ECLI:NL:RBGEL:2025:11764

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
005533-23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 41 SrArt. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling openlijk geweld in voetbalstadion met taakstraf na verwerping noodweerverweer

Op 10 september 2022 vond in het Goffertstadion te Nijmegen een vechtpartij plaats waarbij verdachte samen met medeverdachten verhaal ging halen na het gooien van bier. Hierbij werden drie aangevers fysiek mishandeld, met onder meer hersenschuddingen en gebroken tanden tot gevolg.

De rechtbank stelde vast dat verdachte en zijn medeverdachten in vereniging geweld hebben gepleegd. Verdachte leverde een wezenlijke bijdrage en had opzet op de gezamenlijke geweldshandelingen. Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen omdat de klap van verdachte ruim twintig seconden na de trap werd gegeven en niet proportioneel was.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de maatschappelijke impact van voetbalgeweld en de overschrijding van de redelijke termijn van elf maanden. Verdachte, een first offender die de schade aan de benadeelden heeft vergoed, kreeg een taakstraf van 120 uur opgelegd, met vervangende hechtenis van 60 dagen bij niet-nakoming.

De civiele vorderingen van de benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard omdat deze al in een andere strafzaak waren toegewezen en voldaan. De straf is gebaseerd op artikelen 9, 22c, 22d en 141 Sr.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur met vervangende hechtenis van 60 dagen wegens openlijk geweld in vereniging in een voetbalstadion.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats: Arnhem
Parketnummer: 05/005533-23
Datum uitspraak : 27 november 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] .
Raadsman: mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 10 september 2022 te Nijmegen openlijk, te weten, in het Goffertstadion op/aan het Stadionplein 1, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , door:
- een of meermaals in/op/tegen het hoofd/gezicht van [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of ten
gevolge waarvan [slachtoffer 1] ten val kwam,
- een of meermaals op het lichaam en/of in de richting van [slachtoffer 1] te schoppen/trappen,
- een of meermaals tegen het hoofd en/of in de richting van [slachtoffer 2] te schoppen/trappen en/of ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] ten val kwam,
- een of meermaals tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer 3] te schoppen/trappen,
- een of meermaals [slachtoffer 3] te duwen, ten gevolge waarvan [slachtoffer 3] ten val kwam,
- een of meermaals [slachtoffer 3] bij het hoofd en/of het lichaam te pakken/grijpen en/of
(vervolgens) tegen het stalen hek te slaan/duwen,
- een of meermaals in/op/tegen het hoofd/gezicht van [slachtoffer 3] te slaan/stompen en/of
- [slachtoffer 3] bij/om de keel te pakken.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 10 september 2022 zijn aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aanwezig bij een voetbalwedstrijd in het Goffertstadion aan het Stadionplein 1 te Nijmegen. [2] Verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en diens zoon [medeverdachte 3] zijn hierbij ook aanwezig. [3] Nadat er bier wordt gegooid lopen verdachte en andere supporters de tribune op en komen aangevers tegen. [4] Er ontstaat een vechtpartij waarbij aangever [slachtoffer 1] een hersenschudding heeft opgelopen [5] en waarbij een stuk van zijn beide bovenste voortanden is afgebroken. [6] Aangever [slachtoffer 2] heeft bij deze vechtpartij ook een hersenschudding opgelopen. [7]
Verdachte heeft aangever [slachtoffer 1] tegen zijn hoofd te geslagen waardoor hij ten val is gekomen. [8] Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft aangever [slachtoffer 3] bij zijn keel gepakt [9] en hem geduwd waardoor hij ten val is gekomen. [10] [medeverdachte 3] heeft richting het lichaam van aangever [slachtoffer 1] getrapt. [11] Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft meerdere malen tegen het lichaam van aangever [slachtoffer 3] getrapt. Verder heeft [medeverdachte 1] aangever [slachtoffer 3] gepakt en hem twee keer met kracht tegen het metalen hek aan geduwd. [12] Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft tegen het hoofd van [slachtoffer 2] geschopt ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] ten val kwam. [13]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat er een groep voetbalsupporters naar boven liep en hem en zijn neef – [slachtoffer 2] – omcirkelde. [14] Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat er 3 mannen voor hem stonden. Hij zag dat de mannen erg opgefokt waren. [15] Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er 6 tot 8 mannen omhoog klommen op de tribune. De mannen waren heel erg opgefokt. [16]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat er 5 tot 6 mannen naar boven kwamen gelopen en wezen naar aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [17]
[medeverdachte 3] , de zoon van medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zijn vader en diens vriendengroep hadden afgesproken verhaal te halen wanneer er wederom bier zou worden gegooid. Nadat er tijdens de desbetreffende wedstrijd bier werd gegooid zijn zij met een stuk of 10 man naar boven gelopen en verhaal gaan halen. [18]
Verdachte heeft verklaard dat hij naar boven is gelopen om de biergooier aan te spreken en dat hij op aangevers werd gewezen door andere supporters. [19]
De cameraspecialist heeft beschreven dat NN2 richting de bovenkant van de tribune liep. Er liepen een vijftiental personen om hem heen mee richting de bovenkant van de tribune. [20]
Verdachte is herkend als de persoon die NN2 wordt genoemd. [21]
In vereniging
De rechtbank staat voor de vraag of de geweldshandelingen door verdachte en zijn medeverdachten in vereniging zijn gepleegd. Hierbij is van belang dat zij nauw en bewust hebben samengewerkt en dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld en opzet heeft gehad op de door de groep gepleegde geweldshandelingen.
Uit de beelden blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten zich gezamenlijk als een groep naar de bovenzijde van de tribune hebben bewogen. Uit de verklaring van de zoon van medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat de vriendengroep van verdachte had afgesproken verhaal te halen indien er wederom bier zou worden gegooid. In de verklaringen van de aangevers en een getuige wordt eveneens gesproken van een groep mannen die gezamenlijk om aangevers heen stonden. Er zijn door verschillende leden van deze groep, zijnde verdachte, zijn medeverdachten en één of meer andere personen, geweldshandelingen gepleegd richting verschillende aangevers. Dit geeft eveneens blijk van een gezamenlijke actie. Gelet op de beelden alsmede het afspreken verhaal te halen, kan het niet anders zijn dan dat verdachte zich bewust was van en opzet had op de geweldshandelingen die de groep pleegde. Daaruit volgt dus dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte en de overige geweldplegers hebben met hun geweldshandelingen allen een significante en wezenlijke bijdrage gehad aan het openlijk geweld.
De rechtbank acht het daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks10 september 2022 te Nijmegen openlijk, te weten, in het Goffertstadion
op/aan het Stadionplein 1,
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
personenen/of een goedte weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en
/of[slachtoffer 3] , door:
-
een of meermaalsin
/op/tegenhet
hoofd/gezicht van [slachtoffer 1] te slaan
/stompen en/often
gevolge waarvan [slachtoffer 1] ten val kwam,
-
een of meermaals op het lichaam en/ofin de richting van [slachtoffer 1] te schoppen/trappen,
-
een of meermaalstegen het hoofd
en/of in de richtingvan [slachtoffer 2] te schoppen/trappen
en/often gevolge waarvan [slachtoffer 2] ten val kwam,
-
een ofmeermaals tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer 3] te schoppen/trappen,
-
een ofmeermaals [slachtoffer 3] te duwen, ten gevolge waarvan [slachtoffer 3] ten val kwam,
-
een ofmeermaals [slachtoffer 3] bij het hoofd en/of het lichaam te pakken/grijpen en
/of
(vervolgens
)tegen het stalen hek te slaan/duwen,
-
een of meermaals in/op/tegen het hoofd/gezicht van [slachtoffer 3] te slaan/stompenen
/of
- [slachtoffer 3] bij/om de keel te pakken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De raadsman heeft primair gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Verdachte was al twee keer geslagen en kreeg een trap tegen zijn borst waardoor hij verstijfde en geen lucht meer kreeg. Na deze trap heeft hij uit noodweer een klap aan aangever [slachtoffer 1] gegeven. Verdachte kon op dat moment geen kant op en de aanranding vond plaats op een zeer steile trap.
Het geven van een slag met de vuist is proportioneel omdat verdachte reeds tweemaal was geslagen op zijn hoofd en hard op zijn borst is getrapt.
Tot slot is er ook voldaan aan het vereiste van subsidiariteit. Verdachte koos niet voor de aanval, maar voor de verdediging. Verdachte zag geen andere mogelijkheid dan zichzelf te verdedigen.
De raadsman heeft subsidiair gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Er was sprake van een noodweersituatie op het moment dat verdachte door aangever [slachtoffer 1] op zijn borst werd getrapt. Verdachte heeft verklaard dat hij uit paniek een slaande beweging heeft gemaakt nadat hij werd getrapt. Zoals blijkt uit de beelden is verdachte na de trap fysiek en mentaal uit balans. Verdachte bevroor na de trap en heeft daarna een slaande beweging gemaakt wat voortkwam uit een hevige gemoedsbeweging.
Oordeel van de rechtbank
Feitelijke gang van zaken
Aan het noodweer(exces)verweer ligt de stelling ten grondslag dat verdachte aangever [slachtoffer 1] geslagen heeft uit verdediging, dan wel uit paniek, vrijwel onmiddellijk dan wel zeer kort nadat hij door aangever [slachtoffer 1] was getrapt. Verdachte verklaart daarover bij de politie dat hij naar boven was gelopen nadat hij bier over zich had gekregen om degene die hij daarvan verdacht aan te spreken, dat die ontkende en dat toen twee jongens die persoon aangever [slachtoffer 1] als biergooier aanwezen: “Die jongen stond op dat moment twee trappen hoger dan mij. Toen ik hem erop aan wilde spreken dat hij het wel was. Op dat moment gaf hij mij een gigantische trap op het lichaam. Waarop ik verstijfde. Geen lucht meer kreeg. En eigenlijk uit paniek met een waas voor mijn ogen een slaande beweging heb gemaakt. Omdat ik niks anders meer kon. Op dat moment was dit voor mij het enigste wat ik kon doen. Ik maakte een slaande beweging” (proces-verbaal van verhoor van verdachte p. 208-209). Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij, nadat hij een trap had gekregen, geen lucht meer kreeg en naar zijn gevoel één of twee seconden later een klap heeft gegeven. Op het moment kon hij niet anders; het was zwart voor zijn ogen.
Deze lezing wordt niet ondersteund en weersproken door de overige bewijsmiddelen.
De rechtbank neemt aan dat verdachte, zijn medeverdachten en nog andere personen naar de bovenzijde van het tribune zijn gelopen om verhaal te halen nadat er met bier werd gegooid. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] hebben verklaard ontevreden te zijn geweest over het gebrek aan optreden vanuit de zijde van NEC tegen ‘biergooiers’. Hierdoor waren zij, naar eigen zeggen, genoodzaakt dit probleem zelfstandig op te lossen. Uit de verklaringen van aangever [slachtoffer 2] en aangever [slachtoffer 3] volgt dat de mannen erg ‘opgefokt’ waren. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft aangever [slachtoffer 3] bij de keel gegrepen. Uit het beeldverslag (beeldverslag cameraspecialist, p. 51) blijkt dat verdachte aangever [slachtoffer 2] toen al een duw gaf. Anders dan de verdediging aanvoert geven de van het dossier uitmakende beelden geen reden daaraan te twijfelen.
Weliswaar blijkt uit de verklaring van aangever [slachtoffer 1] en uit de beelden zoals omschreven in het beeldverslag (beeldverslag cameraspecialist, p. 51 en p. 53) dat aangever [slachtoffer 1] verdachte, na eerdere schermutselingen, waarbij ook slaande bewegingen richting verdachte zijn gemaakt, op enig moment een trap heeft gegeven, maar daaruit volgt niet dat deze trap dusdanig geplaatst en met dusdanige kracht was dat verdachte daardoor geen lucht kreeg, dat hij daardoor in paniek raakte en dat hij daardoor vrijwel onmiddellijk dan wel een paar seconden daarna een klap heeft gegeven.
In het beeldverslag staat en de rechtbank neemt op basis daarvan en de in het dossier aanwezige beelden aan dat:
- verdachte na de trap een stap naar achter doet;
- hij pas na ongeveer 20 seconden tussen de menigte door richting aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] loopt;
- hij dan met zijn linkerhand de rechterschouder van aangever [slachtoffer 2] pakt en dan over aangever [slachtoffer 1] met zijn rechtervuist in zijn gezicht slaat.
Noodweer
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit voorstaande feiten en omstandigheden dat de door verdachte gegeven klap in het gezicht van aangever [slachtoffer 1] niet geboden was ter verdediging tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding door aangever [slachtoffer 1] . De aanval door de trap was reeds 20 seconden beëindigd en dat er daarna nog sprake was van enige noodzaak tot verdediging is niet gebleken, ook niet uit de verklaring en stellingen van verdachte zelf. Het na enige tijd door de menigte teruglopen naar aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en het geven van een klap in het gezicht van aangever [slachtoffer 1] heeft naar zijn uiterlijke verschijningsvorm het karakter van een aanvallende, op wraak gerichte aanval. Er was op dat moment geen sprake van een wederrechtelijke aanranding die tot een dergelijke handeling noopte.
Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.
Noodweerexces
Uit de vastgestelde feitelijke gang van zaken blijkt evenmin dat de vuistslag van verdachte op het gezicht van aangever [slachtoffer 1] het gevolg was van een hevige gemoedstoestand bij verdachte veroorzaakt door de eerdere trap van aangever [slachtoffer 1] en de rechtbank verwerpt dat als niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft het weliswaar over paniek en dat het zwart werd voor zijn ogen, maar noemt dit in het kader van een direct, althans binnen een paar seconden gegeven klap terug, “omdat hij niet anders kon”, wat, zoals overwogen, niet met de feiten overeenkomt. Tussen de trap en de vuistslag zit een tijdspanne van bijna 20 seconden. Dat daarin een voortdurende hevige gemoedstoestand heeft bestaan heeft verdachte niet omschreven of geconcretiseerd. Het tijdsverloop, dat verdachte niet heeft genoemd, is daarvan zelf reeds een contra-indicatie. Ook de omstandigheid dat verdachte door de menigte is teruggelopen naar aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en kennelijk welbewust aangever [slachtoffer 1] in zijn gezicht heeft geraakt, zijn daarvan contra-indicaties. Tenslotte zijn ook de omstandigheden dat verdachte samen, althans tegelijk met andere supporters naar boven was gelopen om verhaal te halen vanwege biergooien, dat zij daarbij erg opgefokt waren, dat hem aangever [slachtoffer 1] als schuldige van het biergooien zou zijn aangewezen en dat hij ook eerder aangever [slachtoffer 2] al een duw heeft gegeven er contra-indicaties van dat de klap is gegeven als gevolg van een door trap ontstane gemoedsbeweging.
Het beroep op noodweerexces wordt verworpen.
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uur te vervangen door een hechtenis van 60 dagen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de behandeling van de strafzaak lang op zich heeft laten wachten en dat de redelijke termijn met 11 maanden is overschreden. Verder is verdachte een first offender en is er sprake van medeschuld bij aangever [slachtoffer 1] . Tot slot heeft verdachte reeds de schade van de benadeelde partijen vergoed. De raadsman verzoekt, met verwijzing naar ECLI:NL:GHARL:2021:8947, de zaak af te doen met een (deels) voorwaardelijke geldboete.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank houdt bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij rekening wordt gehouden met het strafblad van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft openlijk geweld gepleegd in een voetbalstadion. Verdachte is gezamenlijk met een groep supporters verhaal gaan halen nadat er bier werd gegooid. Hierbij heeft verdachte het recht in eigen handen genomen. Bij dit geweld zijn drie personen gewond geraakt van wie uit niets is gebleken dat zij te maken hadden met het gooien van bier. Op de beelden is te zien dat er ook kinderen zich tussen het publiek bevonden. Een voetbalstadion is bij uitstek een plek waar mensen voor hun plezier en ontspanning heen gaan. Het is een ruimte waar men niet zomaar weg kan. Dit draagt bij aan een onveilig gevoel.
Rellen, geweld en vandalisme bij voetbalwedstrijden komen geregeld voor en dit is een
groot en ernstig maatschappelijk probleem. Het raakt direct de openbare orde en de veiligheid van de bezoekers en omwonenden. In verband met dreigend voetbalvandalisme en geweld in stadions zijn omvangrijke veiligheidsmaatregelen noodzakelijk, die een enorme kostenpost opleveren voor de maatschappij. Het creëert niet alleen een groot gevoel van onveiligheid, onrust en angst in de maatschappij maar ook gevoelens van woede en verontwaardiging. Verdachte heeft hier een grote bijdrage aan geleverd. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De redelijke termijn is aangevangen bij het eerste verhoor van verdachte, te weten 16 december 2022. De zaak had aldus voor 16 december 2024 behandeld moeten worden. Omdat dit niet is gebeurd is daarmee de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten met ongeveer 11 maanden, overschreden.
De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
De straf
De rechtbank acht alles afwegende in beginsel een taakstraf voor de duur van 180 uren, passend en geboden, maar gelet op het tijdsverloop van sinds de gebeurtenissen, waarbinnen verdachte onder meer een tijdelijk een stadionverbod heeft ondergaan en waarin geen nieuwe incidenten hebben plaatsgevonden, gaat de rechtbank uit van een taakstraf voor de duur van 140 uren. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte een lagere straf op te leggen dan zijn medeverdachten. Daarnaast zal de rechtbank de straf, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, met dien verstande dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 28,00 aan materiële schade en € 750,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 377,08 aan materiële schade en € 1.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat een deel van de vorderingen reeds is toegewezen door de kinderrechter in de zaak tegen een medeverdachte. Voor het overige deel van de vorderingen kunnen de benadeelden naar de burgerlijke rechter stappen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen dienen te worden afgewezen omdat de vorderingen al bijna geheel zijn toegewezen en inmiddels ook al zijn betaald.
Overweging van de rechtbank
De vorderingen van de benadeelde partijen zijn in een andere strafzaak reeds (gedeeltelijk) toegekend. Ter terechtzitting is door de verdediging onderbouwd met stukken aangevoerd dat deze vorderingen al zijn voldaan en dat er verder geen schade meer resteert. De beoordeling van dit verweer levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen verklaren. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op
een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.S.M. van Bergen (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2025.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2022448544, gesloten op 3 januari 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 151
3.Proces-verbaal van bevindingen p. 134-136.
4.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 13 november 2025.
5.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 19.
6.Tandheelkundige verklaring na ongeval, p. 22.
7.Medisch overzicht huisarts [slachtoffer 2] , p. 157.
8.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 13 november 2025. Beeldverslag cameraspecialist, p. 51 en p. 53. Proces-verbaal van bevindingen p. 142 -144 . Proces-verbaal van bevindingen p. 150.
9.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 191 en proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 160.
10.Beeldverslag cameraspecialist, p. 32; proces-verbaal van bevindingen p. 142 -144 en proces-verbaal van bevindingen p. 150.
11.Beeldverslag cameraspecialist, p. 97; proces-verbaal van bevindingen p. 142 -144 en proces-verbaal van bevindingen p. 150.
12.Beeldverslag cameraspecialist, p. 71; proces-verbaal van bevindingen p. 142 -144 en proces-verbaal van bevindingen p. 150.
13.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 151; beeldverslag cameraspecialist, p. 30; proces-verbaal van bevindingen p. 142 -144 en proces-verbaal van bevindingen p. 150.
14.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 18.
15.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 151.
16.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 160.
17.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 171.
18.Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, p. 240.
19.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 13 november 2025.
20.Beeldverslag cameraspecialist, p. 50.
21.Proces-verbaal van bevindingen, p. 142-143.