ECLI:NL:RBGEL:2026:1239

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
ARN 22/3740 en ARN 22/5907
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboBouwbesluit 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning interne verbouwing en berging met overkapping

Eisers, buren van vergunninghouders, maakten bezwaar tegen twee omgevingsvergunningen: een voor een interne verbouwing van een woning en een voor het bouwen van een berging met overkapping. Het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk verleende de vergunningen en handhaafde deze bij bezwaar. Eisers gingen in beroep bij de rechtbank Gelderland.

De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid en verwierp het betoog van het college dat eisers misbruik van procesrecht maakten. De rechtbank oordeelde dat eisers legitieme zorgen hadden over veiligheid en daarom ontvankelijk waren.

Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat het college aannemelijk had gemaakt dat de interne verbouwing voldeed aan het Bouwbesluit 2012, ondanks kritiek op de constructieberekening. De kanttekeningen van de contra-expert leidden niet tot twijfel over de stabiliteit. Ook de brandveiligheid was voldoende gewaarborgd. Voor de berging stelde de rechtbank vast dat het college het peil correct had vastgesteld conform het bestemmingsplan.

De beroepen werden ongegrond verklaard, waardoor de vergunningen in stand blijven. Eisers krijgen geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de omgevingsvergunningen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 22/3740 en ARN 22/5907

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers

(gemachtigde: [eiser]),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk

(gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2]uit [plaats], vergunninghouders
(gemachtigde mr. R. Scholten).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de omgevingsvergunning voor de interne verbouwing (wijziging constructie) van de woning (zaaknummer ARN 22/3740) en de omgevingsvergunning voor het bouwen van een berging met overkapping (zaaknummer 22/5907) aan de [locatie 1] in [plaats].
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunningen heeft kunnen verlenen en de vergunningen blijven in stand. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat wat er tussen partijen is gebeurd en onder 3 het procesverloop in deze zaken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.
In beide zaken:
- Maken eisers misbruik van hun procesrecht?
In de zaak met zaaknummer ARN 22/3740:
- Is aannemelijk dat de omgevingsvergunning aan het Bouwbesluit 2012 voldoet?
In de zaak met zaaknummer ARN 22/5907:
- Heeft het college het peil op de juiste manier vastgesteld?
Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Wat is er gebeurd?

2. Vergunninghouders hebben hun woning in 2021 aan de achterzijde over de volle breedte uitgebouwd. Eisers wonen naast vergunninghouders en zijn het niet eens met deze verbouwing. Aan het begin van de verbouwing, in februari 2021, hebben eisers een verzoek om handhaving ingediend bij het college omdat er geen vergunning is verleend voor de verbouwing. Dat verzoek heeft het college in eerste instantie afgewezen maar het college heeft uiteindelijk bij beslissing op bezwaar een last onder dwangsom opgelegd aan vergunninghouders omdat voor de constructieve wijziging van de keukenmuur in de achtergevel een omgevingsvergunning nodig is. Vervolgens hebben vergunninghouders een omgevingsvergunning aangevraagd voor een interne verbouwing in de woning, bedoeld om de constructiewijziging van de keukenmuur te legaliseren. Deze vergunning is verleend, en is door het college in bezwaar in stand gelaten. Eisers zijn daartegen in beroep gegaan.
2.1.
Daarnaast hebben vergunninghouders in maart 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd om op hun achtererf een berging met overkapping te plaatsen. Ook die omgevingsvergunning is door het college verleend en bij beslissing op bezwaar in stand gelaten. Eisers zijn het niet eens met deze vergunning en zijn in beroep gegaan.

Procesverloop

In de zaak met zaaknummer ARN 22/3740
3. Op 8 december 2021 hebben vergunninghouders en omgevingsvergunning aangevraagd voor een interne verbouwing in de woning aan de [locatie 1].
3.1.
Op 17 januari 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend ter legalisering van de interne verbouwing (wijziging constructie) van de woning. [1]
3.2.
Bij beslissing op bezwaar van 21 juni 2022 heeft het college de verleende vergunning in stand gelaten.
3.3.
Eisers hebben beroep ingediend.
3.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
In de zaak met zaaknummer ARN 22/5907
4. Op 22 maart 2022 hebben vergunninghouders een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een berging en overkapping op het perceel [locatie 1].
4.1.
Op 4 april 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een berging en overkapping op het perceel. [2]
4.2.
Bij beslissing op bezwaar van 2 november 2022 heeft het college de verleende vergunning in stand gelaten.
4.3.
Eisers hebben beroep ingediend.
4.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
4.5.
De rechtbank heeft de beroepen in beide zaken op 10 december 2024 op zitting behandeld, tegelijkertijd met drie andere zaken over de woning aan de [locatie 1] in [plaats] (ARN 21/5526, ARN 22/3119 en ARN 22/4700). Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, vergunninghouders en de gemachtigde van vergunninghouders.
4.6.
Tijdens de zitting van 10 december 2024 is het onderzoek geschorst om partijen de gelegenheid te geven met elkaar in gesprek te gaan via mediation.
4.7.
De rechtbank heeft de beroepen in beide zaken op 22 oktober 2025 opnieuw op zitting behandeld, tegelijkertijd met de andere nog lopende zaken over de woning aan de [locatie 1] in [plaats] (ARN 21/5526 en ARN 22/4700). Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [persoon A] namens het college en de gemachtigde van het college, vergunninghouders en de gemachtigde van vergunninghouders.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid

5. De rechtbank beoordeelt eerst of eisers ontvankelijk zijn in hun beroepen tegen beide besluiten op bezwaar.
Maken eisers misbruik van hun procesrecht?
6. Het college betoogt dat eisers misbruik van hun procesrecht maken en dat zij daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun beroepen. De juridische strijd tussen eisers en vergunninghouders duurt al enkele jaren. Ooit ontstaan over zorgen over de verbouwing van hun buren maken eisers tegen ieder besluit bezwaar. Het college vindt dat er inmiddels na 20 procedures bij het college, waarvan slechts een ingetrokken, en vijf bij de rechtbank sprake is van het evident aanwenden van procesrechten zonder redelijk doel. Deze onredelijkheid klemt te meer omdat eisers niet de moeite hebben genomen om persoonlijk in gesprek te gaan met vergunninghouders of het college ondanks meerdere verzoeken daartoe.
6.1.
Eisers verweren zich en stellen zich op het standpunt dat zij hun veiligheid bewaken en dat is geen misbruik van recht. De drempel voor het aannemen van misbruik van recht is hoog. Het handhavingsverzoek van eisers heeft ertoe geleid dat er een legalisatievergunning is verleend. Elke zaak heeft een legitiem doel.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk als de bevoegdheid om beroep in te stellen wordt misbruikt. Daarvoor zijn zwaarwegende gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn als rechten of bevoegdheden overduidelijk zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. [3]
6.3.
De rechtbank beoordeelt in deze twee zaken of er sprake is van misbruik van recht. Zoals eisers hebben aangegeven zijn zij als directe buren de procedures gestart vanuit hun bezorgdheid over de veiligheid van hun aangrenzende woning en hun perceel. Dat is geen onredelijk of onaannemelijk doel. De rechtbank acht eisers daarom ontvankelijk in hun beroepen.

Inhoudelijke beoordeling

In de zaak met zaaknummer ARN 22/3740:
7. De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning voor de interne verbouwing van de woning aan de [locatie 1] aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Is aannemelijk dat de omgevingsvergunning aan het Bouwbesluit 2012 voldoet?
8. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning voor de interne verbouwing onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet voldoet aan artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omdat niet aannemelijk is dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012. Eisers voeren aan dat niet duidelijk is dat de bouwconstructie veilig is. De overgelegde bouwkundige berekening is onvoldoende zorgvuldig opgesteld en er is te gunstig gerekend. Als contra-expertise hebben eisers constructeur [persoon B] gevraagd de constructieberekening van de aanvraag van Houting Bouwconstructies te beoordelen. [persoon B] concludeert dat er onvoldoende stabiliteit is omdat bij de dwarswanden verkeerde uitgangspunten zijn gebruikt. Spouwankers met een doorsnede van ø4 zorgen er niet voor dat de wanden gaan samenwerken. Ook is niet is vermeld dat er is geroerd in de grond door in de kruipruimte grond aan te brengen en er beton op te storten. Verder voeren eisers aan dat de brandveiligheidscompartimenten tussen de woningen zijn aangetast. Niet duidelijk is hoe is getoetst in hoeverre de stalen balk op de spouwmuur van de woningen is gelegd.
8.1.
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo dient het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo te toetsen aan het Bouwbesluit 2012. De toets die het college moet uitvoeren is een aannemelijkheidstoets. Bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 komt het college beoordelingsruimte toe. Dit betekent dat niet hoeft te zijn aangetoond dat aan het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan. [4]
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college aannemelijk heeft mogen achten dat de aanvraag aan het Bouwbesluit 2012 voldoet. De beroepsgrond slaagt niet. Hierna legt de rechtbank haar oordeel uit.
8.3.
Het college mag afgaan op een deskundigenrapport zoals de constructieberekening van Houting Bouwconstructies. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat de door [persoon B] geplaatste kanttekeningen bij de constructieberekening niet leiden tot de conclusie dat de constructieberekening zulke gebreken bevat dat het college de berekening niet ten grondslag aan het besluit heeft kunnen leggen. De kanttekeningen van [persoon B] zijn voorgelegd aan Houting Bouwconstructies en vervolgens heeft een gemeentelijke plantoetser de stabiliteit van de woning beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de kanttekeningen van [persoon B] zorgvuldig laten beoordelen en heeft deze toetsing er niet toe geleid dat het college de constructieberekening in twijfel heeft moeten trekken. Daarbij komt dat er vanaf het begin van de verbouwing toezicht is gehouden op de verbouwing door de diverse controles die zijn verricht vanwege de handhavingsverzoeken van eisers.
8.4.
Voor zover eisers aanvoeren dat er in de grond is geroerd, valt dat niet binnen de reikwijdte van de vergunning en daarom kan de rechtbank daarover niet oordelen.
8.5.
Voor zover eisers aanvoeren dat de brandveiligheidscompartimenten tussen de woningen zijn aangetast omdat niet duidelijk is getoetst of de stalen balk op de spouwmuur van de woning aan de [locatie 2] is gelegd, overweegt de rechtbank als volgt. Het college verricht een aannemelijkheidstoets en stelt zich terecht op het standpunt dat de kale stelling dat de brandveiligheid in het geding is omdat de stalen balk op hun spouwmuur zou liggen geen reden is te vermoeden dat de brandveiligheid is aangetast. Tijdens de zitting hebben eisers toegelicht dat zij via een gat in de achtergevel met een camera hebben gekeken naar de plaatsing van de stalen balk, maar zij hebben onvoldoende kunnen zien. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers hun stelling onvoldoende hebben onderbouwd. Mede gelet op de controles tijdens de verbouwing heeft het college ervan kunnen uitgaan dat is voldaan aan de brandveiligheidseisen.
In de zaak met zaaknummer ARN 22/5907:
9. De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning voor de berging met overkapping op het perceel van de [locatie 1] aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Tijdens de zitting van 22 oktober 2025 is gebleken dat de beroepsgronden van eisers alleen nog zijn gericht tegen de wijze van vaststellen van het peil door het college.
Heeft het college het peil op de juiste manier vastgesteld?
10. Eisers betogen dat het college bij het vaststellen van de hoogte van de berging uitgaat van een verkeerd peil. Het college gaat ervan uit dat het peil gemeten moet worden ter hoogte van de voorkant van de berging. Aan achterkant van de berging is het peil anders. Daar is ten onrechte geen rekening mee gehouden.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college het peil op de juiste manier heeft vastgesteld. Van toepassing is het bestemmingsplan Zeebuurt 2012 en het perceel van vergunninghouders heeft de bestemming Wonen, met een dubbelbestemming Waarde -Archeologie 1. In het bestemmingsplan is de volgende definitie van het peil opgenomen.
artikel 1 begrippen Pro
1.38
peil:
1. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
2. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;”
De hoofdtoegang van de berging ligt niet aan de weg, dus het peil moet worden vastgesteld ter hoogte van de toegang van de berging. Het college is daarom bij het bepalen van de hoogte van de berging terecht uitgegaan van het peil ter hoogte van de toegang van de berging op het perceel van vergunninghouders. Uit niets blijkt dat het peil moet worden vastgesteld aan de hand van meerdere meetpunten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor de interne verbouwing (wijziging constructie) van de woning en de omgevingsvergunning voor de berging met overkapping in stand blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
2.Op grond van artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder a van de Wabo.
3.ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:128 onder 4.1.
4.Zie bijvoorbeeld ABRvS 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:407 onder 17.2.