ECLI:NL:RBGEL:2025:11259

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
AWB – 25 _ 1865
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de omgevingsvergunning voor de bouw van een kantine door de rechtbank Gelderland

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank Gelderland het beroep van de voetbalvereniging Vriendenschaar tegen de beslissing op bezwaar van 11 maart 2025. Deze beslissing houdt in dat het college van burgemeester en wethouders van Culemborg de omgevingsvergunning voor de bouw van een kantine op het sportcomplex in stand heeft gelaten. Vriendenschaar stelt dat het college ten onrechte verschillende passages uit de omgevingsvergunning onleesbaar heeft gemaakt, waardoor zij niet in staat was om adequaat bezwaar te maken. De rechtbank constateert dat de onleesbaar gemaakte passages gegevens bevatten die voortkomen uit een Bibob-advies en dat deze niet openbaar gemaakt mogen worden. De rechtbank oordeelt dat het college in strijd heeft gehandeld met de artikelen 3:46 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door de motivering van het besluit niet volledig kenbaar te maken. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beslissing op bezwaar en draagt het college op om de onleesbare passages alsnog openbaar te maken. Tevens moet het college het griffierecht en proceskosten vergoeden aan Vriendenschaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1865

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

CVV Vriendenschaar, uit [plaats], Vriendenschaar

(gemachtigde: mr. M.L.J. Bomers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg, het college
(gemachtigde: mr. T. Akkermans).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Vriendenschaar tegen de beslissing op bezwaar van 11 maart 2025 waarbij het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning aan de voetbalclub SMVC Fair Play voor de bouw van een kantine op het sportcomplex [naam sportcomplex] in [plaats] in stand is gelaten.

Achtergrond

1. Vriendenschaar is een voetbalvereniging die is gevestigd op het sportcomplex [naam sportcomplex], dat is gelegen aan de [locatie] in [plaats] (het sportcomplex). Sinds 2020 maakt ook voetbalvereniging SMVC Fair Play (Fair Play) gebruik van het sportcomplex.
1.1.
Fair Play heeft op 28 mei 2023 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van een kantine op het sportcomplex voor de duur van 10 jaar.
1.2.
Het sportcomplex is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Terwijde’ (het bestemmingsplan). Op de gronden waarop de aangevraagde kantine is gesitueerd rust de bestemming ‘Sport’ en deze gronden zijn niet gelegen binnen de grenzen van een bouwvlak.
1.3.
Het college heeft op 15 mei 2024 een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ [1] verleend. Verder heeft het college een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ [2] verleend omdat de bouw van de kantine op de betreffende locatie in strijd is met het bestemmingsplan omdat deze locatie niet is gelegen binnen een bouwvlak. [3]
1.4.
Op 20 juni 2024 heeft Vriendenschaar bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. In het bezwaarschrift stelt Vriendenschaar dat zij geen kennis heeft kunnen nemen van de voorschriften die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning omdat het college bepaalde passages onleesbaar heeft gemaakt.
1.5.
Op 11 maart 2025 heeft het college beslist op het bezwaar van eiseres (het besluit op bezwaar). Het college heeft de omgevingsvergunning in stand gelaten en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college heeft onder meer besloten dat de onleesbaar gemaakte passages gegevens bevatten die uit een advies als bedoeld in de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob-advies) zijn voortgekomen en betrekking hebben op de aanvrager. Volgens het college mogen op grond van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) deze gegevens niet openbaar worden gemaakt.
1.6.
Op 22 april 2025 heeft Vriendenschaar beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
1.7.
Op 27 augustus 2025 heeft de rechtbank Vriendenschaar en het college opgeroepen voor een comparitie. De comparitie is gehouden op 10 november 2025. [persoon A], [persoon B] en de gemachtigde van Vriendenschaar zijn verschenen namens Vriendenschaar. Namens het college is de gemachtigde verschenen. Tijdens deze comparitie is in overeenstemming met de partijen overeengekomen dat een nadere inhoudelijke behandeling van het beroep op een zitting achterwege kan blijven. [4]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar van 11 maart 2025. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van Vriendenschaar.
3. De rechtbank verklaart het beroep van Vriendenschaar gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 28 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Heeft het college ten onrechte verschillende passages uit de omgevingsvergunning onleesbaar gemaakt?
5. Vriendenschaar betoogt dat het college ten onrechte verschillende passages uit de omgevingsvergunning onleesbaar heeft gemaakt. Vriendenschaar voert daartoe aan dat het college ten onrechte heeft besloten dat het openbaar maken van de onleesbaar gemaakte passages in strijd is met de Wet Bibob. Vriendenschaar stelt dat de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Culemborg (bezwaarschriftencommissie) in haar advies heeft vermeld dat de onleesbaar gemaakte passages niet zien op persoonsgegevens van bestuurders van Fair Play en ook geen betrekking hebben op andere personen die zijn verbonden aan Fair Play. Verder blijkt volgens Vriendenschaar uit het advies van de bezwaarschriftencommissie dat de onleesbaar gemaakte passages geen betrekking hebben op de inhoud van het Bibob-advies.
5.1.
Het college voert hierover aan dat de onleesbaar gemaakte passages niet openbaar gemaakt mogen worden aan Vriendenschaar, omdat aan een bezwaarmaker geen gegevens uit een Bibob-advies mogen worden doorgegeven. Verder stelt het college dat Vriendenschaar wel in staat was om het pro-forma bezwaar aan te vullen, omdat alle gegevens over de bouw van de kantine, zoals de hoogte, grootte en locatie bekend waren bij eiser.
5.2.
Op grond van artikel 3:46 van de algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering.
Op grond van artikel 3:47, eerste lid, van de Awb, wordt de motivering vermeld bij bekendmaking van het besluit.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat het college gedeelten van de omgevingsvergunning geheim houdt, zowel voor de rechtbank als voor Vriendenschaar. In de omgevingsvergunning zoals die aan Vriendenschaar is bekendgemaakt en aan de rechtbank is overgelegd, zijn diverse passages van de omgevingsvergunning en daarmee van de motivering, met zwarte balken onleesbaar gemaakt. Tijdens de comparitie heeft het college toegelicht bij het standpunt te blijven dat deze passages geheim moeten blijven, en dat ook niet onder geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb een ongelakt exemplaar van de omgevingsvergunning aan de rechtbank zal worden verstrekt.
5.4.
Elk besluit moet berusten op een deugdelijke motivering op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze motivering moet worden vermeld bij de bekendmaking van dat besluit op grond van artikel 3:47, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat die motivering niet alleen deugdelijk moet zijn, maar ook kenbaar. Wanneer die motivering is gebaseerd op geheime stukken, dan is de kern van die motivering niet kenbaar: niet voor Vriendenschaar en zijn gemachtigde en ook niet voor de rechter. Dat leidt ertoe dat de rechter de deugdelijkheid van die motivering niet kan toetsen. Dat is dus in strijd met genoemde bepalingen uit de Awb. [5]
De stelling van het college dat de gelakte passages betrekking hebben op een Bibob-advies, ook als dat juist zou zijn, doet aan het voorgaande niets af. [6] Daarbij merkt de rechtbank overigens op dat de bezwaarschriftencommissie, die anders dan de rechtbank de onleesbaar gemaakte passages wel onder geheimhouding heeft kunnen inzien, in het advies heeft opgemerkt dat de onleesbaar gemaakte passages niet zien op persoonsgegevens van bestuurders van Fair Play en ook geen betrekking hebben op andere personen die zijn verbonden aan Fair Play. De stelling van het college dat Vriendenschaar wel in staat was om het pro-forma bezwaar aan te vullen doet ook niet af aan de schending van artikel 3:47, eerste lid van de Awb. Vriendenschaar kon namelijk geen kennis nemen van een groot deel van de omgevingsvergunning. Dat Vriendenschaar op de wel leesbare onderdelen van de omgevingsvergunning wel bezwaar kon aantekenen, maakt niet dat geen sprake is van een schending van artikel 3:47, eerste lid van de Awb.
5.4.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond en de beslissing op bezwaar van 11 maart 2025 wordt vernietigd. In de beslissing op bezwaar is ten onrechte besloten dat de onleesbaar gemaakte passages in de omgevingsvergunning niet openbaar gemaakt moesten worden aan Vriendenschaar. Het college dient deze passages alsnog openbaar te maken aan Vriendenschaar, waarna Vriendenschaar de mogelijkheid geboden dient te krijgen om alsnog haar bezwaarschrift aan te vullen. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan Vriendenschaar vergoeden en krijgt Vriendenschaar ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 11 maart 2025;
- draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak de onleesbaar gemaakte passages in de omgevingsvergunning leesbaar te maken voor Vriendenschaar, waarna Vriendenschaar de mogelijkheid geboden dient te krijgen om haar bezwaar aan te vullen;
- draagt het college om met inachtneming van het bovenstaande een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan Vriendenschaar moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan Vriendenschaar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 2˚ van de Wabo in samenhang met artikel 2.7, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II bij het Bor.
3.Op grond van artikel 9.2.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan mogen gebouwen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.
4.Als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven van 5 april 2022, ECLI:NL:CBB:2022:140.
6.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:278, r.o. 3.2.