ECLI:NL:RBGEL:2025:11283

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
141833 ontneming
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €96.213,73 na witwasveroordeling

De rechtbank Gelderland heeft op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van witwassen. De officier van justitie vorderde een ontnemingsbedrag van €864.635,00, later aangepast naar €112.207,03. De rechtbank baseerde haar oordeel op een kasopstelling over de periode 1 januari 2018 tot en met 30 juli 2020, waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel gezamenlijk met een medeveroordeelde werd berekend.

De rechtbank oordeelde dat tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde sprake was van een economische eenheid, waardoor een gezamenlijke kasopstelling gerechtvaardigd was. De uitgaven voor levensonderhoud werden met 15% verlaagd vanwege het lagere prijspeil in België en Duitsland. Daarnaast werd vastgesteld dat de veroordeelde €24.010,00 aan voordeel had behaald uit een vals dienstverband. De waarde van bepaalde voorwerpen werd niet meegerekend als voordeel.

De totale schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kwam uit op €105.463,73. Na aftrek van de waarde van een Audi A6, die rechtstreekse relatie had met het voordeel, werd de betalingsverplichting vastgesteld op €96.213,73. Het verzoek tot het horen van een getuige werd afgewezen wegens gebrek aan redelijk belang en het recht op verschoning. De rechtbank bepaalde de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen en wees het verzoek tot matiging van de betalingsverplichting af.

Uitkomst: De rechtbank legt een betalingsverplichting van €96.213,73 op ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en wijst het verzoek tot het horen van een getuige af.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer : 05/141833-24 (ontneming)
Datum uitspraak : 9 december 2025
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum 1] 1987 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres 1], [postcode] te [woonplaats].
Raadsvrouw: mr. M.J.R. Roethof, advocaat in Arnhem.

1.De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat en dat [veroordeelde] de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 864.635,00.

2.De procedure

De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en gevorderd dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting van [veroordeelde] worden vastgesteld op een bedrag van € 112.207,03. De officier van justitie heeft dit, kort samengevat, toegelicht als volgt. [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] moeten worden aangemerkt als economische eenheid. De uitkomst van hun gezamenlijke kasopstelling, zoals berekend in het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (een bedrag van € 176.394,07), moet onder hen worden verdeeld. Dat komt neer op een bedrag van € 88.197,03 per persoon. Daarbij moet voor de kosten van levensonderhoud worden uitgegaan van de NIBUD-normen. Verder bestaat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] uit haar inkomsten uit de valse arbeidsovereenkomst. Het voordeel uit de voorwerpen, dat als onverklaarbaar vermogen is meegenomen in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, kan niet in redelijkheid aan [veroordeelde] worden toegerekend. Subsidiair stelt de officier van justitie dat er eventueel een aftrek moet plaatvinden op de gehanteerde NIBUD-normen.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak in de hoofdzaak.
Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel op nihil moet worden gesteld. Er is geen sprake van een economische eenheid tussen [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1], waardoor voor de berekening van het wederechtelijk verkregen voordeel geen gemeenschappelijke kasopstelling kan worden gebruikt. De enkele omstandigheid dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] een relatie hadden en dat [veroordeelde] samen met de kinderen vaak in de woning in België verbleef, is daarvoor onvoldoende. Niet [veroordeelde], maar [medeveroordeelde 1] was de huurder van de woning in België. [veroordeelde] stond ook niet op het adres in België ingeschreven. Ze had een huurwoning in [woonplaats] en betaalde daarvoor de vaste lasten. Er was verder geen sprake van een samenlevingscontract, geregistreerd partnerschap of huwelijk (in gemeenschap van goederen). Ook hadden [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] geen fiscaal partnerschap, geen gedeelde financiën, geen gezamenlijke bankrekening en geen gezamenlijke uitgaven. Er was dus geen sprake van een zodanige financiële verwevenheid dat kan worden gesproken van een economische eenheid.
De verdediging heeft voorts, ten aanzien van de in de kasopstelling meegenomen bonnetjes en facturen, bepleit dat die uitgaven niet door en/of ten behoeve van [veroordeelde] zijn gedaan of aan haar kunnen worden toegerekend. Zij heeft daar dus geen voordeel uit behaald.
Ten aanzien van de kosten van kraamzorg is niet feitelijk onderbouwd dat die kraamzorg daadwerkelijk is verleend. Bovendien is de berekening van de uitgaven voor die kraamzorg niet juist.
Omdat [veroordeelde] niet de huurder is van de woning in [plaats 1] kan de huur ook niet aan haar worden toegerekend.
De verdediging heeft verder aangevoerd dat het prijspeil in Duitsland en België lager ligt dan in Nederland. Ter onderbouwing is gewezen op twee (digitale) artikelen van de Consumentenbond voor de jaren 2024 en 2025 en op een (digitaal) artikel van Omroep Brabant.
De overige in de ontnemingsrapportage meegenomen vermogensbestanddelen kunnen niet aan [veroordeelde] worden toegerekend.
Datzelfde geldt voor de inkomsten uit de valse arbeidsovereenkomst. Dat de bedragen die op basis van die overeenkomst worden overgemaakt op de rekening van [veroordeelde], maakt nog niet dat ze voor haar waren bestemd.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Het vonnis in de hoofdzaak
De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 9 december 2025 tegen [veroordeelde] gewezen vonnis, waarbij zij ter zake van het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden en een taakstraf van 240 uur.
3.2
Het kader voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden beoordeeld op basis van artikel 36e, derde lid, Sr. Op grond van die wettelijke bepaling kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Het feit waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld, is een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
De rechtbank komt in het navolgende tot het oordeel dat aannemelijk is dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich daarbij op de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen. [1]
De rechtbank zal hierna een schatting maken van het voordeel waarvan het aannemelijk is dat [veroordeelde] dat heeft verkregen uit strafbare feiten. Daarbij zal het Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] (hierna: het rapport), opgemaakt in het onderzoek Parra, als uitgangspunt worden genomen. In het bijzonder zal de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] schatten aan de hand van een kasopstelling over de periode 1 januari 2018 tot en met 30 juli 2020 en beoordelen of de voorwerpen als genoemd op pagina 10 van het rapport dienen te worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde].
3.3
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
3.3.1
De kasopstelling
De politie heeft in het rapport een eenvoudige kasopstelling gemaakt voor [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] gezamenlijk over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juli 2020 (hierna: de onderzoeksperiode). In die eenvoudige kasopstelling is berekend hoeveel contant geld [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] in de genoemde periode legaal beschikbaar hadden voor het doen van uitgaven en hoeveel contant geld zij in die periode hebben uitgegeven. Als uit die berekening volgt dat er meer contant geld is uitgegeven dan legaal beschikbaar was, dan is sprake van wederrechtelijk verkregen voordeel. Een persoon kan immers niet meer contant uitgeven dan die persoon fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft. Uit het rapport volgt een kastekort voor [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] samen over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juli 2020 van € 176.394,07. [2]
Economische eenheid
Een kasopstelling kan alleen worden opgesteld voor meerdere personen gezamenlijk, indien deze personen samen een economische eenheid vormden in de periode waarover de kasopstelling is opgesteld. Er moet in die periode dan sprake zijn geweest van een gezamenlijke (financiële) huishouding, waarbij de betalingen van de één, ook kunnen worden toegerekend aan de ander. De feitelijke situatie is daarbij bepalend.
Tussen [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] bestond een financiële verwevenheid. Ze hadden samen twee kinderen en voerden een gemeenschappelijke huishouding. [veroordeelde] had vanaf augustus 2018 geen eigen legale inkomsten. In de ontnemingsperiode waren er nagenoeg geen betalingen via de bankrekeningen van [veroordeelde] die zien op huishoudelijke kosten. [veroordeelde] heeft ter terechtzitting ook verklaard dat [medeveroordeelde 1] haar geld gaf voor het doen van boodschappen. Ze had geen andere inkomsten dan het geld dat binnenkwam op haar bankrekening en het geld dat zij van [medeveroordeelde 1] kreeg. De contante opnames van de bankrekeningen van [veroordeelde] vormen geen verklaring voor de contante uitgaven zoals die naar voren komen uit de kasopstelling die is opgesteld voor [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde]. [3] De rechtbank leidt hieruit af dat [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] leefden van het geld dat in contanten beschikbaar was en het geld dat beschikbaar was via giftcards en op bankrekeningen op naam van aliassen van [medeveroordeelde 1] of katvangers. In de woning zijn meerdere giftcards en bankpassen op naam van aliassen aangetroffen [4] . Naar het oordeel van de rechtbank vormden [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] onder deze omstandigheden een gezamenlijke (financiële) huishouding.
NIBUD-normen
Uit de door de verdediging genoemde artikelen van de Consumentenbond, die zijn gebaseerd op een onderzoek dat is uitgevoerd in 2024 en 2025, blijkt dat in België het prijspeil voor basisboodschappen 12 tot 18% lager ligt dan in Nederland. Het prijspeil voor deze basisboodschappen lag in Duitsland in 2024 3% hoger dan in Nederland, maar in 2025 weer 15% lager. In Duitsland lag het prijspeil in 2024 voor A-merken zelfs weer 29% lager dan in Nederland. [5] Gelet hierop acht de rechtbank het aannemelijk dat de in het rapport gehanteerde NIBUD-norm, die is opgesteld naar de maatstaven van het Nederlandse prijspeil, voor de schatting van de uitgaven voor levensonderhoud van [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] naar beneden dient te worden bijgesteld. De rechtbank acht een gemiddeld prijspeil voor België en Duitsland van 15% lager dan het prijspeil in Nederland aannemelijk en zal de uitgaven voor levensonderhoud in zoverre naar beneden bijstellen.
In de bijlagen 1 tot en met 3 van het rapport zijn de uitgaven voor levensonderhoud per maand weergegeven. [6] Daaruit volgt voor de onderzoeksperiode een totaal aan uitgaven voor levensonderhoud per jaar van:
2018 : € 5.055,52
2019 : € 5.134,92
2020 (tot en met juli) :
€ 3.296,17 +
Totaal : € 13.486,61
De rechtbank zal dat bedrag van € 2.022,99 (= 15% x € 13.486,61) in mindering brengen op het totale hiervoor vermelde kastekort.
Uitgaven voor kraamzorg
In het rapport is voor het jaar 2018 een bedrag van € 4.385,46 opgenomen als kosten voor kraamhulp.
In de iPhone X (beslagcode [IBN-code]) in beslag genomen en in gebruik bij [medeveroordeelde 2] [7] is een WhatsApp-conversatie aangetroffen tussen ‘owner’ ([medeveroordeelde 2]) en een persoon die is aangeduid als ‘Kraamzorg’. In de (niet uitputtend weergegeven) chat wordt onder meer het volgende gezegd:
Op 5 juli 2018
[medeveroordeelde 2]: Hoi [naam 1]
Zojuist gesproken
7 november uitgerekend
Qua uren wil ze de benodigde uren die normaal zijn qua zorg
Ik weet niet wat normaal is per keer?
Kraamzorg:Normaal is 49 uur verdeeld over 8 dagen
Ik zal vanavond nog even in mijn planning kijken of ik nog tijd heb voor een kraambed in november.
Ik laat het vanavond weten.
Mag ik al wel het adres?
Verder is er altijd mogelijk om meer uren te indiceren indien nodig.
[medeveroordeelde 2]: Geen punt
Is een kennismaking gepast?
Kraamzorg:Ja kan. Ik doe altijd een intake thuis.
Maar daar zijn dan ook kosten aan verbonden.
Dat is 60 70 ex reistijd en klm vergoeding.
[medeveroordeelde 2]: Oké ik zal het even overleggen.
Kraamzorg: Prima.
[medeveroordeelde 2]:Intake is akkoord
Wanneer schikt het?
Kraamzorg: Laat het vanavond weten
Wat is het adres?
Ik ben nu aan het werk t/m volgende week vrijdag.
Ik wil het op een vrije dag plannen.
Dus wordt dan in de week van 16 juli.
(…)
[medeveroordeelde 2]:[adres 2]sorry
Kraamzorg:
(…)
Kraamzorg: Wil je me nog even naam en achternaam en geboortedatum doorgeven
Dan noteer ik die vast in mijn administratie
[medeveroordeelde 2]: Heb ik nu niet bij de hand
Kan je straks even geven
Kraamzorg: Ik
Oke
Oja ook telefoonnummer
[medeveroordeelde 2]:[veroordeelde]
[geboortedatum 1]-1987
[telefoonnummer]
Kraamzorg: Dank je
(…)
Op 9 juli 2018
Kraamzorg: Hallo [naam 2]
Ik kan zaterdag 28 juni[de rechtbank begrijpt: 28 juli]
langskomen voor een kennismaking/intake gesprek.
Eerder lukt echt niet
Hopelijk komt dat uit.
Gr. [naam 1]
[medeveroordeelde 2]: Hoi
Ik ga even overleggen
Is goed
Hoelaat
Kraamzorg: Rond 12.00 uur.
[medeveroordeelde 2]: Is goed
Kraamzorg:Ik wil graag contant afrekenen als het kan.
66 is de intake.
Uurtarief is 47.70 euro.
En klm is 133 enkele reis
0.29
per klm.
Ik doe er 1 uur en 50 minuten over volgens mijn navigatie.
Normaal reken ik voor 20 minuten enkele reis niks.
Dus betekent totaal 3 uur reistijd.
Ik hoor graag nog terug.
[medeveroordeelde 2]: Is akkoord
Wordt contant betaald
Kraamzorg:
28 juli 2018
[medeveroordeelde 2]: Hoi
Kun je me bellen
Kraamzorg:Hallo ik sta voor de deur maar er doet niemand open
[medeveroordeelde 2]: Hoi
Hoebedoel je
Kraamzorg:Het is geregeldmaar de ap komt nu pas aan
Zag dat je me net belde
[medeveroordeelde 2]: Klopt ik zag je app
Binnen komen
Alles goed gegaan
Kraamzorg:Ja alles is goed gegaan
Ik had een verkeerd huisnummer
[medeveroordeelde 2]: Klopt mijn fout
Kraamzorg: Geeft niet is goed gekomen
[medeveroordeelde 2]: Mooi fijn om te horen [8]
Hierna heeft er, zo neemt de rechtbank aan, geen conversatie meer plaatsgevonden tussen [medeveroordeelde 2] en ‘[naam 1]’.
De rechtbank leidt uit dit chatgesprek af dat kraamverzorgster ‘[naam 1]’ op 28 juli 2018 langs is geweest bij [veroordeelde] voor een intake ten behoeve van het verlenen van kraamzorg voor de geboorte van haar dochter [naam 3]. [naam 3] is geboren op [geboortedatum 2] 2018 [9] , dus korte tijd voor de genoemde uitgerekende datum van [datum] 2018. Die afspraak is “goed gegaan”. Dat er na de intake geen communicatie meer heeft plaatsgevonden tussen ‘[naam 1]’ en [medeveroordeelde 2], acht de rechtbank verklaarbaar omdat het contact tussen de kraamverzorgster en [veroordeelde] tot stand was gebracht en tussenkomst van [medeveroordeelde 2] niet langer noodzakelijk was. Dat [veroordeelde] en de kraamverzorgster daarna direct contact met elkaar hebben gehad en gehouden is aannemelijk.
[veroordeelde] heeft ter terechtzitting geen antwoord willen geven op de vraag of er na de geboorte van [naam 3] kraamzorg is verleend. Zij heeft wel verklaard dat er na de geboorte geen kraamzorg is verleend
door ‘[naam 1]’.
De rechtbank acht het gelet op het voorgaande aannemelijk dat er na de geboorte van [naam 3] kraamzorg is verleend en dat daarvoor in contanten aan de kraamzorgverlener is betaald door [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde]. De verdediging heeft niets tegenover de bevindingen uit het rapport gesteld dat zou moeten leiden tot een ander oordeel. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding af te wijken van de geschatte uitgaven zoals genoemd in het rapport.
Bonnen
In de woning van [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] aan de [adres 2] te [plaats 1] zijn diverse bonnen en facturen aangetroffen die contant zijn voldaan. Dit betreffen telkens goederen die zijn aangetroffen in de woning, zoals de fitnessapparatuur en het biljart [10] , of goederen waarvan kan worden aangenomen dat ze bestemd waren voor de woning, zoals de uitgaven bij Overstock Garden. Verder zijn er bonnen/facturen aangetroffen die onder andere zien op uitgaven voor bijvoorbeeld de auto’s in gebruik bij [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde], babyspullen en kleding. Nu de bonnen en facturen zijn aangetroffen in de woning, vindt de rechtbank het aannemelijk dat de uitgaven ook daadwerkelijk door [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] zijn gedaan en dat zij daar dus voordeel uit hebben behaald.
De verdediging heeft gedetailleerd verweer gevoerd over verschillende in de kasopstelling meegenomen bonnen en facturen. Zoals hiervoor vermeld gaat de rechtbank uit van een gemeenschappelijke (financiële) huishouding. Daaruit volgt dat uitgaven voor bijvoorbeeld kleding van [medeveroordeelde 1] ook kunnen worden toegerekend aan [veroordeelde]. Dergelijke uitgaven zijn immers uitgaven van de gemeenschappelijke huishouding. Dat niet alle goederen en diensten waarop de uitgaven zien direct bestemd waren voor [veroordeelde] of dat zij de uitgaven niet zelf heeft gedaan, maakt dat niet anders. De rechtbank ziet dan ook geen reden voor wat betreft de bonnen en facturen af te wijken van het rapport. Daarbij merkt de rechtbank nog het volgende op. Een deel van de bonnen betreft uitgaven voor kleding. Ook in de NIBUD-normen zijn kosten opgenomen voor kleding. De rechtbank zal de bonnen voor kleding echter toch meenemen in de kasopstelling, omdat dit telkens luxe goederen betreffen waarvan de rechtbank het aannemelijk acht dat die bovenop de basiskosten voor kleding komen die zijn meegenomen in de NIBUD-normen. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de kleding daarom geen sprake van een dubbeltelling.
Conclusie kasopstelling
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de kasopstelling enkel zal aanpassen voor zover het de uitgaven voor levensonderhoud betreft. Het totaal van de kasopstelling komt daarmee op € 162.907,46 (€ 176.394,07 - € 13.486,61). De rechtbank zal [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] dit bedrag ieder voor de helft toerekenen. Dat betekent dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde], voor zover dat volgt uit de kasopstelling voor de periode van
1 januari 2018 tot en met 30 juli 2020, neerkomt op een bedrag van
€ 81.453,73.
3.3.2
Valse dienstverband
Van oktober 2018 tot en met december 2019 ontving [veroordeelde] maandelijks een bedrag van ongeveer € 1.600,00 (in totaal € 24.010,00) op haar bankrekening, dat werd overgemaakt vanaf de rekening ten name van [naam 4].Ben met als omschrijving ‘Salaire’. Deze inkomsten zijn door [veroordeelde] niet opgegeven bij de Belastingdienst. [11] Volgens de politie betreft dit een vals dienstverband. Blijkens de arbeidsovereenkomst gaat het om een dienstverband voor de duur van 38 uur per week als schoonmaakster bij een supermarkt in [plaats 2] in België. De afstand tussen [plaats 1] en [plaats 2] is ruim 100 kilometer. Verder zitten er in het dossier verschillende afbeeldingen van Wickr-gesprekken waaruit kan worden afgeleid dat geen sprake is van een werkelijk dienstverband. [12]
[veroordeelde] heeft ter terechtzitting verklaard dat zij niet werkte. Het geld dat binnenkwam op haar bankrekening gebruikte zij voor de vaste lasten van de woning in [woonplaats]. [13] Op de vraag of zij heeft gewerkt in de supermarkt die in de arbeidsovereenkomst wordt genoemd, wilde [veroordeelde] geen antwoord geven.
Op basis van de resultaten van het onderzoek van de politie, zoals hiervoor weergegeven, en gezien de inhoud van de Wickr-gesprekken, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat het hier inderdaad om een fictief dienstverband gaat. Daarbij betrekt de rechtbank dat de oudste dochter van [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde], [naam 3], op [geboortedatum 2] 2018 is geboren [14] en de rechtbank het niet waarschijnlijk acht dat [veroordeelde] vanaf 1 september 2018, hoogzwanger, op een uur rijden van haar woning, fulltime schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht.
Het voorgaande betekent dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel voor een bedrag van € 24.010,00 heeft behaald uit het valse dienstverband bij de supermarkt in [plaats 2].
3.3.3
De aangetroffen voorwerpen
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [veroordeelde] geen voordeel heeft behaald uit de voorwerpen die genoemd staan op pagina 10 van het rapport. Dat de rechtbank voor een deel van die voorwerpen in de hoofdzaak heeft vastgesteld dat [veroordeelde] die heeft witgewassen, betekent nog niet dat de voorwerpen ook aan haar toebehoorden en zij daar voordeel uit heeft behaald. De rechtbank zal de waarde van deze goederen daarom niet meenemen in de berekening van het wederechtelijk verkregen voordeel.
3.3.4
Conclusie
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank het totale geschatte wederrechtelijk voordeel van [veroordeelde] vast op een bedrag van
€ 105.463,73(€ 81.453,73 + € 24.010,00).
3.3.5
Verzoek horen getuige [getuige]
3.3.5.1
De standpunten
De verdediging heeft verzocht [getuige] (opnieuw) als getuige te horen. Het horen van deze getuige is eerder op grond van het verdedigingsbelang toegewezen in de zaak van [veroordeelde]. De getuige is ter terechtzitting gehoord, maar wilde op de meeste vragen geen antwoord geven. Wel gaf de getuige aan mogelijk wel antwoord te geven op vragen als hij zou worden bijgestaan door een advocaat. Het is in het belang van de waarheidsvinding de getuige effectief te kunnen ondervragen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen. [getuige] is een aantal keren opgeroepen. Hij is zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting zonder advocaat verschenen en heeft een verklaring afgelegd. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] niet kent. Voor het overige heeft hij zich op het verschoningsrecht beroepen. Dat recht heeft hij. Het openbaar ministerie heeft nog geen definitieve beslissing genomen over zijn vervolging. Het is gelet op dit omstandigheden maar de vraag of [getuige] anders zou verklaren in het bijzijn van een advocaat. Daarnaast heeft verdediging haar verzoek onvoldoende onderbouwd.
3.3.5.2
De beoordeling van de rechtbank
Zoals ook al ter terechtzitting van 23 september 2025 is aangegeven, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging geen effectieve mogelijkheid heeft gehad om haar recht tot ondervraging van de getuige [getuige] uit te oefenen, doordat de getuige ter terechtzitting een beroep heeft gedaan op zijn verschoningsrecht.
In haar aanvankelijke verzoek d.d. 28 juli 2024 tot het horen van de getuige en de aanvulling daarop in de pleitaantekeningen voor de regiezitting van 24 februari 2025 heeft de verdediging haar verzoek onderbouwd door te stellen dat [getuige] een katvanger zou zijn. Dat zag onder andere op de betrokkenheid van de getuige bij de vennootschap [bedrijf 1] en de betrokkenheid van een bankrekening van die vennootschap bij de verkoop van goudbaren. De opbrengst van die verkopen zou via de rekening van [bedrijf 1] zijn overgemaakt naar rekeningen op naam van [bedrijf 2]. [getuige] zou zo als katvanger zijn gebruikt voor de aankoop van de woning aan de [adres 3] in [plaats 3]. Verder hebben er vanaf de rekeningen op naam van [bedrijf 1], [getuige] en [getuige] h/o [bedrijf 3] verschillende contante geldopnames plaatsgevonden. [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij de bankpas van zijn zakelijke rekening had afgegeven. Hij wilde niet zeggen aan wie. Hij verklaarde alleen katvanger te zijn geweest. De verdediging wil [getuige] vragen met wie hij contact heeft gehad, van wie hij zijn opdrachten heeft gekregen en of hij contact heeft gehad met [veroordeelde].
De rechtbank overweegt dat zij het voordeel dat volgens de politie zag op de woning aan de [adres 3] te [plaats 3] niet heeft meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ook is geen sprake van berekend voordeel uit het verkopen van goudbaren of geldstromen die hebben plaatsgevonden via contante geldopnames of door gebruikmaking van verschillende bankrekeningen in relatie tot [getuige]. Ook overigens volgt uit de beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen betrokkenheid van [getuige]. Dat betekent dat [veroordeelde] geen redelijk belang heeft bij het (opnieuw) horen van [getuige] als getuige. Door de afwijzing van het verzoek is ook geen sprake van strijd met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van getuige [getuige] daarom af.
3.4
De betalingsverplichting
3.4.1
De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de waarde van de verbeurd verklaarde goederen niet moeten worden afgetrokken van de betalingsverplichting. Een verrekening van die verbeurdverklaring moet plaatsvinden in de executiefase.
De verdediging verzoekt de betalingsverplichting te matigen in verband met de financiële situatie van [veroordeelde] en in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Ook dienen de in de hoofdzaak verbeurd verklaarde goederen te worden afgetrokken van de betalingsverplichting.
3.4.2
De beoordeling door de rechtbank
Aftrek verbeurd verklaarde goederen
Op grond van artikel 36e lid 5 Sr kan de rechtbank de betalingsverplichting op een lager bedrag vaststellen dan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank is van oordeel dat het aftrekken van de waarde van de verbeurd verklaarde goederen in de ontnemingsbeslissing, indien sprake is van een rechtstreeks verband tussen de verbeurd verklaarde goederen en het bepaalde voordeel, de meest geëigende weg is. Door zowel voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als voor de aftrek van de verbeurd verklaarde voorwerpen bij de bepaling van de betalingsverplichting uit te gaan van dezelfde waarde van die voorwerpen, wordt voorkomen dat een veroordeelde zou profiteren van vervolgprofijt door de waardevermeerdering van de voorwerpen op het moment van de vervreemding van die voorwerpen of dat een veroordeelde zou worden benadeeld door een waardevermindering van die voorwerpen. Doel van de ontnemingsmaatregel is immers dat een veroordeelde wordt teruggebracht in de financiële situatie waarin hij of zij zich bevond voor het plegen van de strafbare feiten (het reparatoire karakter van de maatregel, vgl. Hoge Raad 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1479).
In de hoofdzaak van [veroordeelde] heeft de rechtbank de verbeurdverklaring uitgesproken van verschillende voorwerpen. Alleen voor de Audi A6 geldt dat sprake is van een rechtstreekse relatie tot het geschatte wederrechtelijke voordeel. Voor de Audi A6 geldt dat de aanschaf van die auto voor een bedrag van in totaal € 18.500,00 (€ 3.000,00 + € 15.500,00 [15] ) is meegenomen in de kasopstelling. De rechtbank zal de waarde waartegen deze Audi van de betalingsverplichting wordt afgetrokken, bepalen op het bedrag zoals dat is meegenomen in de berekening van het voordeel. Omdat de kasopstelling is opgesteld voor [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] gezamenlijk en het totaal van de kasopstelling daarom is gedeeld door twee, dienen ook de kosten voor de aanschaf van de Audi slechts voor de helft afgetrokken te worden van de betalingsverplichting, dus voor een bedrag van (€ 18.500,00 / 2 =) € 9.250,00.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens de veroordeelde een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem/haar een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de ontnemingsvordering moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat voor de ontneming net als in de hoofdzaak een ruimere redelijke termijn van drie jaar dient te gelden en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de hoofdzaak. De ontnemingsvordering hangt samen met de hoofdzaak en kan ook niet eerder dan die hoofdzaak worden afgedaan. De redelijke termijn is in het onderhavige geval aangevangen op 1 februari 2023, het moment waarop de machtiging tot beslaglegging van de rechter-commissaris en het bevel tot inbeslagneming van de officier van justitie van verschillende voorwerpen door betekening door de deurwaarder bekend zijn geworden bij [veroordeelde].
Voorgaande betekent dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
Draagkracht
De verdediging heeft geen onderbouwd draagkrachtverweer gevoerd. Dat [veroordeelde] zich in een financieel moeilijke situatie bevindt en, zoals ze zelf heeft verklaard, in de schuldsanering zit, is daarvoor onvoldoende. Gelet op de leeftijd van [veroordeelde] bestaat er een redelijke kans dat zij in de toekomst wel in staat zal zijn aan haar betalingsverplichting te voldoen.
Conclusie betalingsverplichting
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting voor [veroordeelde] vast op een bedrag van
€ 96.213,73(€ 105.463,73 - € 9.250,00). De rechtbank zal haar veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
3.5
Gijzeling
Volgens de LOVS-oriëntatiepunten dient de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd, te worden bepaald op € 50,00 per dag met een maximum van 1080 dagen. De rechtbank ziet geen reden hiervan af te wijken. De rechtbank zal de duur van de gijzeling daarom bepalen op 1080 dagen.

4.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot het horen van [getuige] als getuige;
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 105.463,73;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 96.213,73;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering op
1080 dagen.
Aldus gegeven door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. R.P.W. van de Meerakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 december 2025.
Mr. R.P.W. van de Meerakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, opsporingsonderzoek Parra, dossiernummer ON3R018117, gesloten op 31 oktober 2022, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden (inclusief die van de bij het onderzoek Parra behorende deelonderzoeken Marker), tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde], p. 0005-0009, p. 00013-00017.
3.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD02, p. 00036-00037; rapport wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde], p. 00005-00008.
4.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD02, p. 00037; proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD01, p. 00834-00837.
5.Https://www.consumentenbond.nl/nieuws/2024/boodschappen-in-veel-vakantielanden-goedkoper-dan-in-nederland; https://www.consumentenbond.nl/acties-claims/nieuws/2025/boodschappen-buitenland.
6.Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde], p. 00013-00017.
7.Proces-verbaal van bevindingen, rapport wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde], p. 00242.
8.Proces-verbaal van bevindingen, rapport wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde], p. 00247-00254.
9.Proces-verbaal aanvraag doorzoeking, MARKER AD, p. 00955.
10.Foto, MARKER AD, p. 00659.
11.Aangifte inkomstenbelasting 2018 van [veroordeelde], MARKER ZD02, p. 00087-00089; proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD02, p. 00036.
12.Proces-verbaal van bevindingen, MARKER ZD02, p. 00044; arbeidsovereenkomst, MARKER ZD02, p. 00175-00176.
13.Verklaring van [veroordeelde] , afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2025.
14.Proces-verbaal van verdenking, PARRA PD07, p. 00012.
15.Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde], bijlage 2, p. 00015.