Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn
Als derde-partij neemt aan de zaak deel [derde-partij] uit [plaats 1]
Samenvatting
- Heeft het college de omvang van de hinder in de nieuwe situatie juist gewaardeerd?
- Heeft het college een normaal maatschappelijk risico van 5% kunnen aanhouden?
Het procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Ook erkent het college dat de geluidhinder kan toenemen vanwege het permanente gebruik voor wonen. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 9.1 is overwogen, heeft het college voor het bepalen van eventuele hinder in de oude situatie echter niet hoeven uitgaan van garageboxen die alleen gebruikt werden voor het stallen van auto’s, maar heeft het daarbij ook geluidsproductie als gevolg van hobbymatig gebruik mogen betrekken. Gelet daarop heeft het college de toename van geluidhinder in redelijkheid als ‘beperkt’ kunnen aanmerken. De beroepsgrond slaagt niet.
De vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico is in de eerste plaats aan het college, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het moet deze vaststelling naar behoren motiveren. Als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechtbank de motivering en kan zij als de motivering niet volstaat, zelf in de zaak voorzien en de omvang van het normale maatschappelijke risico vaststellen door zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is. [2]
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de in de structuurvisie [plaats 2] gegeven toelichting op kleinschalige herstructurering in wijken en buurten niet kan worden afgeleid dat de structuurvisie [plaats 2] daarmee ook doelt op de wijziging van een bestemmingsplan om de bouw van nieuwe woningen mogelijk te maken. Dat betekent dat het college zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan past in de structuurvisie [plaats 2] . Het gevolg daarvan is dat er op dit punt geen strijdigheid bestaat tussen de structuurvisie [plaats 2] en de structuurvisie [plaats 1] . Bij de beoordeling van de vraag of de ontwikkeling past in het ruimtelijke beleid had het college dus mede de structuurvisie [plaats 1] moeten betrekken. Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel in de beide structuurvisies niet is aangewezen als inbreidingslocatie. Dat wil echter niet zeggen dat realisering van woning op in het geheel niet past binnen het beleid, want woningbouw is op de locatie ook niet expliciet uitgesloten.
Conclusie en gevolgen
Omdat aan de ene indicator (ruimtelijke structuur van omgeving) wel en aan de andere indicator (het gedurende een reeks van jaren gevoerde beleid) deels is voldaan, stelt de rechtbank het normaal maatschappelijk risico vast op 4%. Een normaal maatschappelijk risico van 4% (= € 30.000,-, namelijk 4% van € 750.000,-) betekent dat een tegemoetkoming in de planschade resteert van (€ 35.000,- minus € 30.000,- =) € 5.000,-. De rechtbank zal daarom de tegemoetkoming in planschade vaststellen op € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 7 november 2022, zijnde de dag van ontvangst van de aanvraag, tot aan de dag van uitbetaling.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 15 augustus 2024;
- herroept het primaire besluit van 21 december 2023, voor zover daarbij een tegemoetkoming in planschade is afgewezen;
- bepaalt dat het college aan eiseres als tegemoetkoming in planschade een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, betaalt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.