ECLI:NL:RBGEL:2025:9263

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
ARN 25/537
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Lasten onder dwangsom wegens overtreding van de Omgevingswet en Apv met betrekking tot een laadarm

Deze uitspraak betreft een geschil tussen een eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem over twee lasten onder dwangsom die zijn opgelegd om een laadarm te verwijderen. De eiser is het niet eens met deze lasten en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 4 september 2025. De rechtbank oordeelt dat het college de last onder dwangsom wegens overtreding van de Algemene plaatselijke verordening (Apv) terecht heeft opgelegd, maar dat de last onder dwangsom wegens overtreding van de Omgevingswet niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de Omgevingswet en herroept het primaire besluit op dit punt. De rechtbank oordeelt dat de handhaving van de Apv gerechtvaardigd is en dat het college niet onevenredig heeft gehandeld. De eiser heeft procesbelang, ondanks dat hij inmiddels is verhuisd en de laadarm heeft verwijderd, omdat hij schade heeft geleden door de besluitvorming van het college. De rechtbank bepaalt dat het college het griffierecht en proceskosten aan de eiser moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/537

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Gayir),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem

(gemachtigde: mr. C. van Stokkum).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over twee lasten onder dwangsom die het college aan eiser heeft opgelegd om de laadarm op het adres [locatie] in [plaats] te verwijderen. Eiser is het niet eens met de lasten onder dwangsom. Hij voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de lasten onder dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom wegens overtreding van de Algemene plaatselijke verordening mocht opleggen. Het college heeft op de zitting toegelicht dat hij heeft beoogd om in de beslissing op bezwaar de last onder dwangsom die ziet op een overtreding van de Omgevingswet niet in stand te laten. Dit staat echter niet in de beslissing op bezwaar. Het beroep is daarom op dit punt gegrond. De rechtbank zal op dit punt zelf in de zaak voorzien door deze last te herroepen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 10 juni 2024 heeft het college twee lasten onder dwangsom opgelegd aan eiser om de laadarm op het adres [locatie] in [plaats] te verwijderen. Met de beslissing op bezwaar van 19 december 2024 heeft het college, onder aanvulling van de motivering, de lasten in stand gelaten.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft een nadere schriftelijke reactie gegeven.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser samen met [persoon A] (bestuurder van [naam bedrijf] ) en de gemachtigde van het college samen met mr. I. Koele.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser woonde ten tijde van het opleggen van de lasten onder dwangsom en de beslissing op bezwaar op het adres [locatie] in [plaats] . Eiser heeft een laadarm in de voortuin geplaatst. Dit is een paal waar een hefboom aan zit met een lange kabel. Bij het gebruik van de laadarm klapt de arm hoog over de stoep uit. Aan de arm zit een laadkabel vast, waarmee de elektrische auto opgeladen kan worden.
3.1.
Het college heeft op 8 april 2024 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan eiser verstuurd. Volgens het college was de laadarm zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning geplaatst. Daarom handelde eiser volgens het college in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk). Bovendien was het gebruik van de laadarm in strijd met artikel 2:10, eerste lid, onder a en b, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Hattem 2021 (Apv-activiteit). Eiser heeft op 25 april 2024 een zienswijze tegen het voornemen ingediend.
3.2.
Op 10 juni 2024 heeft het college een last onder dwangsom aan eiser opgelegd. Daarin is eiser gelast de geplaatste laadarm te verwijderen. Voldoet hij niet (tijdig) aan de last, dan verbeurt hij voor de overtreding van de Omgevingswet een dwangsom van € 1.500,- per week, met een maximum van € 9.000,-. Het college heeft hierbij een begunstigingstermijn gegeven van zes weken na 10 juni 2024. Het college heeft eiser ook gelast het gebruik van de laadarm te stoppen. Voor de overtreding van het gebruik van de laadarm in strijd met de Apv verbeurt eiser een dwangsom van € 1.500,- per week, met een maximum van € 9.000,- als hij niet (tijdig) aan de last voldoet. Het college heeft hierbij een begunstigingstermijn gegeven van een week na 10 juni 2024.
3.3.
Eiser heeft tegen de lasten onder dwangsom een bezwaarschrift ingediend. Ook heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar ingediend. Met de uitspraak van 15 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland het besluit geschorst, voor zover dat ziet op de last onder dwangsom op grond van de Omgevingswet. Het verzoek om voorlopige voorziening voor zover dat ziet op de last onder dwangsom op grond van de Apv heeft de voorzieningenrechter afgewezen. [1]
3.4.
In de beslissing op bezwaar van 19 december 2024 heeft het college de lasten onder dwangsom, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten. Het college heeft de begunstigingstermijn voor het verwijderen van de laadarm verlengd (de omgevingsplanactiviteit) tot vier weken na de beslissing op bezwaar. De begunstigingstermijn voor het gebruik van de laadarm (de Apv-activiteit) heeft het college niet verlengd.
Heeft eiser nog procesbelang?
4. Het college stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat eiser geen procesbelang meer heeft. Eiser is verhuisd en de laadarm is verwijderd.
4.1.
Eiser betoogt dat hij nog wel procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Eiser legt daaraan ten grondslag dat hij voorafgaand aan de verkoop van de woning met de huidige bewoner heeft afgesproken om de woning inclusief laadarm te verkopen. Eiser heeft de koper ingelicht over de opgelegde lasten onder dwangsom. De koper wilde geen risico lopen. Daarom was eiser genoodzaakt de laadarm te verwijderen. De verwijderingskosten bedragen € 300,-. Ook is de verkoopprijs van de woning met
€ 5.000,- gedaald. Verder betoogt eiser dat als gevolg van de lasten onder dwangsom hij gebruik moest maken van openbare laadvoorzieningen. Deze zijn aanzienlijk duurder dan de thuislaadfaciliteit.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het niet onaannemelijk is dat eiser schade heeft geleden door de besluitvorming van het college. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser nog een procesbelang heeft. Het beroep zal daarom inhoudelijk behandeld worden.
Last onder dwangsom Omgevingswet
5. Eiser betoogt – kort samengevat – dat er geen sprake is van een overtreding van de Omgevingswet.
5.1.
Het college stelt in het verweerschrift dat hij uitsluitend nog handhaaft op grond van de Apv. Op de zitting heeft het college toegelicht dat uit het advies van de commissie bezwaarschriften blijkt dat het college alleen handhavend op kan treden wegens overtreding van de Apv. Het college meent dit te hebben overgenomen in de beslissing op bezwaar. Omdat het college daarbij heeft gekozen voor de meest gunstige uitleg voor eiser, heeft het college de lastgeving voor wat betreft de overtreding van de Omgevingswet laten vallen.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat uit de beslissing op bezwaar niet blijkt dat het college de last die ziet op een overtreding van de Omgevingswet heeft herroepen of ingetrokken. Ook is er geen wijzigingsbesluit [2] genomen. Omdat het college kennelijk wel de bedoeling heeft gehad deze last in te trekken gaat de rechtbank de beroepsgrond niet inhoudelijk beoordelen. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, de beslissing op bezwaar vernietigen voor zover dat ziet op de last op grond van een overtreding van de Omgevingswet, het primaire besluit op dit punt herroepen en bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van de beslissing op bezwaar.
Last onder dwangsom Apv
6. Eiser betoogt dat geen sprake is van een overtreding van artikel 2:10, eerste lid, van de Apv. Eiser legt daaraan ten grondslag dat het gebruik voor het laden van een elektrische auto onderdeel is van het hedendaagse normale gebruik van de openbare weg. Dat is niet als privégebruik in de zin van de Apv te beschouwen. Het gebruik is daarom niet aan te merken als
“anders(…)
dan overeenkomstig de publieke functie daarvan”. Met de laadarm ligt de laadkabel bovendien niet op de stoep, maar hangt deze erboven. Er is geen struikelgevaar waardoor van objectieve hinder geen sprake is. De stelling van het college dat het gebruik van de laadarm ertoe zou leiden dat gebruikers de stoep zouden mijden vindt eiser vergezocht. Uitstekende takken van bomen leiden ook niet tot uitwijkgedrag. Ook ontbreekt enig onderzoek van het college dat deze stelling aannemelijk zou maken. Volgens eiser kunnen redelijke eisen van welstand niet aan de orde zijn bij het handhaven van de Apv en is de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit niet bevoegd om te oordelen over het gebruik van de openbare ruimte. Eiser legt daaraan ten grondslag dat regels die zien op wijzigingen in de fysieke leefomgeving volgens eiser thuishoren in het omgevingsplan. Eiser betoogt daarom dat artikel 2:10, eerste lid, onder b, van de Apv onverbindend is.
6.1.
Artikel 2:10 van de Apv luidt:
1.
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:
a.
schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
b.
niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
2.
Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer:
a.
Niet ten minste een vrije doorgang wordt gelaten op voetpaden en op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer;
b.
(…).
Gebruik overeenkomstig de publieke functie
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het plaatsen en gebruiken van een laadarm om een particuliere auto op te kunnen laden vanaf het (eigen) terrein naast de weg geen gebruik is overeenkomstig de publieke functie van een weg. De publieke functie van een weg is namelijk dat weggebruikers zich daarover kunnen verplaatsen en met het verbod in artikel 2.10 van de Apv wordt kennelijk beoogd de verkeersfunctie en het (veilig) gebruik van de weg te waarborgen en ook het aanzien ervan te beschermen. De uitleg van eiser, dat het plaatsen van een voorziening (in dit geval een laadarm) niet zou vallen onder de reikwijdte van het verbod, omdat een dergelijke voorziening tegenwoordig ‘normaal’ zou zijn, volgt de rechtbank niet. Afgezien van het feit dat de laadarm voor privégebruik is, zou deze uitleg namelijk betekenen dat tal van voorzieningen die op enige wijze verband houden met (het faciliteren van) het hedendaagse gebruik van de weg op of aan de weg kunnen zouden kunnen worden geplaatst en dat is in strijd met de publieke functie.
Belemmering voor de bruikbaarheid van de weg
6.3.
Verder oordeelt de rechtbank dat het in dit geval wel gaat om een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg. Volgens artikel 2:10, tweede lid, onder a, van de Apv is in ieder geval sprake van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg als niet ten minste een vrije doorgang wordt gelaten op voetpaden. Als de laadarm in gebruik is, wordt geen vrije doorgang gelaten op het voetpad. Dit komt doordat de arm over het voetpad heen hangt, om zo de laadkabel van het perceel van eiser over het voetpad naar de auto te geleiden. Uit de specificatie van de laadarm blijkt dat de hoogte in uitgeklapte toestand ongeveer 2 meter is, waarbij de rechtbank opmerkt dat dit niet het laagste punt is. Het college heeft zich daarom in de beslissing op bezwaar terecht op het standpunt gesteld dat er sprake is van een overtreding van artikel 2:10, eerste lid, onder a, van de Apv.
Redelijke eisen van welstand
6.4.
Voor zover eiser betoogt dat de redelijke eisen van welstand niet aan de orde kunnen zijn bij handhaving van de Apv overweegt de rechtbank dat in de Apv ook regels kunnen worden gesteld over welstand. [3] De rechtbank oordeelt dat de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) bevoegd is om te adviseren over de redelijke eisen van welstand in de openbare ruimte. Aan het primaire besluit en de beslissing op bezwaar heeft het college een advies van 3 juni 2024 en van 5 december 2024 ten grondslag gelegd van de CRK. Uit het advies van 3 juni 2024 volgt dat vanuit ruimtelijke kwaliteit de gerealiseerde laadarm in de voortuinzone een ongewenste ontwikkeling is. Uit het advies van 5 december 2024 volgt:
“De laadpaal is geplaatst aan de voorzijde van de woning in de voortuinzone. In deze zone is vanuit het beleid enkel de mogelijkheid bouwwerken te plaatsen met een maximale hoogte van 1 meter, vlaggenmasten uitgezonderd. De laadarm is door de hoogte van 2,5 meter en daarbij het utilitaire karakter te dominant in het bebouwingsbeeld. Het is ongewenst dat een privaat plan het publieke belang schaadt, daarvan is in deze situatie sprake door de plaatsing in de voortuinzonde direct grenzend aan de openbare ruimte.
Conclusie
De planopzet is in strijd met redelijke eisen van welstand.”
6.5.
Hoewel het college niet aan een welstandsadvies gebonden is en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het college op dat advies afgaan, nadat het college is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies hoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager, of in dit geval de overtreder, een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. [4]
6.6.
De rechtbank oordeelt dat eiser de adviezen van de CRK niet gemotiveerd heeft betwist. Ook heeft eiser geen deskundig tegenadvies ingebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de adviezen niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen of de redenering en conclusies niet begrijpelijk zijn. Het college mocht daarom afgaan op de adviezen van de CRK waaruit volgt dat de laadarm niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het college heeft zich daarom ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 2:10, eerste lid, onder b, van de Apv.
Exceptieve toets
6.7.
Over het betoog dat artikel 2:10 van de Apv onverbindend is, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank toetst artikel 2:10 van de Apv exceptief aan artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit. Als de rechtbank daartoe aanleiding ziet, kan de rechtbank het artikel van de Apv buiten toepassing laten of onverbindend verklaren. Ten eerste geldt dat regels die hun grondslag vinden in de Gemeentewet, in geen geval in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. [5] Regels die zien op de fysieke leefomgeving moeten door de invoering van de Omgevingswet weliswaar in het omgevingsplan worden opgenomen [6] , maar op dit moment is sprake van een overgangsfase. De gemeente heeft uiterlijk tot eind 2031 [7] om de regels uit de gemeentelijke verordeningen die over de fysieke leefomgeving gaan te verwerken in het omgevingsplan. [8] De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat artikel 2:10 van de Apv niet onverbindend is.
6.8.
De beroepsgrond slaagt niet.
Beginselplicht tot handhaving
7. Er is sprake van een overtreding van artikel 2:10, eerste lid, onder a en b, van de Apv. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat gevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. [9] Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgewezen, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. [10] Dit betekent dat de rechtbank toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld vooroden bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [11]
Is handhavend optreden onevenredig?
8. Eiser betoogt dat handhavend optreden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens eiser had het college de belangen van eiser en de daarmee samenhangende voordelen voor de samenleving zorgvuldig moeten afwegen. Het gebruik van een eigen oplaadpunt biedt verschillende voordelen. Zo is het opladen bij een eigen laadpaal goedkoper en kan er gebruik gemaakt worden van opgewekte stroom door zonnepanelen. Dat zorgt er ook voor dat wordt bijgedragen aan de verlaging van de piekbelasting van het stroomnet. Door deze belangen niet af te wegen heeft het college volgens eiser in strijd met het evenredigheidsbeginsel gehandeld.
8.1.
Uit artikel 3:4, eerste lid, van de Awb volgt dat het college de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen. In artikel 3:4, tweede lid, van de Awb is de evenredigheidstoets neergelegd en daaruit volgt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022 [12] kunnen de factoren geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid bij de toetsing van een besluit aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb een rol spelen.
8.2.
Een last onder dwangsom is een herstelsanctie, die het doel heeft een overtreding te beëindigen. Het besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom is daarmee per definitie geschikt om een overtreding te beëindigen. De opgelegde last onder dwangsom is ook noodzakelijk om het doel te bereiken, omdat het college in het kader van het beëindigen van de overtreding geen andere maatregel voorhanden heeft die voor eiser minder belastend is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de opgelegde last onder dwangsom dus zowel geschikt als noodzakelijk is om de overtreding te beëindigen.
8.3.
De door eiser aangevoerde argumenten geven volgens de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de bij het opleggen van de last betrokken belangen onvoldoende zijn afgewogen of dat deze in de gegeven omstandigheden onredelijk bezwarend is voor eiser. Dat het voor eiser goedkoper is en dat daarmee gebruik kan worden gemaakt van opgewekte stroom door zonnepanelen is daarvoor onvoldoende. Het college mocht een zwaarder belang toekennen aan het belang van handhaving van de Apv dan aan het belang van eiser om van de laadarm gebruik te maken. De piekbelasting op het stroomnet is geen bijzondere omstandigheid die eiser betreft en maakt niet dat het college heeft moeten afzien van het opleggen van een last onder dwangsom.
8.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
9. Eiser stelt in het beroepschrift dat wat hij heeft aangevoerd ook maakt dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser brengt hierbij naar voren dat het college niet beschrijft hoe tot een voor iedereen werkbare oplossing kan worden gekomen, dat de ontstane situatie rechtsonzeker is en de belangen onvoldoende zijn afgewogen.
9.1.
De rechtbank heeft hiervoor al geconcludeerd dat de gemaakte belangenafweging niet gebrekkig is. Verder rust op het college geen verplichting om tot een voor iedereen werkbare oplossing te komen en acht de rechtbank de ontstane situatie niet rechtsonzeker. Eiser heeft verder niet concreet gemaakt welke algemene beginselen van behoorlijk bestuur zouden zijn geschonden en waarom die geschonden zouden zijn.
9.2.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het college gemeend heeft de last onder dwangsom wegens overtreding van de Omgevingswet in te trekken. Dit is niet gebeurd. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar voor zover dat ziet op de overtreding van de Omgevingswet. Omdat het college niet langer wil handhaven wegens overtreding van de Omgevingswet, ziet de rechtbank reden om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit op dit punt te herroepen. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voor zover dat is vernietigd. De last onder dwangsom wegens overtreding van de Apv blijft in stand.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De in bezwaar gemaakte kosten zijn met de beslissing op bezwaar van 19 december 2024 al door het college vergoed. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar van 19 december 2024, voor zover dat ziet op de last onder dwangsom wegens overtreding van de Omgevingswet;
  • herroept het primaire besluit van 10 juni 2024, voor zover dat ziet op de last onder dwangsom wegens overtreding van de Omgevingswet;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het besluit, voor zover dat is vernietigd;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBGEL:2024:4476, niet gepubliceerd.
2.Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 oktober 1996, ECLI:NL:RVS:1996:BL3028.
4.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4939.
5.Artikel 2.1, tweede lid, Omgevingsbesluit.
6.Dit volgt uit artikel 2.4 van de Omgevingswet.
7.Als de gemeente daarvoor een definitief omgevingsplan vaststelt moeten de regels uit de gemeentelijke verordeningen die over de fysieke leefomgeving gaan daarin worden opgenomen.
8.Dit volgt uit artikel 22.4 van de Omgevingswet.
9.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4375.
10.Uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
11.Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
12.Uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.