ECLI:NL:RBGEL:2025:11251

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
25/4615 en 25/4616
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.17 OmgevingsregelingArt. 5.1 OmgevingswetArt. 8.1 OmgevingswetArt. 8.3 OmgevingswetArt. 11.37 Besluit activiteiten leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek jacht zonder goedgekeurd faunabeheerplan

De zaak betreft een beroep en verzoek om voorlopige voorziening van Stichting De Faunabescherming tegen het besluit van het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland om een handhavingsverzoek af te wijzen. Het verzoek betrof handhaving tegen jacht op houtduif, wilde eend en fazantenhaan zonder een goedgekeurd faunabeheerplan.

De rechtbank stelt vast dat het college het verzoek aanvankelijk ten onrechte afwees omdat het faunabeheerplan was vernietigd. Echter, bij de beslissing op bezwaar lag er een nieuw goedgekeurd faunabeheerplan, waardoor het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. De voorzieningenrechter volgt het college hierin en verklaart het beroep ongegrond.

De rechtbank behandelt ook het spoedeisend belang en procesbelang van eiseres, en concludeert dat deze aanwezig zijn, maar dat het ontbreken van een overtreding ten tijde van de beslissing op bezwaar doorslaggevend is. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De uitspraak bevat een uitgebreide juridische analyse van de toepasselijke bepalingen uit de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving en de rol van faunabeheerplannen.

Uitkomst: Het beroep van Stichting De Faunabescherming wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat ten tijde van de beslissing op bezwaar een goedgekeurd faunabeheerplan aanwezig was.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/4615 (voorlopige voorziening) en 25/4616 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting De Faunabescherming, uit Amstelveen, eiseres

(gemachtigde: mr. B.N. Kloostra),
en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland

(gemachtigde: mr. R. Bassie).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
Stichting Faunabeheereenheid Gelderlanduit Arnhem (FBE)
(gemachtigde: F. Koffeman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen de jacht op houtduif, wilde eend en fazantenhaan, af te wijzen. Met het besluit van 9 oktober 2025 heeft het college dit besluit in stand gelaten. Eiseres is het niet eens met dit besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college het handhavingsverzoek heeft af kunnen wijzen.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar geen sprake was van een overtreding. Het college was daarom niet bevoegd om handhavend op te treden en heeft het verzoek om handhaving terecht afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond en eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Bij besluit van 21 februari 2023 heeft het college het “Faunabeheerplan deelplan jacht en vrijstellingssoorten 2023-2029" (het faunabeheerplan) goedgekeurd. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
2.1. Met de uitspraak van 17 december 2024 heeft de rechtbank het goedkeuringsbesluit vernietigd. [1] Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
2.2.
Op 30 december 2024 heeft eiseres verzocht om handhavend op te treden tegen de uitoefening van de jacht in de provincie Gelderland op de fazantenhaan, wilde eend en houtduif omdat de jacht als gevolg van de vernietiging van het goedkeuringsbesluit door de rechtbank niet langer overeenkomstig een goedgekeurd faunabeheerplan plaatsvindt.
2.3.
Bij besluit van 14 januari 2025 heeft het college het verzoek om handhavend op te treden afgewezen. Dit besluit heeft het college bij besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres gehandhaafd.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 oktober 2025. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.6.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben van de zijde van eiseres deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en [persoon A]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde en [persoon B]. Namens de FBE waren aanwezig de gemachtigde en [persoon C].
2.8.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen jacht in de provincie Gelderland [3] op de fazanthaan, de wilde eend en de houtduif, omdat de jacht door de vernietiging van het goedkeuringsbesluit niet langer plaatsvindt overeenkomstig een goedgekeurd faunabeheerplan.
3.1. Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen omdat de jacht plaatsvindt conform de regels zoals gesteld in artikel 4.17 van de Omgevingsregeling. Bovendien dienen jachtactiviteiten op grond van artikel 11.63 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) te geschieden volgens een vastgesteld faunabeheerplan. Het ontbreken van een goedgekeurd faunabeheerplan vormt geen belemmering voor de uitoefening van de jacht, zolang deze binnen de wettelijk gestelde jachttijden plaatsvindt. Er is dan ook geen sprake van een overtreding en het college is daarom niet bevoegd om handhavend op te treden.
3.2. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft, voordat hij de beslissing op bezwaar heeft genomen, advies ingewonnen bij de Commissie rechtsbescherming. Met het besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college in afwijking van het advies van de Commissie rechtsbescherming, het besluit van 14 januari 2025 gehandhaafd. Hierbij heeft het college overwogen dat uit de wet en parlementaire geschiedenis niet kan worden afgeleid dat de uitoefening van de jacht volgens een faunabeheerplan vereist dat het faunabeheerplan is goedgekeurd. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt juist expliciet dat de jacht ook is toegestaan wanneer er geen (goedgekeurd) faunabeheerplan is, mits de rijksregels voor de jacht in acht worden genomen. [4] Het college wijst er verder op dat het college na ontvangst van een nadere motivering van de FBE, bij besluit van 17 april 2025 opnieuw goedkeuring heeft verleend aan het Faunabeheerplan 2023-2029.
Spoedeisend belang en procesbelang
4. Het college betwist dat eiseres een spoedeisend belang en een procesbelang heeft omdat er inmiddels een goedgekeurd faunabeheerplan ligt. De jacht dient te worden
uitgevoerd in overeenstemming met het Faunabeheerplan 2023-2029. Indien dat niet het geval is, kan daartegen handhavend worden opgetreden. Van onomkeerbare gevolgen voor de jachtsoorten doordat de jacht plaatsvindt zonder dat een faunabeheerplan is goedgekeurd, is dan ook geen sprake. De jacht op de wilde eend is op grond van artikel 4.17, onder e, van de Omgevingsregeling al geopend sinds 15 augustus 2025. Eiseres heeft nog twee maanden gewacht voor zij een verzoek om voorlopige voorziening indiende. Ook daaruit blijkt dat geen sprake is van een spoedeisend belang.
Het college betwist ook dat eiseres procesbelang heeft. Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is dat procesbelang het belang is dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. Omdat er inmiddels een goedgekeurd faunabeheerplan ligt heeft het doel dat eiseres voor ogen staat geen feitelijke betekenis meer en heeft zij dan ook geen procesbelang.
4.1. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er voldoende spoedeisend belang nu het jachtseizoen is geopend en heeft eiseres daarom ook voldoende procesbelang bij de beoordeling of het college het verzoek om handhaving heeft kunnen afwijzen. Dat eiseres enige tijd heeft gewacht voor zij een verzoek om voorlopige voorziening indiende doet daar niet aan af.
Is voor de uitoefening van jacht een goedgekeurd faunabeheerplan nodig?
5. Eiseres betoogt dat er sprake is van een overtreding. Zij wijst erop dat uit het Bal volgt dat de uitoefening van jacht wordt uitgevoerd volgens het faunabeheerplan dat voor het betrokken gebied is vastgesteld. [5] Volgens haar is duidelijk dat dit faunabeheerplan ook door het college moet zijn goedgekeurd, omdat een niet-goedgekeurd faunabeheerplan geen rechtsgevolg kan krijgen. Eiseres wijst ter onderbouwing van haar betoog op de uitspraken van de Afdeling van 19 april 2023 [6] en 20 maart 2019. [7]
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat voor de uitoefening van jacht geen goedgekeurd faunabeheerplan nodig is. Volgens hem geldt dat de minister op basis van de staat van instandhouding van de jachtsoorten besluit om de jacht al dan niet te openen. [8] Daarnaast is het aan de jachthouder om zorg te dragen voor een redelijke wildstand in zijn jachtveld. [9] Anders dan het geval is bij schadebestrijding hoeft de staat van instandhouding van de jachtsoorten volgens het college niet te worden getoetst in het faunabeheerplan.
5.2.
Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning en flora- en fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Op grond van artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet, voor het opzettelijk doden van van nature in Nederland in het wild levende vogels.
Op grond van artikel 11.62. van het Bal gelden de verboden, bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, onder a en d, 11.46, eerste lid, onder a en b, en 11.54, eerste lid, niet voor het bij de uitoefening van de jacht vangen, doden of verontrusten en met het oog daarop opsporen van wild in het jachtveld van een jachthouder, uitgevoerd in overeenstemming met artikel 11.64, eerste lid.
Op grond van artikel 11.63, eerste lid, van het Bal – voor zover van belang – wordt de uitoefening van de jacht uitgevoerd volgens het faunabeheerplan dat voor het betrokken gebied door de faunabeheereenheid is vastgesteld.
Op grond van artikel 8.1, tweede lid, van de Omgevingswet stelt een faunabeheereenheid voor haar werkgebied een faunabeheerplan vast. Het faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie waarin het werkgebied van de faunabeheereenheid is gelegen.
In artikel 8.3, vierde lid, van de Omgevingswet is bepaald dat de jacht alleen is toegestaan op dieren van de volgende soorten:
a. klein wild: fazanten (Phasianus colchicus), hazen (Lepus Europaeus),
b. waterwild: wilde eenden (Anas platyrhynchos),
c. overig wild: houtduiven (Columba palumbus), konijnen (Oryctolagus cuniculus).
5.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat uit artikel 11.63 van het Bal volgt dat jacht moet worden uitgevoerd volgens het faunabeheerplan. Faunabeheerplannen worden vastgesteld door een faunabeheereenheid. Omdat een faunabeheereenheid geen bestuursorgaan is zoals bedoeld in artikel 1:1 van Pro de Awb, heeft de enkele vaststelling van een faunabeheerplan door de faunabeheereenheid op zichzelf geen bestuursrechtelijke (juridische) status. Die status ontstaat pas als het college een goedkeuringsbesluit neemt en publiceert. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt daaruit dat een faunabeheerplan als bedoeld in artikel 11.63 niet zonder een goedkeuringsbesluit van het college kan. De voorzieningenrechter vindt bevestiging voor dat oordeel in de Memorie van Toelichting op de Wet natuurbescherming (Wnb) die voorafging aan de Omgevingswet. Daarin staat onder meer:
“Het door faunabeheereenheden opgestelde, door gedeputeerde staten goedkeurde faunabeheerplan – en het daarvan deel uitmakende afschotplan – wordt sturend bij schadebestrijding, populatiebeheer en jacht.” [10] en
“Niet alleen beheer, maar ook schadebestrijding en jacht dienen op grond van dit wetsvoorstel op een planmatige en gebiedsgerichte wijze te worden uitgevoerd, op basis van faunabeheerplannen, opgesteld door faunabeheereenheden en goedgekeurd door provincies. Jachthouders maken verplicht onderdeel uit van wildbeheereenheden, die de uitvoering van het faunabeheerplan bevorderen en coördineren.” [11] Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit onder het regime van de Omgevingswet anders is geworden.
De voorzieningenrechter ziet in de door het college aangehaalde gedeelten uit de parlementaire geschiedenis ook geen aanleiding om hierover anders te oordelen. Het college wijst er terecht op dat daarin staat dat de aanwezigheid van een goedgekeurd faunabeheerplan geen voorwaarde is voor de uitoefening van de jacht door de jachthouder in zijn eigen jachtterrein. Uit de hierboven geciteerde teksten uit de memorie van toelichting, de tekst van artikel 11.63 van het Bal en systematiek van (voorheen) de Wnb en thans de Omgevingswet en het Bal leidt de voorzieningenrechter echter af dat het bestaan van een goedgekeurd faunabeheerplan wel nodig is om te mogen jagen.
5.4.
Op de zitting heeft de FBE erop gewezen dat de minister de aangewezen persoon is om te bepalen of de jacht wordt geopend en om regels te stellen over wanneer en onder welke omstandigheden er wel of niet mag worden gejaagd. In een faunabeheerplan kunnen volgens de FBE dan ook niet of nauwelijks verdere (beperkende) regels over de jacht worden opgenomen. Ook als dat standpunt juist is, neemt dat niet weg dat uit artikel 11.63 van het Bal volgt dat er een faunabeheerplan moet zijn en dat dat niet alleen betekenis heeft voor populatiebeperking en schadebestrijding, maar uitdrukkelijk ook voor de jacht. Ook als dat faunabeheerplan ten aanzien van de jacht inhoudelijk beperkt van omvang is, is het bestaan ervan wel nodig om te mogen jagen. Daarbij komt dat uit de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2024 volgt dat in een faunabeheerplan wél meer inhoudelijke gegevens over de jachtsoorten moet zijn opgenomen. De vraag of die uitspraak juist is en of daarin al dan niet terecht is opgenomen dat ook ten aanzien van de jachtsoorten moet worden onderbouwd dat sprake is van schade, ligt op dit moment voor bij de Afdeling. De voorzieningenrechter kan daarop ook niet vooruitlopen en gaat uit de van juistheid van de uitspraak van de rechtbank.
5.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat er ten tijde van het besluit van 14 januari 2025 geen goedgekeurd faunabeheerplan was. Het goedkeuringsbesluit is immers vernietigd in de uitspraak van 17 december 2024. Dat betekent dat er ten tijde van het besluit van 14 januari 2025 wel sprake was van een overtreding en dat het college op dat moment bevoegd was om handhavend op te treden. Het college heeft dit ten onrechte niet onderkend en het verzoek om handhavend op te treden in het primaire besluit ten onrechte afgewezen.
5.6.
Bij besluit van 17 april 2025 heeft het college opnieuw goedkeuring verleend aan het Faunabeheerplan 2023-2029. Dit goedkeuringsbesluit wordt als 6:19 besluit bij het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2024 betrokken. Hoewel de motivering daarvan ten aanzien van de jachtsoorten niet wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van de eerdere goedkeuring blijkt uit het goedkeuringsbesluit dat het hele faunabeheerplan opnieuw is goedgekeurd. Of het college het faunabeheerplan heeft kunnen goedkeuren op basis van de gegeven aanvullende motivering ligt ter beoordeling voor bij de Afdeling. Omdat dit goedkeuringsbesluit niet is geschorst moet bij de beoordeling van onderhavig verzoek evenwel van het bestaan van de goedkeuring worden uitgegaan. Ten tijde van de beslissing op bezwaar was dan ook sprake van een goedgekeurd faunabeheerplan en was niet langer sprake van een overtreding. Het college kon het besluit tot afwijzing van het verzoek om handhaving in de beslissing op bezwaar dan ook handhaven omdat hij niet bevoegd is om handhavend op te treden. Het betoog van eiseres slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Rb. Gelderland 17 december 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:9045
2.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Het werkgebied van de FBE bevat het grondgebied van de provincie Gelderland, met uitzondering van terreinen waar de kroondrager als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op het Kroondomein gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht. Het Kroondomein Het Loo heeft haar eigen Faunabeheereenheid. Uit artikel 6.4 van het Omgevingsbesluit volgt dat een faunabeheerplan voor Kroondomein het Loo door de minister moet worden goedgekeurd. De voorzieningenrechter begrijpt het verzoek om handhaving zo dat het geen betrekking heeft op de gronden van Kroondomein Het Loo.
4.Het college wijst op twee verslagen van een schriftelijk overleg, Kamerstukken I, 2015/16, 33 348, nr. X en nr. Y.
5.Artikel 11.63 van het Bal.
8.In artikel 11.68 van het Bal is bepaald dat de jacht op een wildsoort alleen wordt uitgeoefend als de jacht op die wildsoort bij ministeriële regeling is geopend
9.Artikel 11.65 van het Bal.
10.Kamerstukken II, 2011–2012, 33 348, nr. 3, p. 20.
11.Kamerstukken II, 2011–2012, 33 348, nr. 3, p. 155.