ECLI:NL:RBGEL:2026:1389

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
460865
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ECLI:NL:HR:2021:1513
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verhuisverbod vader ten behoeve van omgangsregeling met kind

In deze kortgedingprocedure vordert de moeder een verhuisverbod voor de vader met betrekking tot hun minderjarige kind, met als doel de omgangsregeling te waarborgen. De vader is reeds verhuisd naar een andere plaats om bij zijn partner te wonen. De moeder vreest dat deze verhuizing de omgang met het kind zal belemmeren.

De rechtbank stelt vast dat de vader het eenhoofdig gezag heeft en dat hij de omgangsregeling met de moeder momenteel nakomt, waarbij de omgang begeleid plaatsvindt. De vader heeft toegezegd de omgang te blijven faciliteren, ook bij een eventuele toekomstige uitbreiding van de omgangsregeling. De moeder heeft onvoldoende vertrouwen in de nakoming vanwege afstand en kosten, maar de rechtbank acht de toezeggingen van de vader geloofwaardig.

De gecertificeerde instelling geeft aan dat onder de huidige omstandigheden een omgangsregeling van maximaal drie uur per twee weken het hoogst haalbare is. De rechtbank weegt het belang van de vader om een nieuw leven op te bouwen in de nieuwe woonplaats en zijn netwerk in de oude woonplaats mee. Gezien deze belangen en de nakoming van de omgangsregeling, wijst de rechtbank het verzoek tot verhuisverbod en terugverhuisgebod af.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is gewezen door de voorzieningenrechter Hilberink en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot verhuisverbod en terugverhuisgebod af omdat de vader zijn omgangsverplichtingen nakomt en geen grond bestaat voor beperking van zijn woonplaatskeuze.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/460865 / KG ZA 25-467
Vonnis in kort geding van 4 februari 2026
in de zaak van
[naam moeder],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. W.R. Gorseling uit Cuijk,
tegen
[naam vader],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.R.T. Tromp uit Nijmegen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 6 januari 2026;
  • de conclusie van antwoord van 19 januari 2026;
  • de akte eiswijziging van de moeder van 21 januari 2026;
  • de mondelinge behandeling van 21 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling, die achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden, heeft de voorzieningenrechter gehoord:
  • de advocaat van de moeder;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd te Arnhem (hierna: de GI).
1.3.
De moeder is correct opgeroepen, maar niet verschenen. Daarnaast was de Raad voor de Kinderbescherming niet in de gelegenheid om tijdens de mondelinge behandeling aanwezig te zijn.

2.De feiten

2.1.
Uit de relatie tussen de ouders zijn geboren de minderjarige kinderen:
  • [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] (hierna: [kind 1] );
  • [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats]
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 28 april 2025 is het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en is bepaald dat het gezag over [kind 1] en [kind 2] voortaan wordt uitgeoefend door de vader.
2.3.
Bij beschikking van 23 oktober 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] verlengd tot 29 oktober 2026. De kinderrechter heeft toen ook de machtiging verlengd tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een voorziening voor netwerkpleegzorg, zijnde de grootouders moederszijde, tot 29 oktober 2026.
2.4.
Bij beschikking van 24 november 2025 heeft de kinderrechter de omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen als volgt gewijzigd:
  • [kind 2] heeft 2,5 uur begeleide omgang eenmaal per twee weken op woensdagmiddag met moeder, onder begeleiding van GrandCare;
  • [kind 1] heeft 2,5 uur begeleide omgang eenmaal per twee weken in het weekend met moeder, onder begeleiding van de pleegouders;
  • de moeder bezoekt [kind 1] niet bij haar ouders (tevens pleegouders van [kind 1] ) buiten de vrijgestelde feestdagen waarbij moeder een dagdeel de volgende feestdagen mag meevieren: verjaardag pleegouders, verjaardag [kind 1] , Kerst, Moederdag, Vaderdag, verjaardag van [naam] (zus) en het gezin.
  • er wordt middels een stappenplan gewerkt aan uitbreiding van de omgang naar maximaal drie uur per omgangsbezoek;
  • waarbij de regie over de verdere uitbreiding of aanpassing qua aard, frequentie en vorm bij de GI wordt belegd.

3.Het geschil

3.1.
De moeder vordert, na wijziging van eis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en bij wege van voorlopige voorziening:
  • primairde vader met [kind 2] een verhuisverbod naar [plaatsnaam] op te leggen, en
    subsidiairde vader met [kind 2] een terugverhuisgebod naar [woonplaats] op te leggen, onder verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag dat de vader met [kind 2] toch in [plaatsnaam] woont of ingeschreven staat, zulks met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 50.000;
  • de proceskosten van dit geding tussen partijen te compenseren.
3.2.
De vader voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de moeder, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de moeder, met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de moeder daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de moeder een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. De vader heeft aangegeven dat hij op 21 december 2025 naar [plaatsnaam] is verhuisd. Tussen partijen staat ter discussie of die verhuizing van invloed is op de nakoming van de omgangsregeling tussen de moeder en [kind 2] door de vader. De moeder heeft belang bij een spoedige beslissing van de voorzieningenrechter over dit geschil. Om die reden is de moeder ontvankelijk in haar vordering.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de Hoge Raad [1] in zijn uitspraak van 15 oktober 2021 onder meer heeft overwogen ‘dat ook bij eenhoofdig gezag een grondslag bestaat om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken, indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen. De rechter is in zo’n geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan de omgang tussen het kind en de andere ouder. Een verbod aan de met het gezag belaste ouder om te verhuizen, dan wel een bevel aan deze om terug te verhuizen, kan een passende maatregel zijn.’
4.4.
In dit geval heeft de vader eenhoofdig gezag over de kinderen. Nu hij al verhuisd is naar [plaatsnaam] om bij zijn partner te wonen, zal de voorzieningenrechter moeten beoordelen of de vader moet terugverhuizen naar [woonplaats] ten behoeve van de omgang tussen de moeder en [kind 2] .
4.5.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Gebleken is dat de moeder [kind 2] op dit moment eens per twee weken op woensdag ziet, onder begeleiding van Grand Care. De vader komt deze omgangsregeling na. Zowel in zijn conclusie van antwoord als tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader (meerdere keren) expliciet verklaard dat hij de omgangsregeling zal blijven nakomen en voor het brengen en halen zal blijven zorgdragen, ook als de omgangsregeling in de toekomst zou worden geïntensiveerd. De moeder heeft aangegeven onvoldoende vertrouwen te hebben dat de vader, gelet op de reisafstand en -kosten, de omgangsregeling daadwerkelijk zal blijven nakomen. De voorzieningenrechter ziet echter geen aanleiding om te twijfelen aan de toezeggingen van de vader. De vader heeft een baan en dus ook voldoende financiële middelen om de reis tussen [plaatsnaam] en [woonplaats] te bekostigen.
4.6.
Verder heeft de moeder naar voren gebracht dat de omgang met de kinderen nu beperkt en onder begeleiding is, maar dat dit in de toekomst zomaar anders kan zijn. De moeder vreest dat de verhuizing van de vader met [kind 2] naar [plaatsnaam] een uitbreiding van de omgangsregeling in de weg zal staan. Zij stelt dat het in de toekomst wellicht mogelijk is om [kind 2] een weekend per twee weken bij zich te hebben. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling echter aangegeven dat onder de huidige omstandigheden een omgangsregeling van maximaal drie uur per twee weken het hoogst haalbare is. In het geval de omgangsregeling op de langere termijn wel uitgebreid wordt naar een weekendregeling, blijft de vader bovendien bereid om [kind 2] te halen en te brengen. De vader heeft ook een omgangsregeling met [kind 1] , waardoor de vader ook een zondagmiddag per twee weken in [woonplaats] verblijft. De vader wil dat dit op den duur ook wordt uitgebreid naar een weekendregeling. Dit zou – als het ooit zover komt – gecombineerd kunnen worden met de omgang tussen de moeder en [kind 2] .
4.7.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vader voldoet aan zijn verplichting om de omgang tussen de moeder en [kind 2] te bevorderen. Er is daarom ook geen grond om de vader een terugverhuisgebod op te leggen. Dat [kind 2] als gevolg van de verhuizing naar [plaatsnaam] terecht komt in een andere omgeving en een nieuwe school, terwijl zijn familie (waaronder [kind 1] ) in [woonplaats] woont, weegt niet op tegen de keuzevrijheid die de vader heeft om ergens anders een nieuw leven op te bouwen. In dat kader heeft de vader ook aangegeven dat hij geregeld nog in [woonplaats] komt, omdat hij ook zijn netwerk daar nog heeft en [kind 1] daar bij zijn oma (vaderszijde) opgroeit.
4.8.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de moeder dus af.
Proceskosten
4.9.
Gelet op de (voormalige) relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen reden om af te wijken van dit uitgangspunt in familiezaken, zoals de vader vordert.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Hilberink en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026, in tegenwoordigheid van S.C. Dijksterhuis als griffier.