Eiser maakte bezwaar tegen de vaststelling en terugvordering van een te veel betaalde WAO-uitkering over de periode 1 januari tot en met 29 mei 2022. Het UWV had het uitkeringspercentage verlaagd op basis van de bedrijfswinst van 2022 en het teveel betaalde bedrag van €4.454,85 teruggevorderd.
Eiser voerde aan dat in 2022 een gedeelte van de onderneming was gestaakt door de verkoop van fosfaatrechten, waardoor sprake zou zijn van een duurzame inkrimping. Dit zou betekenen dat de winst uit die verkoop niet als inkomsten uit arbeid meegewogen mocht worden.
De rechtbank stelde vast dat de feitelijke situatie niet overeenkwam met een gedeeltelijke staking in 2022. De fosfaatrechten werden in 2022 nog volledig gebruikt door de maatschap en de daadwerkelijke beëindiging van de opfok jongvee vond pas in april 2023 plaats. Ook het aantal runderen bleef in 2022 nagenoeg gelijk. De verkoop van fosfaatrechten in 2022 was een voorbereiding op de inkrimping in 2023 en geen feitelijke staking.
Daarom was het terecht dat het UWV de winst uit 2022 als inkomsten uit arbeid heeft beschouwd en het teveel betaalde bedrag heeft teruggevorderd. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en hij kreeg geen proceskostenvergoeding.