vindt afwatering nu plaats via een sloot langs de perceelsgrens loodrecht op de N810. Deze sloot blijft ongewijzigd. Ten aanzien van het overblijvende met grondplannummer 192.11 voorziet het werk in waterberging tussen het overblijvende en het nieuwe deel van de rijksweg. GelreGroen onderzoekt op welke wijze eventueel noodzakelijke afwatering van het perceel kan worden gerealiseerd. De rechtbank begrijpt het betoog van de Staat zo, dat de Staat bijkomend aanbiedt dat voor een passende afwatering van het perceel wordt zorggedragen. De rechtbank zal de Staat ertoe veroordelen dit bijkomend aanbod gestand te doen. Ook op dit punt is dus geen sprake van schade van [gedaagde] die voor vergoeding in aanmerking komt.
3.25.
Tot slot maakt [gedaagde] aanspraak op vergoeding van kosten van aankoop van vervangende grond. De deskundigen hebben uiteengezet dat [gedaagde] hierop aanspraak kan maken indien het onteigende is aan te merken als een duurzame belegging en sprake is van de noodzaak tot wederbelegging in een vervangende onroerende zaak. Daarvan is de deskundigen niet gebleken. De rechtbank sluit zich hierbij aan.
3.26.
Al met al ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de afweging die de deskundigen op bovengenoemde punten hebben gemaakt en zij sluit zich daarbij aan. De rechtbank stelt de bijkomende schade dan ook vast op
€ 5.500,00.
Vaststelling van de schadeloosstelling
3.27.
De slotsom is dat de rechtbank de schadeloosstelling voor [gedaagde] zal vaststellen op € 274.608,00 als waarde van de grond, € 26.789,75 als vergoeding voor de waardevermindering van het overblijvende en € 5.500,00 als vergoeding voor bijkomende schade, samen € 306.897,75.
3.28.
[gedaagde] heeft in het kader van de vervroegde onteigening een voorschot van € 122.048,00 ontvangen. Dat is dus minder dan de schadeloosstelling. [gedaagde] heeft ten titel van schadevergoeding ook recht op vergoeding van het nadeel dat hij lijdt door het gemis van het bedrag waarmee de uiteindelijke schadeloosstelling het betaalde voorschot te boven gaat gedurende de periode tussen de dag waarop het vonnis tot vervroegde onteigening is ingeschreven en de dag waarop de schadeloosstelling wordt vastgesteld. Het bedoelde nadeel moet worden begroot naar de waarde van het gemiste genot, die niet noodzakelijkerwijs is gelijk te stellen aan de wettelijke rente over het gemiste bedrag (Hoge Raad 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0415, De Bruyn c.s./Waterschap Rivierenland).
3.29.
De deskundigen hebben dit nadeel in hun rapport getaxeerd op een bedrag gelijk aan 1,5% (samengesteld per jaar) over het verschil vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot de datum van onherroepelijke vaststelling van de schadeloosstelling. De rechtbank sluit zich hierbij aan en zal deze rente in die zin toewijzen.
3.30.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de schadeloosstelling vaststellen op een bedrag van € 306.897,75, te vermeerderen met een rente van 1,5% (samengesteld per jaar) over € 184.849,75 (€ 306.897,75 minus € 122.048,00) vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de datum van dit vonnis. De rechtbank zal de Staat veroordelen om aan [gedaagde] het resterende bedrag van € 184.849,75 te voldoen, te vermeerderen met een rente van 1,5% (samengesteld per jaar) over € 184.849,75 vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de datum van dit vonnis.
3.31.
Op grond van artikel 55 lid 3 Ow Pro moet de Staat over het per saldo te betalen bedrag de wettelijke rente vergoeden vanaf vandaag tot de dag van de algehele voldoening.
Immateriële schade
3.32.
Tijdens het pleidooi heeft [gedaagde] zich erop beroepen dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden waarbinnen de onteigeningsprocedure had moeten zijn afgewikkeld. De gerechtelijke onteigeningsprocedure – gerekend vanaf het verzoekschrift van 22 augustus 2019 tot het houden van een descente – duurt inmiddels meer dan zes jaar. De administratieve fase meegerekend – die is begonnen met het ter inzage leggen van het ontwerp-KB per 8 november 2018 – duurt de onteigeningsprocedure inmiddels zelfs al meer dan zeven jaar, aldus [gedaagde] . Volgens [gedaagde] is daarmee de redelijke termijn overschreden. Hij maakt aanspraak op een bedrag van € 5.000,00 bij wijze van vergoeding voor de immateriële schade die volgens hen het gevolg is van deze termijnoverschrijding.
3.33.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in deze procedure geen grond voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade. De gestelde schade als gevolg van de lange duur van de behandeling van de zaak staat in onvoldoende verband tot de onteigening om te kunnen worden aangemerkt als gevolg van de onteigening [1] . De schade kan dan ook niet van de processuele wederpartij worden gevorderd. In geval van overschrijding van de redelijke termijn in een civiele procedure moet een daarop gerichte vordering tot schadevergoeding worden ingesteld in een afzonderlijke procedure uit onrechtmatige daad tegen het staatsonderdeel dat daarvoor aansprakelijk is. Dat is niet de eisende partij in deze procedure, te weten het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, maar het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
De kosten van juridische en overige deskundige bijstand
3.34.
Op grond van artikel 50 Ow Pro is uitgangspunt dat de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en van bijstand door andere deskundigen ten laste van de onteigenende partij komen. De onteigeningsrechter toetst of het redelijk is dat de bijstand is ingeroepen en of de gemaakte kosten binnen een redelijke omvang zijn gebleven (de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets). Het belang van de zaak, zoals dit tot uitdrukking komt in de samenstelling en de hoogte van de toegekende schadeloosstelling, en de mate waarin een zaak juridisch of anderszins gezien ingewikkeld is, spelen daarbij een rol.
3.35.
Bij akte van 26 november 2025 heeft [gedaagde] – onder overlegging van gespecificeerde facturen – opgave gedaan van de kosten van juridische en overige deskundige bijstand. Het gaat in totaal om een bedrag van € 73.091,88. Dit bedrag bestaat ten eerste uit een totaalbedrag van € 52.949,07 inclusief btw vanwege juridische bijstand (inclusief griffierecht van € 304,00 en € 1.295,00), waarvan € 49.260,38 inclusief btw aan gedeclareerde kosten en € 3.688,69 inclusief btw aan kosten volgens een declaratievoorstel voor de werkzaamheden die zijn en nog zullen worden verricht ná het pleidooi van 11 november 2025. Ten tweede maakt [gedaagde] aanspraak op vergoeding van een totaalbedrag van € 20.142,81 inclusief btw voor overige deskundige bijstand (inclusief in totaal € 360,05 aan verschotten).
Kosten juridische bijstand
3.36.
Dat [gedaagde] juridische bijstand heeft ingeroepen, is redelijk. Gelet op het navolgende zal de rechtbank de daarvoor opgevoerde kosten echter naar beneden bijstellen.
In het hiervoor genoemde declaratievoorstel zijn zes uren verwerkt (oftewel € 2.250,60 inclusief btw) die volgens [gedaagde] na de datum van zijn akte naar verwachting zijn gemoeid met het afwikkelen van de onteigeningsprocedure. De rechtbank honoreert het verzoek van de Staat om dit aantal uren te matigen naar drie uur. De Staat voert terecht aan dat drie uur ruim voldoende zou moeten zijn om kennis te nemen van de antwoordakte van de Staat, het eindvonnis van de rechtbank en de (financiële) afwikkeling van het vonnis. De matiging leidt tot een aftrek van € 1.125,30 inclusief btw. De te vergoeden kosten voor juridische bijstand bedragen na aftrek van dit bedrag
€ 51.823,77 inclusief btw(€ 52.949,07 minus € 1.125,30). De rechtbank zal de Staat veroordelen tot betaling van dit bedrag aan [gedaagde] .
Kosten overige deskundige bijstand
3.37.
De Staat stelt zich terecht op het standpunt dat niet alle door [gedaagde] opgevoerde kosten in het kader van deze onteigeningsprocedure voor vergoeding in aanmerking komen, omdat deze kosten zijn gemaakt in het kader van een andere (planologische) procedure. De volgende kosten, die betrekking hebben op de procedure bij de Raad van State, zullen daarom in mindering worden gebracht op het door [gedaagde] gevorderde bedrag:
Factuurdatum
Bedrag excl. btw
Omschrijving
06-07-2017
€ 168,00
verschuldigd griffierecht Raad van State
09-05-2019
€ 106,00
Beroepschrift aanpassen en indienen
€ 198,75
Correspondentie Raad van State
€ 198,75
Beroep Raad van State en corp. opdrg.
13-06-2019
€ 198,75
Correspondentie Raad van State
13-08-2019
€ 13,25
Mail inzake schrijven Raad van State
06-03-2020
€ 13,50
Correspondentie opdrachtgever mail schrijven Raad van State
12-06-2020
€ 13,50
Correspondentie opdrachtgever stukken Raad van State
€ 6,75
Correspondentie opdrachtgever, Schrijven Raad van State
€ 101,25
Bestuderen ink.correspondentie Raad van State
09-07-2020
€ 33,75
Corr. opdrachtgever, uitwerken corr. Raad van State
€ 27,00
Corr. opdrachtg. inz. Schrijven Raad van State dhr. [gedaagde]
€ 33,75
Correspondentie opdrachtgever, schrijven Raad van State
€ 67,50
Bestuderen ink. correspondentie RvS en corp opdrg.
€ 135,00
Opstellen concept pleit notitie Raad van State
€ 67,50
Bestuderen ink.correspondentie RvS en corp opdrg.
€ 405,00
Zitting Raad van State
05-08-2020
€ 13,50
Correspondentie opdrachtgever schrijven Raad van State
05-11-2020
€ 33,75
Corr. schrijven Raad van State
08-01-2021
€ 13,50
Correspondentie opdrachtgever schrijven Raad van State
05-12-2024
€ 22,50
Bestuderen ink.correspondentie RvS
10-06-2025
€ 66,50
E-mail inz beroepschrift Raad van State Businesspark 7Poort
Totaal
€ 1.769,75 exclusief btw en exclusief het griffierecht van € 168,00
€ 2.309,40 inclusief btw en inclusief het griffierecht van € 168,00
3.38.
De Staat stelt zich verder terecht op het standpunt dat de volgende kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen:
Factuurdatum
Bedrag excl. btw
Omschrijving
11-03-2019
€ 25,00
Kosten Webstors, registratie kavelsduiven.nl
09-07-2020
€ 33,75
Herinnering pachtnota de heer [pachter]
Totaal
€ 58,75 exclusief btw / € 71,09 inclusief btw
De rechtbank zal ook deze kosten in mindering brengen op het door [gedaagde] gevorderde bedrag.
3.39.
Ook het uurtarief van de heer [deskundige] in 2025 komt de rechtbank te hoog voor. De heer [deskundige] rekende in 2025 een uurtarief van € 190,00 exclusief btw. Dat is een verhoging van € 40,00 per uur ten opzichte van het jaar daarvoor en een procentuele stijging van ongeveer 26,7%. Volgens de toelichting bij artikel 5 van Pro de Beleidsregel vergoeding deskundigenkosten Rijkswaterstaat van 5 november 2022 is een marktconform tarief voor een deskundige met gedegen kennis van en ervaring met grondverwerving en het onteigeningsrecht tussen € 120,00 en € 150,00 per uur (inclusief reis- en kantoorkosten, exclusief verschotten, zoals kadastrale kosten). Gelet op de complexiteit van de zaak vindt de rechtbank in dit geval een tarief van € 150,00 redelijk. Zij zal het uurtarief van de heer [deskundige] over 2025 matigen tot dat bedrag. Na aftrek van de urenregel op de factuur van 10 juni 2025 (zie de tabel in 3.37) resteren 30,8 uren, zodat de matiging leidt tot een aftrek van € 1.232,00 exclusief btw (30,8 × € 40,00) oftwel € 1.490,72 inclusief btw.
3.40.
Voor het overige voldoen de door [gedaagde] opgevoerde kosten van de heer [deskundige] aan de dubbele redelijkheidstoets. Gezien het voorgaande is voor overige deskundige bijstand een bedrag van
€ 16.271,60inclusief btw toewijsbaar (€ 20.142,81 minus € 2.309,40 minus € 71,09 minus € 1.490,72). De rechtbank zal de Staat veroordelen tot betaling van dit bedrag aan [gedaagde] .
De kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen
3.41.
De Staat moet ook de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen dragen. Bij brief van 6 november 2025 heeft de voorzitter van de deskundigencommissie de rechtbank de definitieve declaraties doen toekomen. Het gaat om een totaalbedrag van € 15.748,76 inclusief btw. De Staat heeft tijdens het pleidooi laten weten zich te kunnen vinden in de kostenopgaaf van de deskundigen. Dit betekent dat de rechtbank de kosten van de deskundigen in deze zaak begroot op € 15.748,76 inclusief btw. De Staat zal worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.
Publicatie
3.42.
Tot slot zal de rechtbank een nieuws- en advertentieblad aanwijzen ter publicatie van dit vonnis.

4.De beslissing

4.1.
stelt de door de Staat aan [gedaagde] verschuldigde schadeloosstelling voor de bij het vonnis van 11 december 2024 uitgesproken onteigening vast op een bedrag van € 306.897,75, te vermeerderen met een rente van 1,5% (samengesteld per jaar) over € 184.849,75 vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de datum van dit vonnis,
4.2.
veroordeelt de Staat om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 184.849,75, te vermeerderen met de hiervoor onder 4.1 genoemde rente, de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vandaag tot aan de dag van de algehele voldoening,
4.3.
bepaalt dat de Staat, in het geval bij de definitieve vaststelling van de kadastrale grenzen zou blijken dat het onteigende perceelsdeel groter is dan vermeld in het vonnis van 11 december 2024, aan [gedaagde] voor het meerdere een prijs van € 10,00 per m² moet betalen en veroordeelt de Staat in dat geval tot betaling daarvan aan [gedaagde] , te vermeerderen met de hiervoor onder 4.2 genoemde rente,
4.4.
bepaalt dat de Staat het bijkomend aanbod gestand zal doen om de twee overblijvende perceelsgedeelten te ontsluiten,
4.5.
bepaalt dat de Staat het bijkomend aanbod gestand zal doen om voor een passende afwatering van het perceel zorg te dragen,
4.6.
veroordeelt de Staat om aan [gedaagde] te betalen de kosten van juridische bijstand ten bedrage van € 51.823,77 inclusief btw en inclusief griffierecht,
4.7.
veroordeelt de Staat om aan [gedaagde] te betalen de kosten van overige bijstand ten bedrage van € 16.271,60 inclusief btw,
4.8.
veroordeelt de Staat in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een bedrag van € 15.748,76 inclusief btw,
4.9.
wijst het te [woonplaats] verschijnende dagblad De Gelderlander aan als nieuwsblad waarin dit vonnis door de griffier bij uittreksel zal worden geplaatst.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, mr. K.H.A. Heenk en mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
JE/Vg/KH/Ma

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736