ECLI:NL:RBGEL:2026:1098

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
24/6787
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.19 Invoeringswet OmgevingswetArt. 6.1 WroArt. 6.2 WroArt. 5:50 BWArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt afwijzing planschade en stelt tegemoetkoming vast op €5.000

Eiseres diende een aanvraag in voor tegemoetkoming in planschade vanwege een nieuw bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt naast haar perceel. Het college wees de aanvraag af op basis van een adviesbureau dat een normaal maatschappelijk risico van 5% hanteerde, waardoor de schade niet werd vergoed.

De rechtbank oordeelt dat het college het oude planologische regime juist heeft toegepast, maar dat het percentage normaal maatschappelijk risico te hoog is vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan deels past binnen het planologische beleid, waardoor een lager risico van 4% passend is.

De rechtbank vernietigt het besluit van het college, herroept het primaire besluit en stelt de tegemoetkoming in planschade vast op €5.000,- plus wettelijke rente. Tevens veroordeelt zij het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

De rechtbank behandelt ook diverse beroepsgronden over bouwhoogte, gebruiksmogelijkheden en hinder, maar wijst deze af. De overgangsrechtelijke bepalingen van de Omgevingswet zijn toegepast, waarbij het oude recht van de Wet ruimtelijke ordening blijft gelden.

De uitspraak biedt een gedetailleerde analyse van het planologisch beleid, de ruimtelijke structuur en het toepasselijke risico, waarbij de rechtbank zelf in de zaak voorziet en het college corrigeert.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit en stelt een tegemoetkoming in planschade van €5.000,- vast.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6787

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. W. Leistra),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn

(gemachtigden: mr. R.S. Boersma en mr. L.A. Vos).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel [derde-partij] uit [plaats 1]

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de in stand gelaten afwijzing van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade voor het perceel aan de [locatie 1] in [plaats 1] . Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college weliswaar op de juiste manier een planvergelijking heeft gemaakt, maar dat het bij het vaststellen van de hoogte van planschade is uitgegaan van een te hoog percentage aan normaal maatschappelijk risico. Anders dan het college is de rechtbank van oordeel dat er uitgegaan moet worden van een lager normaal maatschappelijk risico – namelijk 4% in plaats van 5% – omdat onvoldoende is gebleken dat het bouwplan geheel past binnen het jarenlange gevoerde beleid. Zodoende heeft eiseres volgens de rechtbank recht op een tegemoetkoming in planschade van € 5.000,-. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.
- Heeft het college het oude planologische regime op de juiste manier toegepast?
Is het college uitgegaan van de juiste bouwhoogte?
Is het college uitgegaan van de juiste gebruiksmogelijkheden?
  • Heeft het college de omvang van de hinder in de nieuwe situatie juist gewaardeerd?
  • Heeft het college een normaal maatschappelijk risico van 5% kunnen aanhouden?
Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Het procesverloop

2. Eiseres woont op de [locatie 1] in [plaats 1] . Zij heeft bij het college een aanvraag om tegemoetkoming in planschade voor haar perceel ingediend vanwege de vaststelling van het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan 1] ’. Dit bestemmingsplan maakt de bouw mogelijk van twee-onder-één-kap woningen en vrijstaande woningen aan [locatie 2] in [plaats 1] op een perceel dat grenst aan het perceel van eiseres.
2.1.
Op 23 mei 2023 heeft het onafhankelijke planschadeadviesbureau Thorbecke een concept-planschadeadvies aan het college gegeven. Eiseres heeft op dit concept-advies een zienswijze gegeven.
2.2.
Op 22 november 2023 heeft Thorbecke een definitief planschadeadvies aan het college gegeven. Uit dat advies volgt – samengevat weergegeven – dat de waarde van de woning van eiseres voor peildatum € 750.000,- bedroeg en de waarde na de peildatum € 715.000,-. De hoogte van de planschade is dus € 35.000. Thorbecke heeft de hoogte van het normale maatschappelijke risico vastgesteld op 5% van de oorspronkelijke waarde, namelijk € 37.500. Omdat de hoogte van het normaal maatschappelijk risico hoger is dan de planschade, heeft Thorbecke het college geadviseerd de aanvraag af te wijzen.
2.3.
Het college heeft het advies van Thorbecke ten grondslag gelegd aan zijn besluit van 21 december 2023 en de aanvraag van eiseres afgewezen.
2.4.
Eiseres heeft op 23 januari 2024 bezwaar gemaakt. In de bezwaarprocedure heeft eiseres een deskundigenadvies van adviesbureau Langhout & Wiarda aan het college overgelegd.
2.5.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft adviesbureau Thorbecke twee nadere reacties aan het college gegeven.
2.6.
Bij beslissing op bezwaar van 15 augustus 2024 is het college op grond van de advisering door Thorbecke bij haar afwijzing gebleven.
2.7.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.8.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, de gemachtigden van het college, en derde-partij en zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de in stand gelaten afwijzing van de aanvraag van eiseres aan de hand van haar beroepsgronden.
Ingetrokken beroepsgrond
4. Tijdens de zitting heeft eiseres haar beroepsgrond over de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte ingetrokken.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
5. Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (de Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een aanvraag om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. De door eiseres in de aanvraag om een tegemoetkoming aangewezen oorzaak van de gestelde schade is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro. Dat betekent dat in dit geval de Wro zoals die gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Planologische vergelijking
6. Volgens vaste rechtspraak wordt voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade onderzocht of de aanvrager door de wijziging van het planologische regime die door de aanvrager als oorzaak van de schade is gesteld, in een nadeliger positie is komen te verkeren en daardoor schade lijdt of zal lijden. Hiertoe wordt voor de desbetreffende gronden een vergelijking gemaakt tussen deze wijziging en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat op grond van het oude en nieuwe planologische regime is toegestaan ongeacht of deze planologische mogelijkheden zijn benut. Slechts als en voor zover realisering van de planologische mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. [1] 6.1. In dit geval bestaat het oude planologische regime uit het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan 2] ’ uit 2012 (het oude bestemmingsplan). Daarin had het perceel grotendeels de bestemming ‘Wonen-Garageboxen’ en deels de bestemming ‘Verkeer-Verblijfsgebied’. Op het perceel rustte de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie hoog’. Het nieuwe planologische regime is het (postzegel)bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan 1] ’ (het nieuwe bestemmingsplan). Daarin heeft het perceel de bestemming ‘Wonen’ en de gebiedsaanduidingen ‘overige zone-hoge archeologische verwachting’ en ‘wetgevingszone-wijzigingsgebied realisatietermijn woningbouw’.
Is het college uitgegaan van de juiste mogelijkheden van het oude planologische regime?
7. Eiseres betoogt dat het college zich heeft gebaseerd op onjuiste planologische uitgangspunten van het oude bestemmingsplan. Het besluit is daarom onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank gaat hierna in de door eiseres in dit verband aangevoerde beroepsgronden.
Is het college uitgegaan van de juiste bouwhoogte?
8. Eiseres voert aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat met betrekking tot gebouwen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een bouwhoogte van meer dan zes meter in het oude bestemmingsplan is uitgesloten. Het college heeft toegegeven dat een maximale bouwhoogte per abuis niet is opgenomen in dit bestemmingsplan en baseert zich bij het bepalen van de bouwhoogte voor gebouwen daarom op gerealiseerde bebouwing op het naastgelegen perceel. Gelet op de in het oude bestemmingsplan aan het perceel gegeven bestemming ‘garageboxen’ moet volgens eiseres echter aangesloten worden bij de gangbare hoogte van een garagebox van 2,80 meter. Die hoogte gold ook onder het planologisch regime voorafgaand aan het oude bestemmingsplan en het oude bestemmingsplan had een conserverend karakter. Subsidiair moet volgens eiseres uitgegaan worden van een maximale bouwhoogte van vier meter. Op de gronden met de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ gold namelijk voor ‘autoboxen’ een maximale bouwhoogte van vier meter. Uit de toelichting van het oude bestemmingsplan blijkt ook dat bedoeld is geweest de bouwhoogte op vier meter te bepalen.
8.1.
In dit geval is op de verbeelding en in de planregels van het oude bestemmingsplan geen maximale bouwhoogte voor gebouwen opgenomen. Hoewel er dus geen maximale bouwhoogte geldt, stelt het college zich in navolging van het advies van Thorbecke op het standpunt dat niet kan worden uitgesloten dat gebouwen met een bouwhoogte tót zes meter gebouwd zouden worden bijvoorbeeld in de vorm van dubbele garageboxen. Het college acht dit ook aannemelijk omdat op het naastgelegen perceel ook een bouwwerk (garage met een kap) met een hoogte van zes meter is gebouwd, terwijl dit perceel dezelfde bestemming had (hoewel daarop volgens de planverbeelding wel een maximale bouwhoogte van zes meter is toegestaan). Het is volgens het college evenwel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten dat bouwwerken met een hoogte van méér dan zes meter zouden worden opgericht.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat voor gebouwen een bouwhoogte tot zes meter niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid valt uit te sluiten. Zoals het college terecht stelt, past deze bouwhoogte ook bij de maximale toegestane bouwhoogte van het bestaande naastgelegen gebouw dat is gebouwd op gronden met dezelfde bestemming ‘Wonen – Garageboxen’ en dat qua omvang vergelijkbaar is met het perceel waar het in deze zaak om gaat. Dat toont aan dat een bouwhoogte van zes meter feitelijk uitvoerbaar is in een bouwvlak met dezelfde diepte als het onderliggende perceel. De stelling van eiseres dat op het zuidelijk deel van het naastgelegen perceel buiten het bouwvlak is gebouwd en dat binnen het bouwvlak geen gebouw van zes meter hoog kan worden gebouwd, is onvoldoende onderbouwd en geeft voor de rechtbank geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. Omdat het college voldoende heeft gemotiveerd dat een bouwhoogte tot zes meter niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, is er geen aanleiding om uit te gaan van een hoogte van 2,80 meter of 4 meter. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het college uitgegaan van de juiste gebruiksmogelijkheden?
9. Eiseres voert aan dat het college is uitgegaan van een onjuiste gebruiksmogelijkheid in de oude situatie en heeft daarmee miskend dat de gebruiksintensivering die het nieuwe bestemmingsplan mogelijk maakt veel groter is. Het college gaat er volgens eiseres ten onrechte vanuit dat in de garageboxen ook hobbymatig kon worden geklust. Materieel heeft het perceel geen woonbestemming en is het enkel bedoeld voor garageboxen. Het begrip garagebox is niet gedefinieerd in het oude bestemmingsplan. Dat betekent dat voor de uitleg daarvan aangesloten moet worden bij het normale spraakgebruik. Op grond daarvan en van het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse Taal moet volgens eiseres worden aangenomen dat een garagebox alleen is bestemd voor het stallen van één auto. Hobbymatig klussen is dus niet mogelijk. Het college mocht er daarom bij het bepalen van de gebruiksintensivering niet vanuit gaat dat onder het oude bestemmingsplan ook ruimtelijke gevolgen konden optreden van hobbymatig klussen in de garageboxen.
9.1.
De rechtbank oordeelt dat het college zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de garageboxen zijn bedoeld voor de functie wonen. Dit blijkt ook uit de naamstelling van de bestemming ‘Wonen – Garageboxen’. Het college heeft terecht het standpunt ingenomen dat hieruit volgt dat de garageboxen hobbymatig kunnen worden gebruikt bij de woonbestemming en dat hierin dus ook hobbymatig mocht worden geklust. De ruimtelijke effecten daarvan heeft het college dan ook mogen betrekken in zijn beoordeling van de gebruiksintensivering. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college de hinder in de nieuwe situatie juist gewaardeerd?
10. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte de aantasting van de privacy als ‘middelzwaar’ heeft beoordeeld en de toename van geluidhinder als ‘beperkt’. Met het advies van Langhout & Wiarda heeft eiseres aangetoond dat haar privacy ingrijpend verandert. In de nieuwe woningen zijn dakramen mogelijk. Binnen twee meter afstand van de erfgrens zijn ramen (in een dakkapel) van melkglas mogelijk, en buiten die twee meter ramen (in een dakkapel) zonder melkglas mogelijk, in beide gevallen zal dat leiden tot een zware aantasting van de privacy van eiseres. Daarnaast is sprake van een forse toename van het geluid. De garageboxen konden alleen worden gebruikt voor het stallen van auto’s en voor berging.
10.1.
Het college stelt zich terecht op het standpunt dat artikel 5:50 van Pro het Burgerlijk Wetboek regels stelt over privacy van naastgelegen buren. Het college erkent dat eiseres door de mogelijkheid van een dakraam of een dakkapel vanuit de woningen wel meer permanente inkijkhinder heeft te dulden vanwege het intensievere gebruik van de woonfunctie in de nieuwe situatie. De rechtbank is van oordeel dat het college de mate van toename van inkijkhinder door de mogelijkheid van een dakraam of dakkapel in de woningen in redelijkheid als ‘middelzwaar’ heeft kunnen aanmerken, omdat de eerste verdieping van de woningen niet als een volledige woonlaag kan worden gebruikt vanwege het verschil tussen de voorgeschreven maximale goothoogte en maximale nokhoogte die tot gevolg heeft dat een volwassen persoon op de eerste verdieping niet kan staan. De stelling van eiseres dat de woningen ook verdiept kunnen worden gebouwd waardoor wel een volwaardige verdieping kan ontstaan, heeft het college terecht niet gevolgd. Uit artikel 5.1, onder d, van de planregels van het nieuwe bestemmingsplan volgt dat ondergronds alleen ruimten zijn toegestaan die een functionele eenheid vormen met de ter plaatse toegestane functies zoals (huishoudelijke) bergruimten, parkeerruimten en fietsenstallingen. Dat betekent dat het niet mogelijk is gedeeltelijk ondergronds een volledige woon-leefruimte te bouwen tezamen met een volwaardige eerste verdieping. Gelet hierop geeft hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het standpunt van het college op dit punt onvoldoende gemotiveerd is.
Ook erkent het college dat de geluidhinder kan toenemen vanwege het permanente gebruik voor wonen. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 9.1 is overwogen, heeft het college voor het bepalen van eventuele hinder in de oude situatie echter niet hoeven uitgaan van garageboxen die alleen gebruikt werden voor het stallen van auto’s, maar heeft het daarbij ook geluidsproductie als gevolg van hobbymatig gebruik mogen betrekken. Gelet daarop heeft het college de toename van geluidhinder in redelijkheid als ‘beperkt’ kunnen aanmerken. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college een normaal maatschappelijk risico van 5% kunnen aanhouden?
11. Eiseres betoogt dat het college de hoogte van het normaal maatschappelijk risico onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens haar past de ontwikkeling niet in de ruimtelijke structuur van de omgeving, vanwege de beperkte breedte van [locatie 2] . Daarbij komt dat de omliggende percelen een ruime opzet hebben, terwijl dat in het nieuwe bestemmingsplan niet het geval is. Eisers voert verder aan dat de ontwikkeling ook niet past binnen een gedurende een reeks van jaren gevoerd beleid. Volgens haar verwijst het college ten onrechte naar de in 2013 opgestelde structuurvisie ‘ [structuurvisie 1] ’ (structuurvisie [plaats 2] ), terwijl in dit geval de structuurvisie ‘ [structuurvisie 2] ’ (structuurvisie [plaats 1] ) uit 2009 moet worden gehanteerd. Verder kan uit de Woonagenda 2018-2021 niet worden afgeleid dat de ontwikkeling past in het beleid. Omdat de ontwikkeling naar aard en omvang niet past binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en niet binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde beleid had het college het normaal maatschappelijk risico op 2% moeten bepalen, aldus eiseres.
Wijze van beoordelen
11.1.
De Afdeling heeft voor het bepalen van de hoogte van de drempel van normaal maatschappelijk risico de volgende handvatten gegeven. Indien de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past, mag het bestuursorgaan een drempel van 5% van de waarde van de onroerende zaak toepassen. Indien aan één van beide indicatoren maar voor een deel wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 4% in beginsel aangewezen. Indien aan één van beide indicatoren in zijn geheel niet wordt voldaan of indien aan beide indicatoren deels wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 3% in beginsel aangewezen. Indien slechts aan één van beide indicatoren voor een deel wordt voldaan, of indien aan beide indicatoren in het geheel niet wordt voldaan, is in beginsel het toepassen van het minimumforfait van 2%, zoals bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro, aangewezen.
De vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico is in de eerste plaats aan het college, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het moet deze vaststelling naar behoren motiveren. Als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechtbank de motivering en kan zij als de motivering niet volstaat, zelf in de zaak voorzien en de omvang van het normale maatschappelijke risico vaststellen door zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is. [2]
Ruimtelijke structuur van de omgeving
11.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de beantwoording van de vraag wat de ruimtelijke structuur van de omgeving in een concreet geval inhoudt, als uitgangspunt geldt dat deze bepaald wordt door het planologische regime dat, onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van de schadeveroorzakende planologische maatregel, gold voor de directe omgeving van het plangebied van de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel. Aan de feitelijke inrichting van het plangebied of de directe omgeving daarvan, onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van de schadeveroorzakende planologische maatregel, komt dus in beginsel geen betekenis toe. Verder is de nieuwe ruimtelijke structuur, die is ontstaan onder het regime van de beweerdelijk schadeveroorzakende maatregel, niet van belang. [3]
11.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college in dit geval voldoende heeft gemotiveerd waarom het bouwplan past binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving. Zoals door het college toegelicht is het perceel omsloten door woonbestemmingen en detailhandelsbestemmingen. In die laatste bestemming is wonen op de verdiepingen toegestaan. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het nieuwe bestemmingsplan, dat de bouw van woningen mogelijk maakt, past binnen deze omgeving. Verder is de in het nieuwe bestemmingsplan toegestane bouwhoogte vergelijkbaar met de toegestane bouwhoogte van de omliggende bebouwing die voornamelijk bestaat uit minimaal één bouwlaag met een kapverdieping.
Jarenlang gevoerde ruimtelijke beleid
11.4.
Met betrekking tot de vraag of de ontwikkeling past binnen het jarenlang gevoerde ruimtelijke beleid, stelt het college zich op het standpunt dat het bouwplan past binnen het jarenlang gevoerde gemeentelijke beleid, zoals dat is neergelegd in de structuurvisie [plaats 2] . Daarin wordt onder meer gesproken over ‘dynamo’s voor vernieuwing’, zoals kleinschalige herstructurering in wijken en buurten. Volgens het college wordt hiermee gedoeld op het soort ontwikkelingen dat heeft geleid tot de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan. Het college merkt verder op dat het perceel in de structuurvisie [plaats 1] niet valt onder een in- of uitbreidingslocatie, zodat de beide structuurvisies op dit punt strijdig zijn met elkaar. Uit de structuurvisie [plaats 2] volgt dat in dat geval de structuurvisie [plaats 2] voorgaat. Het college heeft verder gesteld dat de bouw van de woningen past in de Woonagenda 2018-2021 die voor de hele gemeente geldt.
11.5.
In de structuurvisie [plaats 2] (uit 2013) is opgenomen dat er structuurvisies zijn voor een aantal dorpen en gebieden in de stad, die vaak gedetailleerder van inhoud zijn. Deze blijven van kracht voor zover ze niet strijdig zijn met de structuurvisie [plaats 2] . Dat betekent dat de structuurvisie [plaats 1] (uit 2009) van kracht blijft, tenzij deze in strijd is met de structuurvisie [plaats 2] .
11.6.
De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte een strijdigheid aanneemt tussen de structuurvisie [plaats 1] en de structuurvisie [plaats 2] . In de structuurvisie [plaats 2] staan zogeheten ‘dynamo’s voor vernieuwing’. In dat verband wordt onder meer gesproken over kleinschalige herstructurering in wijken en buurten. Uit de structuurvisie volgt dat hiermee gedoeld wordt op kwaliteitsimpulsen om onder meer de woontevredenheid te waarborgen. Daarbij moet volgens de structuurvisie [plaats 2] worden gedacht aan het kwalitatief aanpassen van woningen aan verschuivingen in de vraag, aan het levensloopbestendig maken van woningen en het bouwtechnisch en energetisch aanpassen daarvan. Ook gaat het om hergebruik van leegkomende scholen of locaties, verbetering van waterberging en beheer van openbare ruimte. In de structuurvisie staat: “Kleine herstructureringsopgaven dus, waarmee als een soort acupunctuur de leefkwaliteit van een wijk op buurt kan worden verbeterd.” Dit speelt in een aantal wijken die met name genoemd worden. De kern [plaats 1] staat daar echter niet bij.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de in de structuurvisie [plaats 2] gegeven toelichting op kleinschalige herstructurering in wijken en buurten niet kan worden afgeleid dat de structuurvisie [plaats 2] daarmee ook doelt op de wijziging van een bestemmingsplan om de bouw van nieuwe woningen mogelijk te maken. Dat betekent dat het college zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan past in de structuurvisie [plaats 2] . Het gevolg daarvan is dat er op dit punt geen strijdigheid bestaat tussen de structuurvisie [plaats 2] en de structuurvisie [plaats 1] . Bij de beoordeling van de vraag of de ontwikkeling past in het ruimtelijke beleid had het college dus mede de structuurvisie [plaats 1] moeten betrekken. Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel in de beide structuurvisies niet is aangewezen als inbreidingslocatie. Dat wil echter niet zeggen dat realisering van woning op in het geheel niet past binnen het beleid, want woningbouw is op de locatie ook niet expliciet uitgesloten.
11.7.
De rechtbank is verder van oordeel dat ook uit de Woonagenda 2018-2021 zonder meer niet kan worden afgeleid dat op het perceel woningen zullen komen. Weliswaar is het initiatief niet in strijd met de Woonagenda, maar eiseres betoogt terecht dat dat enkele feit onvoldoende is om aan te nemen dat de ontwikkeling past in het door het college gevoerde planologische beleid. [4] De rechtbank is daarom van oordeel dat het college zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan volledig past binnen het jarenlange beleid. Omdat het beleid de locatie niet specifiek aanwijst voor woningbouw, maar dat ook niet uitsluit, is de rechtbank van oordeel dat de ontwikkeling deels past binnen het door het gevoerde planologische beleid. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 15 augustus 2024 wegens strijd met de artikelen 7:12, eerste lid en artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en zelf de hoogte van het normaal maatschappelijk risico en de tegemoetkoming in de planschade vast te stellen.
Omdat aan de ene indicator (ruimtelijke structuur van omgeving) wel en aan de andere indicator (het gedurende een reeks van jaren gevoerde beleid) deels is voldaan, stelt de rechtbank het normaal maatschappelijk risico vast op 4%. Een normaal maatschappelijk risico van 4% (= € 30.000,-, namelijk 4% van € 750.000,-) betekent dat een tegemoetkoming in de planschade resteert van (€ 35.000,- minus € 30.000,- =) € 5.000,-. De rechtbank zal daarom de tegemoetkoming in planschade vaststellen op € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 7 november 2022, zijnde de dag van ontvangst van de aanvraag, tot aan de dag van uitbetaling.
12.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Haar gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt daarom in bezwaar € 1.332,- en in beroep € 1.868,-, gezamenlijk uitkomend op € 3.200,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 15 augustus 2024;
  • herroept het primaire besluit van 21 december 2023, voor zover daarbij een tegemoetkoming in planschade is afgewezen;
  • bepaalt dat het college aan eiseres als tegemoetkoming in planschade een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, betaalt;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, onder 10 en 11.
2.ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690 onder 100, 109 en 110.
3.ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, onder 99.
4.ABRvS 19 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3208, onder 4.4.