Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Gelderland
Werkneemster trad in januari 2024 in dienst bij een BV en werd in maart 2024 ontslagen. Zij vorderde betaling van een eerder toegekende billijke vergoeding van de aandeelhouders en bestuurders van de werkgever, stellende dat zij onrechtmatig hadden gehandeld door onder meer het verplaatsen van de vennootschap en het onttrekken van geld via een buitenlandse bankrekening.
De rechtbank onderscheidde aandeelhoudersaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid. Voor aandeelhoudersaansprakelijkheid is vereist dat de aandeelhouders onrechtmatig handelen, wat hier niet is vastgesteld. Het verplaatsen van de vennootschap was een bestuurdersbeslissing en niet onrechtmatig. Ook het gebruik van een Litouwse bankrekening was niet onrechtmatig, mede vanwege EU-regelgeving.
Ten aanzien van bestuurdersaansprakelijkheid oordeelde de rechtbank dat geen persoonlijk ernstig verwijt kon worden gemaakt aan de bestuurders. De verhuizing van de vennootschap vond plaats nadat de bestuurders waren overgedragen, en er was onvoldoende bewijs van samenwerking met een bestuurder met een strafrechtelijk verleden.
De vordering werd afgewezen en de werkneemster werd veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Vordering van werkneemster tot bestuurders- en aandeelhoudersaansprakelijkheid wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatig handelen.