In deze zaak heeft de rechtbank Gelderland geoordeeld over de afwijzing van een Woo-verzoek door de staatssecretaris van Financiën. Eiser, die betrokken is bij meerdere rechtszaken, verzocht om openbaarmaking van correspondentie tussen verschillende ambtenaren van de Belastingdienst over een periode van twee jaar. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen op basis van de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Eiser was het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de zaak op 12 augustus 2025 behandeld, waarbij eiser aanwezig was, maar de staatssecretaris niet. De rechtbank heeft vastgesteld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gevraagde informatie onder de geheimhoudingsplicht valt. De rechtbank benadrukt dat de openbaarmakingsregeling van artikel 67 Awr prevaleert boven de Woo en dat de documenten in het fiscale dossier van eiser niet hoeven te worden overgelegd aan de bestuursrechter, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat er documenten zijn die niet onder de geheimhoudingsplicht vallen.
Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, wat betekent dat eiser geen gelijk heeft gekregen en geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om de zaak aan te houden in afwachting van de inwerkingtreding van artikel 66a van de Awr, dat eiser in de toekomst mogelijk inzage in zijn gegevens kan geven.