De zaak betreft een geschil tussen eiser en de hypotheekadviseur (gedaagde 1) over de aansprakelijkheid wegens een onjuiste werkgeversverklaring bij een hypotheekaanvraag. Eiser had een hypotheek aangevraagd op basis van een verklaring dat hij sinds mei 2022 in loondienst was, terwijl dit volgens de bank niet correct was. Hierdoor werd eiser opgenomen in registers en ontslagen bij zijn werkgever.
Eiser stelde dat de hypotheekadviseur tekort was geschoten in haar zorgplicht door onvoldoende zorgvuldigheid bij advisering en uitvoering van de hypotheekaanvraag, onder meer door niet te adviseren te wachten met aanvragen, geen aanvraag te doen op basis van gemengd inkomen, en geen nader onderzoek te verrichten naar de werkgeversverklaring.
De rechtbank oordeelde dat de hypotheekadviseur mocht uitgaan van de juistheid van de verstrekte verklaring en dat er geen aanwijzingen waren die tot nader onderzoek verplichtten. Ook was het aanvraagproces zodanig ingericht dat aanvullende documenten later konden worden aangeleverd, maar dat was niet meer aan de orde na het verzoek van eiser om afwijzing te verkrijgen.
Daarom is de hypotheekadviseur niet tekortgeschoten in haar zorgplicht en is zij niet aansprakelijk voor de schade van eiser. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.