ECLI:NL:RBGEL:2025:9783

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
C/05/442647 / ES RK 24-465
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en kwalificatie van bruidsgave als sui generis

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 18 november 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingsprocedure tussen een man en een vrouw, die in beperkte gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en daarbij de partneralimentatie vastgesteld op € 551 per maand, te betalen door de man aan de vrouw, vanaf het moment dat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw had verzocht om een hogere alimentatie, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat de man niet meer kan betalen dan het vastgestelde bedrag, rekening houdend met zijn draagkracht.

Daarnaast heeft de rechtbank zich gebogen over de vraag of de bruidsgave, de zogenaamde 'mihir', als een sui generis moet worden gekwalificeerd. De vrouw stelde dat de man een bedrag van € 7.000 aan haar verschuldigd was als bruidsgave, maar de rechtbank oordeelde dat de man aan zijn verplichtingen had voldaan door substantiële betalingen na het feitelijk uiteengaan van partijen. De rechtbank heeft de kwalificatie van de bruidsgave als sui generis gevolgd, wat betekent dat deze niet valt onder de gemeenschap van goederen. De rechtbank heeft verder verzoeken van de man en vrouw over schulden en vergoedingsrechten afgewezen, omdat deze onvoldoende onderbouwd waren.

De uitspraak benadrukt de noodzaak van duidelijke onderbouwing van financiële verzoeken in echtscheidingsprocedures en de complexiteit van het omgaan met religieuze huwelijksafspraken binnen het Nederlandse rechtssysteem. De rechtbank heeft de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de echtscheiding zelf, die pas effect heeft na inschrijving.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team familierecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/442647 / ES RK 24-465 (echtscheiding)
C/05/449536 / FA RK 25-1095 (huwelijksvermogensrecht)
Datum uitspraak: 18 november 2025
beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[naam man](nader te noemen: de man),
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. U. Yildirim te Zwolle,
tegen
[naam vrouw](nader te noemen: de vrouw),
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. B. Anik te Arnhem.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift, ingekomen op 16 oktober 2024;
  • het exploot van betekening van 4 november 2024;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, ingekomen op 13 januari 2025;
  • het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, ingekomen op 7 maart 2025;
  • het F9-formulier met bijlagen van de vrouw met een aanvullend verzoek partneralimentatie, ingekomen op 26 maart 2025;
  • het (aangepaste) formulier verdelen en verrekenen van de man, ingekomen op 28 maart 2025;
  • producties 8 t/m 10 van de man, ingekomen op 28 maart 2025;
  • het F9-formulier met bijlage van de vrouw, ingekomen op 28 maart 2025;
  • het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 3 oktober 2025;
  • het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 6 oktober 2025.
1.2.
De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 16 oktober 2025 met gesloten deuren. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in de gemeente [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen.
2.2.
Zij hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.De beoordeling

3.1.
Partijen zijn het eens over, althans er is geen verweer gevoerd tegen de duurzame ontwrichting van het huwelijk zodat tussen hen de echtscheiding kan worden uitgesproken op verzoek van beide partijen. De rechtbank zal zo beslissen.
3.2.
Partijen zijn het niet eens over:
  • de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw (de partneralimentatie);
  • de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.
Deze onderwerpen komen hierna aan de orde.
3.3.
Tijdens de zitting heeft de vrouw haar verzoek over het voortgezet gebruik van de echtelijke woning ingetrokken, omdat de woning al is verkocht aan een derde.
De partneralimentatie
3.4.
De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man een bedrag van € 1.727 per maand aan haar betaalt als partneralimentatie. De man voert een behoeftigheid- en draagkrachtverweer.
ingangsdatum
3.5.
De partneralimentatie kan volgens de wet niet eerder ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (bij de gemeente).
huwelijksgerelateerde behoefte
3.6.
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd.
Partijen zijn het met elkaar eens dat de behoefte van de vrouw € 3.388 per maand is.
behoeftigheid
3.7.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag te verdienen. Als zij daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’.
3.8.
Gebleken is dat de vrouw op dit moment studeert. Zij heeft een ‘Leerlingarbeid- en stageovereenkomst’ overgelegd van [naam organisatie] . Hieruit blijkt dat de vrouw 16 uur per week werkt en daarnaast 16 uur per week stage loopt bij haar werkgever. Voor haar werkuren ontvangt de vrouw € 16,32 per uur en voor haar stage ontvangt de vrouw € 150 per maand. Verder stelt de vrouw dat zij studiefinanciering ontvangt van in totaal € 855 per maand. Voor zover de vrouw stelt dat een deel hiervan om een lening gaat, heeft zij dit onvoldoende onderbouwd. Daarnaast heeft de vrouw aangegeven dat zij al tien jaar studeert en dat zij om die reden haar studieschuld van € 53.215,20 moet terugbetalen. Voor zover de vrouw stelt dat hiermee rekening moet worden gehouden bij de berekening van haar aanvullende behoefte, heeft zij dit onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt met welk bedrag per maand zij haar studieschuld moet aflossen. De rechtbank telt de door de vrouw gestelde studiefinanciering daarom op bij haar netto besteedbaar inkomen.
3.9.
De stelling van de man dat de vrouw helemaal niet behoeftig is, omdat zij € 60.000 heeft ontvangen uit de overwaarde van de (verkochte) echtelijke woning, volgt de rechtbank niet. Het enkele feit dat iemand vermogen heeft, betekent niet direct dat er geen aanvullende behoefte meer bestaat. Van de vrouw kan daarnaast niet worden verwacht dat zij de overwaarde gebruikt om (structureel) in haar levensonderhoud te voorzien.
3.10.
Gelet op het voorgaande is het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 2.172 per maand. Als dit inkomen in mindering wordt gebracht op voormelde huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.388 netto per maand, resteert een aanvullende behoefte van € 1.216 netto per maand. Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog belasting afdragen. Daarom bruteert de rechtbank voormeld netto bedrag tot € 2.206 per maand. [1]
draagkracht man
3.11.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man die bijdrage kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd.
3.12.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 60% [NBI – (NBI X 0,3 + 1310)].
3.13.
Het NBI berekent de rechtbank op basis van de overlegde loonstroken over januari, februari, juli, augustus en september 2025. De man werkte eerder als zzp’er, maar is per 1 januari 2025 in loondienst getreden. Op dit moment werkt de man 24 uur per week in loondienst tegen een basissalaris van € 2.785,33 bruto per maand, en voor het overige nog als zzp’er. De man wil op korte termijn echter fulltime in loondienst gaan werken. Om die reden houdt de rechtbank rekening met een fictief basissalaris bij de man op basis van een 36-urige werkweek. Dit komt neer op € 4.178 per maand. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de eindejaarsuitkering van de man. Partijen zijn het met elkaar eens dat verder rekening gehouden moet worden met de onregelmatigheidstoeslag (ORT), alleen niet over de manier waarop dit berekend moet worden. De rechtbank stelt de door de man te ontvangen ORT vast op basis van (het gemiddelde van) de vijf overgelegde loonstroken over 2025. De rechtbank heeft berekend dat de man in de hiervoor genoemde maanden feitelijk € 2.381,72 aan ORT heeft ontvangen, oftewel € 476,34 per maand. Op basis van een 36-urige werkweek is dit
afgerond € 714 per maand.
Ten slotte houdt de rechtbank rekening met een fictief bedrag aan ingehouden premies op basis van een 36-urige werkweek. Het NBI is dan € 3.596 per maand.
3.14.
Daarbij heeft de rechtbank ook nog gerekend met een last van € 581 per maand vanwege een gezamenlijke Belastingschuld van partijen over het jaar 2022, waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. De man lost deze schuld echter zelf af conform een met de Belastingdienst overeengekomen betalingsregeling. Uit de brief van de Belastingdienst van 30 september 2022 aan de man blijkt dat de schuld uiterlijk 30 september 2027 afgelost moet zijn. Daarnaast is gebleken dat de schuld is ontstaan omdat de man in de coronaperiode uitstel van betaling heeft gekregen om de aanslag te betalen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de schuld niet vermijdbaar is of verwijtbaar, zoals de vrouw stelt.
3.15.
De rechtbank heeft ook gerekend met een last van € 51,41 per maand vanwege de schuld van de man bij DUO van € 9.623,44. Deze last is aangetoond en is voor de man niet vermijdbaar en valt hem niet te verwijten. De vrouw stelt dat het niet zo kan zijn dat er bij haar geen rekening wordt gehouden met de studieschuld en bij de man wel. Dit standpunt volgt de rechtbank niet. Bij de berekening van de draagkracht gaat het om de vraag wat iemand feitelijk overhoudt om alimentatie te kunnen betalen, terwijl het bij de berekening van de aanvullende behoefte gaat om de vraag wat iemand nodig heeft om op het eerdere welstandsniveau te kunnen blijven leven. De studieschuld van de vrouw had geen invloed op het gezamenlijke uitgavenpatroon van partijen, maar de studieschuld van de man heeft wel invloed op wat de man nu feitelijk kan betalen.
3.16.
De rechtbank houdt geen rekening met de kosten die de man maakt in verband met zijn private lease auto. De man stelt dat hij deze gebruikt voor zijn werk als zelfstandig ondernemer. De rechtbank gaat er echter van uit dat de man op korte termijn fulltime in loondienst werkzaam zal zijn en heeft hiermee ook rekening gehouden bij de berekening van zijn NBI.
3.17.
Op basis van de hiervoor genoemde formule en uitgangspunten is er dan een bedrag beschikbaar van € 345 netto per maand. [2]
3.18.
Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting. Door dat belastingvoordeel kan de man meer partneralimentatie betalen. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man op een bedrag van € 551 bruto per maand. Dit is het bedrag wat de man aan partneralimentatie moet betalen.
De vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk
De beperkte gemeenschap
3.19.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.
3.20.
De huwelijksgemeenschap is ontbonden op 16 oktober 2024 door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. De ontbonden wettelijke beperkte huwelijksgemeenschap bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk al gemeenschappelijk waren en uit de goederen en schulden die tijdens het huwelijk zijn verkregen of aangegaan. Dit geldt niet voor schulden die betrekking hebben op goederen die buiten de gemeenschap vallen. Die schulden vallen niet in de gemeenschap (artikel 1:94 tweede lid en zevende lid BW).
De woning in Turkije
3.21.
De man verzoekt in zijn brief van 3 oktober 2025 te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de waarde van de woning in Turkije aan de man. De man stelt dat partijen in 2021 een woning in Turkije hebben gekocht en dat deze woning na de peildatum is verkocht aan de moeder van de vrouw. De man wil delen in de opbrengst van de woning. De vrouw betwist dat partijen een woning in Turkije hebben of hadden. Wel heeft de woning van de ouders van de vrouw tijdelijk op naam van partijen gestaan.
De rechtbank overweegt dat de man zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat het verzoek te onbepaald is. De man heeft niet gevraagd om verdeling van de beperkte gemeenschap, hij heeft ook niet aangegeven welke bestanddelen de beperkte gemeenschap verder omvat. Verder geeft hij niet aan om welke woning in Turkije het precies gaat, hoe de woning het eigendom zou zijn geworden van partijen, laat staan wat de waarde is van de woning. Daarbij heeft de man zijn verzoek zo laat ingediend dat het voor de vrouw niet mogelijk was om haar betwisting goed te onderbouwen. De rechtbank wijst het verzoek van de man daarom af.
De schulden
3.22.
De man verzoekt:
  • te bepalen dat de schuld van € 1.473 aan [naam 1] door beide partijen bij helfte wordt betaald, althans een verklaring voor recht dat deze schuld gezamenlijk is en dat partijen beiden draagplichtig zijn, ieder voor de helft. Indien en voor zover de man meer betaalt dan zijn deel van deze schuld, dient te worden bepaald dat de vrouw wordt veroordeeld op basis van een regresvordering tot betaling van de helft van dit bedrag aan de man;
  • te bepalen dat de resterende schuld op de peildatum van € 4.096,28 aan [naam 2] door beide partijen bij helfte wordt betaald, althans een verklaring voor recht dat deze schuld gezamenlijk is en dat partijen beiden draagplichtig zijn, ieder voor de helft. Indien en voor zover de man meer betaalt dan zijn deel van deze schuld, dient te worden bepaald dat de vrouw wordt veroordeeld op basis van een regresvordering tot betaling van de helft van dit bedrag aan de man.
3.23.
Tijdens de zitting heeft de vrouw erkend dat zij voor de helft draagplichtig is voor de huwelijkse schulden en dat als de man meer dan de helft van de schuld betaalt, hij voor dat deel een regresvordering op haar heeft. De rechtbank kan de vrouw niet veroordelen om een bedrag aan de man te betalen, omdat niet is gebleken dat de man de door hem genoemde huwelijkse schulden op de peildatum daadwerkelijk voor meer dan de helft heeft voldaan. Ook is niet duidelijk welke bedragen nog precies openstaan. Bij een algemene verklaring voor recht heeft de man geen belang, omdat dit ook zo in de wet staat. De rechtbank gaat ervan uit dat zodra dit wel het geval is, partijen dit onderling regelen. Daarom wijst de rechtbank de verzoeken van de man af.
Het vergoedingsrecht van de vrouw op de man
3.24.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man veroordeeld wordt tot terugbetaling van
€ 4.000 aan de vrouw zijnde het vergoedingsrecht van de vrouw;
3.25.
Gebleken is dat de vrouw in 2020 € 34.000 aan smartengeld heeft gekregen. Volgens de vrouw heeft zij hiervan € 4.000 aan de man geleend en moet de man dit nog terugbetalen. De man betwist dat hij in het verleden € 4.000 van de vrouw heeft geleend. De vrouw heeft haar verzoek op geen enkele manier onderbouwd. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af.
De mihir
3.26.
De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man veroordeeld wordt tot betaling van € 7.000 aan de vrouw omdat dit bedrag is afgesproken als mihir (bruidsgave).
Rechtsmacht
3.27.
Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de bruidsgave waarbij het verzoek over de bruidsgave kan worden aangemerkt als voorziening in de zin van artikel lid 1 sub f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
3.28.
Gebleken is dat partijen een islamitisch huwelijk hebben gesloten. Tussen partijen is niet in geschil dat zij een mihir (bruidsgave) hebben afgesproken van € 7.000, maar wel of de man deze (nog) moet betalen. De man stelt primair dat de afspraak over de mihir in de gemeenschap valt, waardoor de vordering van de vrouw en de schuld van de man door vermenging teniet zijn gegaan. Hij verwijst hiervoor naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 maart 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:779). De rechtbank begrijpt het subsidiaire standpunt van de man zodanig dat hij stelt dat hij de mihir al heeft betaald, doordat hij na het feitelijk uiteengaan van partijen € 7.841,19 aan de vrouw heeft betaald. De man heeft van de imam begrepen dat deze betalingen kunnen worden gezien als betalingen in het kader van de mihir.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de mihir juridisch gekwalificeerd kan worden als een sui generis, die los staat van de beperkte gemeenschap en los staat van de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. De betalingen die de man na het feitelijk uiteengaan heeft betaald, kunnen daarom niet worden gezien als betalingen in het kader van de mihir. De man moet deze daarom alsnog betalen.
Kwalificatie van de bruidsgave
3.29.
De rechtbank stelt vast dat er in de rechtspraak heel verschillend wordt omgegaan met de vraag hoe de mihir juridisch gekwalificeerd moet worden. De Hoge Raad heeft zich hierover nog niet uitgelaten. Dat geldt met name voor de situatie waarin partijen de Nederlandse nationaliteit hebben en in Nederland zijn getrouwd. Er is dan geen (specifiek) buitenlands rechtstelsel van toepassing. In de uitspraak waar de man naar verwijst was de rechtbank van oordeel dat de mihir weliswaar een apart rechtsfiguur is, maar dat hieraan vooral een religieuze betekenis aan moet worden toegekend en dat de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door het Nederlands recht. Om die reden heeft de rechtbank geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat partijen een rechtens afdwingbare vordering zijn overeengekomen die aan de vrouw verknocht is en dus in de gemeenschap van goederen valt. Ook het Gerechtshof Den Haag kwam in een andere recente uitspraak tot die conclusie (ECLI:NL:GHDHA:2025:2113). In andere uitspraken, onder meer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 juli 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:4666) en van het Gerechtshof Amsterdam van 30 juli 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:2141) is aangenomen dat de mihir moet worden gezien als een sui generis, ook al is het Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime. De stelling dat de bruidsgave in de huwelijkse gemeenschap is gevallen gaat dan niet op omdat het hier een bijzondere overeenkomst betreft.
3.30.
De rechtbank volgt in dit geval het standpunt van de vrouw dat de mihir gekwalificeerd moet worden als een ‘sui generis’ en dus als een op zichzelf staand rechtsfiguur die naar islamitisch recht moet worden beoordeeld. Dat betekent ook dat de bruidsgave niet teniet gaat in de gemeenschap van goederen, maar daar los van staat. De rechtbank stelt vast dat een ander oordeel ertoe zou leiden dat partijen bij een religieus huwelijk feitelijk geen (afdwingbare) bruidsgave of mihir kunnen afspreken, anders dan via huwelijkse voorwaarden. Dit zou ten koste gaat van de autonomie van partijen om eigen religieuze afspraken te maken die gebruikelijk zijn in het islamitische recht. Het is daarbij naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk om goed te kijken naar de bedoeling van partijen bij de gemaakte religieuze afspraken (vergelijk met Haviltex) om te beoordelen of de verplichting in het licht van de islamitische regels en de redelijkheid ook echt in de volle omvang verschuldigd is.
3.31.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat er een mihir is afgesproken, ook al zijn er geen stukken over in het geding gebracht. Over de bedoeling van de mihir en de religieuze regels ervan hebben partijen zich slechts beperkt uitgelaten. De vrouw heeft vooral benadrukt dat het een symbolische betekenis heeft, de man geeft aan dat de mihir (onder andere) bedoeld is om ervoor te zorgen dat de vrouw na een echtscheiding in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De man heeft verder onweersproken gesteld dat hij na het feitelijk uiteengaan van partijen meerdere bedragen aan de vrouw heeft betaald die volgens hem moeten worden gezien als het voldoen van zijn religieuze verplichting uit hoofde van de mihir. Hij heeft dit ook overlegd met de imam. Uit de bankafschriften die de man heeft overgelegd blijkt van substantiële betalingen die het bedrag van de overeengekomen mihir overstijgen. De vrouw heeft onvoldoende betwist dat de gedane betalingen gezien kunnen worden als aflossing van de verplichtingen uit hoofde van de mihir. Dat die betalingen (ook) zagen op het levensonderhoud op de vrouw is hiervoor onvoldoende, mede omdat de mihir ook gezien kan worden als nakoming van de verplichting de vrouw goed achter te laten. Het is de rechtbank daarom niet duidelijk geworden waarom de man nog meer zou moeten betalen. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat de man aan zijn verplichtingen heeft voldaan. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw af.
Het vergoedingsrecht van de vrouw op de eenvoudige gemeenschap
3.32.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap, zijnde de woning aan de [adres] van € 16.000 welk bedrag verhoogd dient te worden op basis van de beleggingstheorie
3.33.
Gebleken is dat partijen tijdens het huwelijk goud hebben verkocht voor € 16.000. Niet ter discussie staat dat partijen dit bedrag hebben geïnvesteerd in de echtelijke woning. Volgens de vrouw was het goud tijdens het huwelijksfeest aan haar in privé geschonken en niet aan partijen gezamenlijk. De vrouw vindt daarom dat de opbrengst van het goud privévermogen betrof en dat zij nu een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van goederen. De man stelt echter dat het goud aan beide partijen is geschonken en dat de vrouw dus geen vergoedingsrecht heeft. De man heeft dit onderbouwd met een verklaring van zijn familie waaruit blijkt dat zij het goud aan beide partijen hebben geschonken.
3.34.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af. De vrouw heeft gezien de betwisting van de man onvoldoende onderbouwd dat het betreffende goud aan haar in privé is geschonken. Dat de vrouw tijdens de huwelijkssluiting goud omgehangen heeft gekregen, maakt dit niet anders omdat dit niets zegt over aan wie het is geschonken. Dit betekent dat het goud in de huwelijksgemeenschap is gevallen en dat het geld na de verkoop van het goud tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren. De vordering van de vrouw zal worden afgewezen.
De verrekenvordering
3.35.
De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld op basis van een regresvordering tot betaling van de helft van de gemeentelijke belastingen 2025 (van in totaal € 852,02) aan de man.
3.36.
De rechtbank wijst het verzoek af. De man heeft de betreffende aanslag overgelegd waaruit blijkt dat hij in verband met de inmiddels verkochte woning belasting moet betalen. Het gaat hier niet om een zogeheten gemeenschapsschuld, omdat de gemeenschap al op 16 oktober 2024 is ontbonden. De man heeft niet aangegeven op grond waarvan de vrouw wel draagplichtig is voor deze schuld en zo ja, voor welk deel (alleen voor de eigenaarslaten of ook voor de gebruikerslasten). Daarnaast blijkt niet uit de overgelegde stukken dat de man de schuld daadwerkelijk heeft voldaan.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.37.
De rechtbank verklaart de beslissingen ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding zelf verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] in de gemeente [huwelijksplaats] ;
4.2.
bepaalt dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud moet betalen € 551 per maand en wel vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
4.3.
verklaart de onder 4.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. B. Krijnen, rechter, in tegenwoordigheid van
S.C. Dijksterhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Bijlage 1: aanvullende behoefte vrouw
Bijlage 2: draagkracht man

Voetnoten

1.Bijlage 1: brutering aanvullende huwelijksgerelateerde behoefte
2.Bijlage 2: draagkracht van de man