De burgemeester van de gemeente Tiel legde aan de exploitant van een coffeeshop een last onder bestuursdwang op wegens het aanwezig hebben van een handelsvoorraad softdrugs die de toegestane 500 gram overschreed. Na een eerste waarschuwing in november 2023 volgde in juni 2024 een constatering van een handelsvoorraad van ruim 1553 gram, waarop de burgemeester besloot tot sluiting van de coffeeshop voor drie maanden.
De exploitant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde onder meer dat de eerste constatering niet als overtreding kon worden aangemerkt vanwege een bevoorradingsmoment en dat het mutatierapport te laat en onbetrouwbaar was opgesteld. Ook voerde hij aan dat de sluiting niet evenredig en noodzakelijk was en dat het beleid gedateerd was.
De rechtbank oordeelde dat zowel de constatering in november 2023 als die in juni 2024 als overtredingen konden worden aangemerkt en dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting. De sluiting werd als geschikt, noodzakelijk en evenwichtig beschouwd. Wel stelde de rechtbank vast dat de burgemeester bij de toepassing van het beleid de evenredigheid in het concrete geval moest beoordelen en niet mocht volstaan met de opmerking dat omstandigheden verdisconteerd waren in het beleid. Daarom werd het besluit op bezwaar vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand vanwege een aanvullende motivering tijdens de zitting.
De rechtbank bepaalde dat indien de burgemeester de coffeeshop alsnog wil sluiten, een nieuw besluit met een actuele motivering moet worden genomen. Tevens werd het griffierecht en een deel van de proceskosten aan de exploitant vergoed.