Voorgeschiedenis en totstandkoming van het besluit
1. Op 22 mei 2003 heeft de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan de rechtsvoorganger van [derde-partij] een natuurvergunning verleend voor het wijzigen en uitbreiden van een bestaand kampeerterrein (hierna: het recreatieterrein) op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet. Deze natuurvergunning heeft betrekking op de gronden aan de noord- en zuidzijde van de [locatie 1] . In deze natuurvergunning is het volgende vergund:
• 15 zomerhuisjes / recreatiewoningen;
• 70 recreatiewoningen;
• 145 standplaatsen voor stacaravans;
• 30 toeristische kampeerplaatsen.
Op het recreatieterrein waren ook een overdekte recreatieruimte, een nieuwe kampwinkel, receptie en sportspelgelegenheid voorzien.
2. De afstand van het recreatieterrein tot het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied “Willinks Weust” bedraagt ongeveer 370 meter. Ten tijde van de verlening van de natuurvergunning was Willinks Weust nog niet aangewezen als Natura 2000-gebied, maar had het gebied nog de status van beschermd natuurmonument.
3. Door een faillissement van de vorige eigenaar is de uitbreiding niet gerealiseerd.
4. [derde-partij] is sinds december 2019 eigenaar van het recreatieterrein. [derde-partij] is medio 2020 in fases begonnen met de (gewijzigde) ontwikkeling van het recreatieterrein met 200 chalets.
Eisers 1 wonen op het perceel [locatie 2] te [plaats 1] , op ongeveer 100 meter van het Natura 2000-gebied “Willinks Weust”en op ongeveer 300 meter van het recreatieterrein. Hun woning ligt tussen het recreatieterrein en het Natura 2000-gebied. Zij ondervinden overlast van recreanten in het Natura 2000-gebied.
5. Bij besluit van 18 december 2020 heeft het college de werkzaamheden op het perceel tijdelijk stilgelegd op grond van artikel 2.4 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
6. Bij besluit van 9 februari 2021 is het besluit tot stillegging, ten aanzien van het zuidelijk gedeelte van het recreatieterrein, ingetrokken omdat [derde-partij] bereid is te voldoen aan randvoorwaarden. Het gaat hier om het aanleggen van een groene bosrand, het plaatsen van nestkasten (voor de vleermuizen) en het aanleggen van overhoekjes, ruige randjes en houtwallen (voor de beschermde marterachtigen).
7. Bij besluit van 9 maart 2021 is onder voorwaarden ingestemd met het plaatsen van drie chalets op het noordelijk gedeelte van het recreatieterrein. De chalets mogen niet worden bewoond en de plaatsing dient ter plekke te worden begeleid door een ecoloog.
8. Bij besluit van 15 juni 2021 heeft het college onder meer het volgende besloten:
- Het intrekken van het besluit tot stillegging, voor zover het betrekking heeft op de wettelijke verboden van artikelen 3.5 en 3.10 van de Wnb.
- Het bezwaarschrift, voor zover het is gericht tegen het toepassen van artikel 2.4 van de Wnb ongegrond te verklaren.
- Het besluit tot stillegging, voor zover gebaseerd op artikel 2.4 van de Wnb, in zoverre te wijzigen dat de op het noordelijk gedeelte van het Recreatiepark “ [naam park] ” beoogde recreatieve-units pas in gebruik mag worden genomen nadat [derde-partij] B.V. een geactualiseerde AERIUS-berekening heeft overlegd en deze door het college is goedgekeurd. Voor de te overleggen AERIUS berekening moeten de kengetallen worden gebruikt zoals neergelegd in de Publicatie nr 137 van het CROW.
9. Eisers hebben het college op 22 maart 2021, 31 maart 2021 en 10 oktober 2022 verzocht om handhavend op te treden tegen [derde-partij] .
10. Bij brief van 1 juli 2021 heeft het college aangegeven dat zij het voornemen heeft om de handhavingsverzoeken toe te wijzen. Het college wijst er daarbij op dat op 4 december 2020 een besluit tot stillegging is opgelegd aan [derde-partij] vanwege mogelijke overtredingen van de Wnb.
11. Eisers hebben tegen dit voornemen een zienswijze ingediend.
12. Bij besluit van 3 augustus 2021 heeft het college in reactie op de zienswijze van eisers het volgende aangegeven onder het kopje “reactie op uw zienswijze”:
“Gebiedsbescherming
In de beslissing op bezwaar (behorende bij het stilleggingsbesluit) staat vermeld dat vanwege de mogelijke stikstofeffecten van de herontwikkeling van het recreatiepark, Gedeputeerde Staten op grond van artikel 2.4. Wet natuurbescherming de werkzaamheden konden stilleggen nu in de overlegde AERIUS-berekening is uitgegaan van te lage verkeersbewegingen. Bij de beoordeling van de bezwaren hebben wij gesteld dat de beoogde recreatie-units op het noordelijk gedeelte van het Recreatiepark pas mogen worden gebruikt zodra wij van [derde-partij] een geactualiseerde AERIUS-berekening hebben ontvangen waarin is uitgegaan van 180 verkeersbewegingen.
In de beslissing op bezwaar hebben wij ook aangegeven dat wij onze voorwaarde voor het overleggen van een geactualiseerde AERIUS-berekening in zoverre handhaven dat de beoogde recreatieve units pas mogen worden gebruikt zodra wij een actuele AERIUS-berekening hebben ontvangen en goedgekeurd. Voor deze AERIUS-berekening dient [derde-partij] de kengetallen, zoals vermeld in publicatie 137 van het CROW, te gebruiken, omdat in die publicatie realistische verkeersbewegingen staan vermeld als gevolg van de door [derde-partij] beoogde recreatieve activiteiten.
Volledigheidshalve wijzen wij u ook op de op 1 juli 2021 inwerking getreden wijziging van de Wet natuurbescherming welke ziet op tijdelijke stikstofeffecten als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden. Voor deze tijdelijke activiteiten geldt de vergunningsplicht ten behoeve van beschermde natuurgebieden niet meer voor zover het betrekking heeft op stikstofeffecten. Dit betekent ook dat ten aanzien van deze activiteiten het toepassen van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen niet meer mogelijk is.
Soortenbescherming
In de beslissing op bezwaar staat vermeld dat [derde-partij] heeft verklaard op het noordelijk terrein van het recreatiepark geen ecologisch schadelijke werkzaamheden te ondernemen, totdat de resultaten van het ecologisch onderzoek van Blom Ecologie bekend zijn en - ter voorkoming van overtreding van artikel 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming - (eventuele) preventieve maatregelen zullen worden genomen.
Wij hebben aangegeven dat wij de resultaten van Blom Ecologie (zodra deze bekend zijn) tegemoet willen zien, zodat wij effectief kunnen toezien op eventueel te treffen preventieve maatregelen.”
Volgens het college zijn de verzoeken om handhaving al toegewezen, omdat het college al een handhavingsbesluit heeft genomen.
13. Op 26, 27 oktober en 3 november 2021 hebben eisers via email opnieuw een handhavingsverzoek ingediend van (gestelde) overtredingen van de Wnb. In het handhavingsverzoek van 26 oktober 2021 staat met betrekking tot het aspect “gebiedsbescherming” (onder meer) dat zes plekken voor chalets zijn uitgegraven en dat funderingspalen zijn geplaatst. De werkzaamheden hebben plaatsgevonden na zonsondergang, wat volgens eisers leidt tot een ernstige verstoring van het doorgaans donkere gebied. Met betrekking tot het aspect “soortenbescherming” staat in de email dat zich in het naastgelegen weiland bij de sloot een rugstreeppad bevond en dat het leefgebied van deze beschermde soort wordt verstoord door de werkzaamheden.
In de email van 27 oktober 2021 staat dat er weer chalets worden geplaatst in het bosperceel.
14. Bij besluit van 1 maart 2022 heeft het college het gebruiksverbod ook voor het noordelijke gedeelte ingetrokken.
15. In het besluit van 11 maart 2022 heeft het college het volgende overwogen:
“Bij besluit van 3 augustus 2021 hebben wij uw op de Wet natuurbescherming gebaseerde verzoek om handhaving ten aanzien van de activiteiten op het recreatiepark [naam park] te [plaats 1] geweigerd.
Op 26, 27 oktober en 3 november 2021 heeft u ten aanzien van activiteiten op dit recreatiepark wederom melding gedaan van in uw ogen overtredingen van de Wet natuurbescherming. Deze activiteiten betreffen onder meer bouwwerkzaamheden van chalets op het recreatiepark. U acht dat deze werkzaamheden een ernstige verstoring zijn voor het beschermde natuurgebied “Willinks Weust”. U wijst ook naar de in het verleden door het Ministerie van Landbouw gestelde eis dat het natuurgebied vanuit het recreatiegebied niet toegankelijk mag zijn. Daarnaast wijst u op de aanwezigheid van de rugstreeppad. Gezien de recreatieve activiteiten stelt u dat te weinig onderzoek is verricht naar de verstorende effecten van deze activiteiten voor deze soort.
In ons besluit van 3 augustus hebben wij u, ten aanzien van de stikstof gerelateerde effecten van deze bouwwerkzaamheden, erop gewezen dat deze per 1 juli 2021 op grond van de Wet natuurbescherming zijn vrijgesteld van een vergunningplicht. Dat betekent dat wij op grond van die wet voor stikstofeffecten, als gevolg van bouwwerkzaamheden, niet (meer) handhavend kunnen optreden. Deze bouwactiviteiten veroorzaken voor het natuurgebied “Willinks Weust” geen overige permanent ontoelaatbare gevolgen. Daarnaast heeft [derde-partij] een afscheiding aangelegd zodat voor recreanten duidelijk is dat het natuurgebied “Willinks Weust”, vanuit het noordelijk gedeelte van het recreatiepark, niet mag worden betreden. Ten overvloede wijzen wij erop dat er tevens een bord op grond van artikel 461 Wetboek van Strafvordering is geplaatst.
Voor wat de door u gesignaleerde rugstreeppad betreft, merken wij op dat [derde-partij] hiervoor ecologisch onderzoek heeft laten verrichten. Op grond van dit onderzoek, dat wij aan dit besluit hebben toegevoegd, kunnen wij uw stelling, dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de effecten van de beoogde recreatieve activiteiten op deze soort, niet onderschrijven. Uit dit onderzoek volgt dat de bouwwerkzaamheden en/of het beoogd recreatief gebruik ingevolge de Wet natuurbescherming niet ontheffingsplichtig zijn zodat de (eventuele) aanwezigheid van deze soort geen aanleiding vormt voor handhavend optreden.
Tot slot wijzen wij u erop dat wij van [derde-partij] verschillende documenten hebben ontvangen waaruit volgt dat, op grond van de Wet natuurbescherming, er geen aanleiding meer bestaat voor het handhaven van het opgelegde gebruiksverbod van het noordelijk gedeelte van het beoogde recreatiepark. Dit heeft ertoe geleid dat dit gebruiksverbod bij besluit van 1 maart 2022 is ingetrokken. Een afschrift van het besluit van 1 maart 2022 en de door [derde-partij] overlegde documenten zijn tevens aan dit besluit toegevoegd.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat uw herhaalde handhavingsverzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat waardoor handhavend optreden op grond van de Wet natuurbescherming geboden is. Uw verzoek om handhaving ten aanzien van de door u geconstateerde activiteiten wordt hierbij geweigerd.”
16. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 maart 2022.
17. Na de eerste hoorzitting bij de commissie rechtsbescherming (hierna: de commissie) op 5 juli 2022 heeft [derde-partij] de inrichtingstekening behorend bij de natuurvergunning uit 2003 overgelegd.
18. Op 10 oktober 2022 hebben eisers nogmaals een handhavingsverzoek ingediend.
19. Op 25 oktober 2022 heeft de commissie een tweede hoorzitting gehouden. Op 7 februari 2023 heeft de commissie een advies uitgebracht waarin onder “conclusie” het volgende staat:
“De Commissie is van oordeel dat GS de AERIUS-berekeningen van 17 februari en 2 juni 2022 niet aan het bestreden besluit ten grondslag hadden mogen leggen. GS dienen rekening te houden met de wijzigingen in de relevante feiten en omstandigheden die sinds het nemen van het bestreden besluit zijn opgetreden. Het rekeninstrument AERIUS Calculator en AERIUS Monitor zijn 26 januari 2023 geactualiseerd. De Commissie adviseert GS derde-belanghebbende te verzoeken een nieuwe AERIUS-berekening uit te laten voeren om te verifiëren of deze nieuwe versie tot andere uitkomsten leidt in vergelijking met de op 30 november 2022 overgelegde AERIUS-berekening. Bij het verzoek aan derde-belanghebbende om die berekening aan te leveren, kan dan tevens worden verzocht om expliciet in te gaan op de reactie van bezwaarmakers van 29 december 2022 op laatstgenoemde berekening en de input van de AERIUS-berekening daar zo nodig op aan te passen. Bij de te nemen beslissing op bezwaar kunnen GS de nieuw aan te leveren AERIUS-berekening betrekken. De Commissie adviseert GS om het bezwaar deels gegrond te verklaren en ex nunc toetsend te bezien of het bestreden besluit in stand kan blijven.”
20. In het besluit van 13 juni 2023 heeft het college onder “besluit” het volgende overwogen:
“Wij nemen het advies van de commissie Rechtsbescherming over.
Wij hebben derde-belanghebbende verzocht een nieuwe AERIUS-berekening uit laten voeren om te verifiëren of deze nieuwe versie tot andere uitkomsten leidt in vergelijking met de op 30 november 2022 overgelegde AERIUS-berekening. Derde-belanghebbende heeft dit gedaan, naar aanleiding van deze berekening is geconstateerd dat er nog steeds geen sprake is van een overtreding. Een kopie van de berekening is toegevoegd.”
Als bijlage bij het besluit is een AERIUS-berekening van 23 mei 2023 gevoegd. In deze berekening staat het volgende: