In deze civiele procedure vordert eiser betaling van facturen voor werkzaamheden aan voorzieningen zoals een rijbak, stallen en een stapmolen, uitgevoerd op het perceel van de vader van gedaagde 1. De vordering jegens gedaagde 1 wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat zij opdracht heeft gegeven tot deze werkzaamheden. Wel wordt de vordering jegens haar vader toegewezen op grond van ongerechtvaardigde verrijking, omdat de waarde van zijn onroerend goed door de werkzaamheden is gestegen.
De rechtbank overweegt dat tussen eiser en gedaagde 1 geen bindende overeenkomst tot betaling is gesloten, ondanks medeweten en instemming van gedaagde 1 met de werkzaamheden. De werkzaamheden zijn gestart op initiatief van een derde, met de verwachting dat gedaagde 1 het onroerend goed zou overnemen en de kosten zou betalen, maar dit is niet gebeurd.
Ten aanzien van gedaagde 2 is vastgesteld dat de werkzaamheden hebben geleid tot een waardestijging van het perceel en de opstallen, wat een verrijking oplevert. Deze verrijking is ongerechtvaardigd omdat geen redelijke grond voor betaling is gebleken. De rechtbank beperkt de vergoeding in redelijkheid tot 75% van de onderbouwde verarming van eiser, wat neerkomt op €30.084,80. Daarnaast worden wettelijke rente en beslagkosten toegewezen, terwijl buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.