ECLI:NL:RBGEL:2026:143

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
67
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 5:37 AwbArt. 5.1 lid 1 onder a OmgevingswetArt. 22.8 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen handhavings- en invorderingsbesluiten wegens bouw zonder vergunning monument niet-ontvankelijk verklaard

Eisers zijn eigenaar van een gemeentelijk monument en voerden zonder omgevingsvergunning bouwkundige aanpassingen uit. Het college legde handhavingsbesluiten met lasten onder dwangsom op en vorderde in totaal € 20.000,- wegens overtredingen. Eisers maakten bezwaar, maar dit werd door het college niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening.

De rechtbank oordeelt dat ondanks dat eisers het handhavingsbesluit aanvankelijk niet ontvingen, zij vanaf het moment van kennisname (3 juni 2024) zo spoedig mogelijk bezwaar hadden moeten maken. Dit is niet gebeurd, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank beoordeelt vervolgens het tweede invorderingsbesluit inhoudelijk en concludeert dat het college terecht heeft geïnvorderd, ook al is later een omgevingsvergunning verleend.

Eisers voerden aan dat de dwangsommen te hoog zijn, maar de rechtbank stelt dat zij in beginsel niet meer tegen de hoogte kunnen opkomen en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn om de dwangsommen te herzien. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het college mag de dwangsommen invorderen en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de handhavings- en invorderingsbesluiten wordt ongegrond verklaard en het college mag € 20.000,- invorderen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/67

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers

(gemachtigde: mr. H.P. Schouten),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg

(gemachtigde: E.J. Bijl-Visch).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over twee handhavingsbesluiten met daarin lasten onder dwangsom en twee uit het eerste handhavingsbesluit voortvloeiende invorderingsbesluiten van in totaal (na matiging) € 20.000,- die het college heeft opgelegd aan eisers vanwege het zonder daarvoor verleende omgevingsvergunning uitvoeren van bouwkundige aanpassingen aan het monumentale pand aan de [locatie] in [plaats] (het pand). Eisers voeren een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de handhavingsbesluiten en de invorderingsbesluiten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van eisers tegen het eerste handhavingsbesluit en het eerste invorderingsbesluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verder heeft het college in totaal € 20.000,- kunnen invorderen op grond van dit handhavingsbesluit
.Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.
  • Heeft het college het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk verklaard?
  • Had het college moeten afzien van invordering?
  • Zijn er omstandigheden om de hoogte van de dwangsom alsnog te herzien?
Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Het pand is een gemeentelijk monument waarvan eisers sinds 2020 eigenaar zijn. Eisers hebben ramen en een deur vervangen, metselwerk aangepast en camera’s opgehangen. Bij besluit van 29 maart 2024 heeft het college aan eisers vier lasten onder dwangsom opgelegd, omdat eisers zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend het gemeentelijk monument hebben gewijzigd. [1] .
Op grond van het besluit van 29 maart 2024 dienen eisers het voormalige bedrijfsgedeelte van het pand te herstellen in de oorspronkelijke staat door:
  • 1. de nieuwe houten deur, deurkozijn en betonnen latei boven het deurkozijn te verwijderen en te voorzien van metselwerk (gelijk aan oorspronkelijke staat: met dezelfde kleur, grootte, vorm) uiterlijk op 2 juli 2024 onder straffe van verbeuring van een dwangsom van € 10.000,- ineens als niet tijdig of niet volledig wordt voldaan;
  • 2. het nieuwe houten kozijn (rechts van het nieuwe deurkozijn) te verwijderen en te voorzien van het oorspronkelijke stalen kozijn/venster uiterlijk op 2 juli 2024 onder straffe van verbeuring van een dwangsom van € 10.000,- ineens als niet tijdig of niet volledig wordt voldaan;
  • 3. de drie kozijnen en beglazing in de linkerzijgevel van het voormalige bedrijfsgedeelte te herstellen in de oorspronkelijke staat uiterlijk op 2 juli 2024, onder straffe van verbeuring van een dwangsom van € 10.000,- ineens als niet tijdig of niet volledig wordt voldaan;
  • 4. de camera’s tegen de achtergevel en de zijgevel van het voormalige bedrijfsgedeelte van het pand te verwijderen en verwijderd te houden uiterlijk op 14 april 2024, onder straffe van verbeuring van een dwangsom van € 5.000,- ineens als niet tijdig of niet volledig wordt voldaan.
2.1.
Bij besluit van 21 juni 2024 heeft het college een dwangsom van € 5.000,- ingevorderd omdat niet is voldaan aan de last tot het verwijderen van de camera’s.
2.2.
Bij besluit van 23 juli 2024 heeft het college een nieuw handhavingsbesluit genomen en daarin opnieuw lasten onder dwangsom aan eisers opgelegd vanwege het zonder omgevingsvergunning veranderen van een gemeentelijk monument en ter voorkoming van herhaling. Dit handhavingsbesluit is opgelegd omdat het vorige handhavingsbesluit is uitgewerkt. Het tweede handhavingsbesluit is vrijwel identiek aan het besluit van 29 maart 2024, maar heeft hogere dwangsommen.
2.3.
Bij besluit van 13 augustus 2024 heeft het college de begunstigingstermijn van de onderdelen 1 tot en met 3 van het handhavingsbesluit van 23 juli 2024 verlengd tot en met 15 november 2024.
2.4.
Bij besluit van 3 september 2024 heeft het college een dwangsom van € 30.000,- ingevorderd omdat niet is voldaan aan de onderdelen 1 tot en met 3 van het handhavingsbesluit van 29 maart 2024. Eisers hebben hiertegen op 9 september 2024 bezwaar gemaakt.
2.5.
Bij besluit van 13 november 2024 is een omgevingsvergunning verleend voor het herstellen van de achter- en zijgevel van het pand.
2.6.
Bij besluit van 18 november 2024 is de begunstigingstermijn verder verlengd tot en met 18 februari 2025.
2.7.
Met het bestreden besluit van 27 november 2024 op de bezwaren van eisers heeft het college:
  • het bezwaar van eisers tegen het handhavingsbesluit van 29 maart 2024 en het invorderingsbesluit van 21 juni 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat daartegen niet tijdig bezwaar is gemaakt;
  • het bezwaar tegen het handhavingsbesluit van 23 juli 2024 ongegrond verklaard;
  • de hoogte van de dwangsommen van het invorderingsbesluit van 3 september 2024 gematigd met 50% tot € 15.000,-.
2.8.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 27 november 2024.
2.9.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] namens eisers, bijgestaan door mr. D.A. IJpelaar als waarnemer van zijn gemachtigde, en gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Zij beoordeelt dat op het moment van het nemen van het bestreden besluit, namelijk op 27 november 2024. Dat zich inmiddels geen overtredingen meer voordoen, omdat er een omgevingsvergunning is verleend, kan door de rechtbank niet in haar oordeel worden betrokken.
Ingetrokken beroepsgrond
4. Tijdens de zitting hebben eisers hun beroep tegen het bestreden besluit ingetrokken voor zover dat ziet op het handhavingsbesluit van 23 juli 2024, omdat het college in een besluit van 12 mei 2025 heeft besloten niet over te gaan tot invordering van de op grond van dat handhavingsbesluit verbeurde dwangsommen.
Heeft het college het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk verklaard?
5. Eisers betogen dat het college het bezwaar tegen het handhavingsbesluit van 29 maart 2024 en het invorderingsbesluit van 21 juni 2024 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voeren aan dat zij het besluit van 29 maart 2024 niet hadden ontvangen en daarvan pas op de hoogte raakten nadat zij het invorderingsbesluit ontvingen en hun gemachtigde het handhavingsbesluit opvroeg. Zij wijzen er verder op dat zij na het bezoek van de toezichthouder in februari 2023 op allerlei manieren geprobeerd hebben in gesprek te komen met het college. Pas anderhalf jaar later na het inschakelen van een architect is het eisers gelukt om een vertegenwoordiger van het college te spreken. Als het college echter direct was ingegaan op het verzoek van eisers om de kwestie in onderling overleg op te lossen, was dat al veel eerder gebeurd en was het niet nodig geweest handhavend op te treden.
5.1.
Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het bezwaarschrift van 15 augustus 2024 (gedateerd op 14 augustus 2024) tegen het besluit van 29 maart 2024 te laat is ingediend. Het besluit is volgens het college op de juiste manier aan eisers kenbaar gemaakt. Het besluit is aangetekend aan eisers toegezonden, maar eisers hebben het poststuk vervolgens niet afgehaald op het afhaalpunt. Dat zij niet op de hoogte waren van het besluit en daardoor te laat bezwaar hebben gemaakt, komt dus volgens het college voor hun risico. Voor zover het bezwaarschrift van 15 augustus 2024 zich richt tegen het invorderingsbesluit van 21 juni 2024 is dat ook buiten de bezwaartermijn ingediend. Eisers hebben niet met nadere feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat het college op 29 maart 2024 heeft besloten om een handhavingsbesluit te nemen en daarin een aantal lasten onder dwangsom op te leggen. Vervolgens heeft het college op 17 mei 2024 aan eisers een voornemen tot invordering van een verbeurde dwangsom naar aanleiding van dit handhavingsbesluit gestuurd. Naar aanleiding van dit voornemen heeft de gemachtigde van eisers op 23 mei 2024 aan het college gemaild dat eisers het besluit van 29 maart 2024 nooit hebben ontvangen. Op 3 juni 2024 heeft het college het besluit van 29 maart 2024 nogmaals toegestuurd, ditmaal aan de gemachtigde van eisers. Daarna heeft het college op 21 juni 2024 een definitief invorderingsbesluit genomen, en op 3 september 2024 een tweede invorderingsbesluit. Op 14 augustus 2024 hebben eisers een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaar is gericht tegen het besluit van 29 maart 2024 en het invorderingsbesluit van 21 juni 2024. Op 9 september 2024 is bezwaar gemaakt tegen het invorderingsbesluit van 3 september 2024.
5.3.
Uit artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van Pro de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. [2]
5.4.
De rechtbank volgt eisers niet in het betoog dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Ook als zij worden gevolgd in het standpunt dat de verzending van het besluit van 29 maart 2024 niet juist is geweest, omdat zij dat besluit aanvankelijk niet hadden ontvangen, staat vast dat zij in ieder geval op 3 juni 2024 op de hoogte raakten van het bestaan van dat besluit. Het lag dan op hun weg om vervolgens zo spoedig mogelijk alsnog bezwaar te maken tegen dat besluit. Zij hebben echter ruim tien weken na 3 juni 2024 en ruim zeven weken na ontvangst van het invorderingsbesluit pas bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Dat uit eerdere correspondentie van eisers zou blijken dat zij het niet eens zijn met de besluiten, zodat die correspondentie als bezwaar kan worden aangemerkt, volgt de rechtbank niet. Uit die correspondentie blijkt dat eisers willen overleggen met het college, maar niet dat zij het niet eens zijn met de besluiten en dat zij daartegen bezwaar maken. De rechtbank concludeert dat het college eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de besluiten van 29 maart 2024 en 21 juni 2024. De rechtbank komt wel toe aan een inhoudelijke beoordeling van het tweede invorderingsbesluit dat is genomen op 3 september 2024. In dit besluit is aanvankelijk een bedrag van € 30.000,- ingevorderd, maar dit is in het besluit op bezwaar gematigd tot € 15.000,-. Over dit besluit overweegt de rechtbank als volgt.
Had het college moeten afzien van invordering?
7. Eisers betogen dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot invordering van de dwangsommen. Naar aanleiding van een overleg tussen eisers, de door hen ingeschakelde architect en het college is een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend die op 13 november 2024 is verleend. Inmiddels is de situatie in overeenstemming met die vergunning. De invordering van de dwangsommen is dus niet nodig om de overtreding te beëindigen.
7.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat niet binnen de begunstigingstermijn aan de lasten is voldaan, zodat het college bevoegd is om tot invordering over te gaan.
Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom, dient aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (
Kamerstukken II2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [3]
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de door eisers naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding geven voor het oordeel dat het college van invordering had moeten afzien. Niet in geschil is dat de benodigde aanpassingen na afloop van de begunstigingstermijn op 2 juli 2024 nog niet gereed waren. Dat er inmiddels sprake is van legalisering van de overtredingen, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering af had moeten zien. Daarbij komt dat het college de hoogte van de verbeurde dwangsommen reeds met 50% heeft gematigd. Voor het oordeel dat het college hiermee niet had mogen volstaan en gehouden was tot verdere matiging, is geen juridische grondslag. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er omstandigheden om de hoogte van de dwangsom alsnog te herzien?
8. Eisers betogen dat de gevorderde dwangsommen in geen enkele redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.
8.1.
Nu het handhavingsbesluit van 29 maart 2024 onherroepelijk is, kunnen eisers in beginsel niet meer opkomen tegen de hoogte van de in dat besluit opgelegde dwangsommen. Alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen in de procedure over de invordering nog beroepsgronden naar voren worden gebracht die tegen het besluit tot oplegging van de lasten onder dwangsom zijn gericht. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is in deze zaak geen sprake. De enkele stelling dat de dwangsommen te hoog zijn, is onvoldoende om daarover ander te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat het college in totaal € 20.000,- (€ 5.000,- en € 15.000,-) mag invorderen. Eisers krijgen het betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 5.1 eerste lid onder a van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 14 eerste Pro lid onder a van de Erfgoedverordening Doesburg. In artikel 14, eerste lid, onder a, staat dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument te wijzigen.
2.Zie ABRvS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2963.
3.Zie ABRvS 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3874 onder 7.