ECLI:NL:RBGEL:2025:10980

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/2475
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van ziekengeld op grond van de Ziektewet en de beoordeling van benadelingshandelingen

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 16 december 2025, staat de weigering van ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) centraal. Eiser, die eerder werkzaam was als ambulant objectleider, heeft zich op 28 juni 2021 ziekgemeld en zijn dienstverband is per 1 juni 2022 beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst (VSO). Het UWV heeft eiser per 18 januari 2023 ziekengeld geweigerd, omdat hij niet verzekerd was vanuit de WW. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, waarbij hij aanvoert dat hij geen benadelingshandeling heeft gepleegd en dat de weigering van ziekengeld onterecht is.

De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht het ziekengeld per 18 januari 2023 heeft geweigerd, omdat eiser niet verzekerd was vanuit de WW. Echter, de rechtbank concludeert ook dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser een benadelingshandeling heeft gepleegd die hem in overwegende mate kan worden toegerekend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van het UWV en verklaart het beroep gegrond. Eiser krijgt recht op een vergoeding van de proceskosten en het UWV moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank benadrukt dat de gezondheidssituatie van eiser en de omstandigheden rondom de VSO van belang zijn voor de beoordeling van de verwijtbaarheid van de benadelingshandeling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2475

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.Th.H.M.J. Aarts),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: J.M. Marquenie).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van ziekengeld, op grond van de Ziektewet (ZW). Eiser is het niet eens met de weigering van het ziekengeld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV het ziekengeld terecht heeft geweigerd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht het ziekengeld per 18 januari 2023 heeft geweigerd, omdat eiser niet is verzekerd vanuit de WW. Het UWV heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat eiser een benadelingshandeling heeft gepleegd die hem in overwegende mate kan worden toegerekend en dat daarom het ziekengeld per 1 juni 2022 kan worden geweigerd. Eiser krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 18 april 2023 heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij per 18 januari 2023 geen recht heeft op ziekengeld op grond van de ZW, omdat hij niet is verzekerd vanuit de WW.
3. Met het bestreden besluit van 12 maart 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven. Hiernaast heeft het UWV het ziekengeld blijvend geheel geweigerd per 1 juni 2022, omdat eiser een benadelingshandeling heeft gepleegd.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4.1.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
5. Eiser is van 19 september 2014 tot 1 juni 2022 werkzaam geweest als ambulant objectleider bij [naam bedrijf] B.V. voor 40 uur per week. Op 28 juni 2021 heeft eiser zich ziekgemeld. Het dienstverband is per 1 juni 2022 beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst (VSO).
5.1.
Met het besluit van 21 juni 2022 heeft het UWV aan eiser per 1 juni 2022 een WW-uitkering toegekend.
5.2.
Met het besluit van 2 maart 2023 heeft het UWV de WW-uitkering beëindigd met ingang van 1 juni 2022 en de in de periode van 1 juni 2022 tot en met 31 januari 2023 te veel ontvangen uitkering teruggevorderd. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij ten tijde van de WW-aanvraag in het buitenland was. Met het besluit op bezwaar van 20 juli 2023 is het UWV bij dat besluit gebleven. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 20 juli 2023, zodat dit besluit in rechte vaststaat.
5.3.
Op 19 januari 2023 heeft eiser het UWV bericht dat hij vanaf 18 januari 2023 ziek is.
5.4.
Het UWV is hierna overgegaan tot de besluitvorming als vermeld onder het kopje “Procesverloop”.
5.5.
Het UWV heeft aan het bestreden besluit primair ten grondslag gelegd dat eiser geen recht heeft op ziekengeld per 18 januari 2023, omdat hij niet is verzekerd vanuit de WW. Het UWV heeft subsidiair [1] aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser geen recht heeft op ziekengeld per 1 juni 2022, omdat hij een benadelingshandeling heeft gepleegd. Het dienstverband is namelijk tijdens ziekte beëindigd door middel van een VSO. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) was er geen sprake van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Ook was er geen sprake (meer) van een verstoorde arbeidsrelatie, waardoor niet langer van eiser verwacht kon worden dat hij in dienst bleef bij de werkgever.
6. Eiser heeft – kort samengevat – aangevoerd dat hij recht heeft op ziekengeld per 18 januari 2023 omdat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Ook heeft hij recht op ziekengeld per 1 juni 2022, omdat de benadelingshandeling (het sluiten van de VSO) hem niet in overwegende mate kan worden verweten. Tijdens het VSO-traject was er sprake van een verstoorde arbeidsrelatie. Een andere minder verstrekkende maatregel dan het weigeren van het ziekengeld is daarom op zijn plaats. Ten slotte stelt eiser dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel. Hij voert daartoe aan dat de VSO voor het UWV geen beletsel was voor toekenning (in eerste instantie) van de WW-uitkering. Eiser had er op mogen vertrouwen dat het UWV de VSO ook niet zou tegenwerpen in het kader van de aanvraag voor toekenning van ziekengeld. Ook is er sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel. Tijdens de zitting heeft eiser verduidelijkt dat de gevolgen van de besluitvorming voor hem enorm zijn. Hij zit nu ziek in de bijstand en heeft schulden. Eiser heeft nog steeds restklachten van een corona-infectie en worstelt met een trauma als gevolg van het overlijden van zijn vader. Qua gezondheid is hij zowel lichamelijk als psychisch in een negatieve spiraal gekomen. Door dit alles heeft eiser geen vooruitzicht op een betere toekomst.
Heeft eiser recht op ziekengeld per 18 januari 2023?
7. De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij ten tijde van de WW-aanvraag in het buitenland was. Eiser heeft tijdens de zitting dit ook erkend. Het besluit op bezwaar van 20 juli 2023, waarin het UWV met ingang van 1 juni 2022 de WW-uitkering van eiser heeft ingetrokken en vervolgens beëindigd, staat namelijk in rechte vast. In deze procedure kan de juistheid (waaronder de evenredigheid) van die beslissing daarom niet ter discussie worden gesteld, ondanks dat die beslissing van invloed is op deze procedure. Eiser heeft de mogelijkheid gehad om tegen die beslissing in beroep te gaan maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Omdat het besluit op bezwaar van 20 juli 2023 in rechte vaststaat, moet de rechtbank van dat besluit en het daaruit voortvloeiende rechtsgevolg uit gaan. Het rechtsgevolg daarvan is dat eiser (met terugwerkende kracht) nooit WW heeft gehad. Dit betekent dat het UWV zich terecht op het standpunt stelt dat eiser vanuit de WW niet verzekerd was voor de ZW en daarom geen recht heeft op ziekengeld per 18 januari 2023.
Heeft eiser (in beginsel) recht op ziekengeld per 1 juni 2022?
8. Eiser stelt dat hij ziek was ten tijde van zijn uitdiensttreding en daarom recht had op ziekengeld. Er was (ook) sprake van situatieve arbeidsongeschiktheid, hem kan daarom niet worden verweten dat hij de VSO heeft ondertekend. Er is (daarom) geen sprake van een benadelingshandeling.
9. Allereerst zal de rechtbank de vraag beantwoorden of eiser op 1 juni 2022 arbeidsongeschikt was ten gevolge van ziekte.
9.1.
In zijn rapportage van 29 augustus 2023 schrijft verzekeringsarts bezwaar en beroep (VABB) W.M. Koek:
“Cliënt is verwezen door de huisarts naar de psycholoog eind 2021. Hij heeft last van angst- en spanningsklachten die versterkt zijn door doorgemaakte covid in periode waarin zijn vader ook aan covid overleden is. Na periode covid is er een arbeidsconflict ontstaan in samenhang met werkhervatting na ziekteperiode. (…) In de huidige situatie hebben de angstklachten de overhand. (…)
De informatie van de psycholoog leert dat cliënt sinds eind 2021 onder behandeling is. (…) Begin januari 2022 is gebleken dat na diverse onderzoeken dat in ieder geval sprake is van Osas waarvoor CPEP is verstrekt. In de loop van 2022 is de lichamelijke toestand van cliënt niet of nauwelijks verbeterd. (…)
Patiënt heeft diverse aanhoudende lichamelijke klachten en psychische klachten die mede veroorzaken dat patiënt in werkkwesties en gezondheidskwesties in problemen is geraakt en niet goed in staat is om zelfstandig zonder aansporing of begeleiding tot juiste keuzes te komen of uit te voeren. Naar mijn professionele inschatting is patiënt nooit hersteld geweest sinds 2021.
(…)
- Was cliënt per 1-6-2022 (datum einde dienstverband) arbeidsongeschikt?
Het antwoord is ja.
Cliënt was ten tijde van de datum einde dienstverband arbeidsongeschikt voor het eigen werk. Cliënt was aan het re-integreren in ander werk na een langere ziekteperiode na een covidinfectie. (…) De overige informatie rond datum einde dienstverband laat zien dat er geen herstel is van zowel de medische klachten als de psychische klachten voor het werk (…). Ook is duidelijk uit de stukken naar voren gekomen dat er vanaf eind 2021 sprake is van een arbeidsconflict (…).”
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze rapportage ondubbelzinnig dat eiser op 1 juni 2022 weliswaar een arbeidsconflict had maar dat de VABB vond dat eiser (in ieder geval) arbeidsongeschikt was vanwege medische en psychische klachten. Ook de (nieuwe) bedrijfsarts van de werkgever (S. Warink) geeft, anders dan de eerdere bedrijfsarts (A. Ester), in de terugkoppeling van 27 januari 2022 aan dat er sprake van ziekte en niet enkel van een arbeidsconflict.
Is er sprake van een benadelingshandeling die eiser in overwegende mate kan worden verweten?
10. Uit het voorgaande volgt dat eiser bij einde dienstverband in beginsel recht zou hebben gehad op ziekengeld. Daarom is vervolgens de vraag aan de orde of het UWV zich terecht op het standpunt stelt dat eiser een benadelinghandeling heeft gepleegd eiser die hem in overwegende mate worden verweten en hij daar daarom niet voor in aanmerking zou zijn gekomen. Het gaat dan om het opleggen van een maatregel.
10.1.
Eiser heeft aangevoerd dat de benadelingshandeling – het sluiten van de VSO – hem niet in overwegende mate kan worden verweten, gezien de bij hem spelende problematiek waardoor hij niet in staat was de juiste keuzes te maken. Bovendien was er gedurende het VSO-traject sprake van een verstoorde arbeidsrelatie. Om die reden moet alsnog per 1 juni 2022 aan eiser ziekengeld worden toegekend. Een andere minder verstrekkende maatregel dan het weigeren van het ziekengeld is op zijn plaats.
10.2.
Volgens het UWV kan de benadelingshandeling eiser in overwegende mate worden verweten. Er was weliswaar sprake van een verstoorde arbeidsrelatie maar die was verholpen. De bedrijfsarts heeft aangegeven dat verwacht mag worden dat terugkeer in eigen werk mogelijk is en dat het verzuim niet werk gerelateerd is. Daarom neemt het UWV niet aan dat de arbeidsrelatie dusdanig was verstoord dat niet langer van eiser verwacht kon worden dat hij in dienst bleef.
In het (aanvullend) verweerschrift van 9 december 2024 is hier aan toegevoegd dat eiser zich bij heeft laten staan door advocaat tijdens het ondertekenen van de VSO. Een advocaat is per definitie een persoon die in staat is juiste keuzes te maken. Dat kennelijk destijds de prioriteit heeft gelegen in het verkrijgen van een WW-uitkering, waar eiser achteraf gezien niet voor had willen of moeten kiezen, is niet een reden voor verminderde verwijtbaarheid. In het (aanvullend) verweerschrift van 4 november 2025 is hieraan nog toegevoegd dat de bedrijfsarts op 27 januari 2022 wel uitgaat van ziekte (niet van werk gerelateerd verzuim). Eiser heeft zijn stelling, dat de werkgever van hem af wilde en hem steeds zwaarder en viezer werk gaf, niet onderbouwd. Dit blijkt ook niet uit de stukken. Dat de werksituatie zodanig onder druk stond dat eiser niets anders kon doen dan stoppen blijkt volgens het UWV nergens uit.
11. Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW bepaalt dat het UWV het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas of de eigenrisicodrager benadeelt of zou kunnen benadelen.
Onder benadeling wordt op grond van het zevende lid mede verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van de dienstbetrekking in de periode bedoeld in artikel 29, eerste lid. Op grond van het tweede lid wordt een maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
12. De rechtbank begrijpt het (subsidiaire) standpunt van het UWV zo dat als eiser per datum einde dienstverband ziekengeld zou hebben aangevraagd, het ziekengeld bij wijze van maatregel blijvend zou zijn geweigerd, omdat hij een benadelingshandeling heeft gepleegd.
12.1.
Uit rechtsoverweging 11 volgt dat eerst vastgesteld moet worden óf er sprake is van een benadelingshandeling. Daarna moet worden beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre de benadelingshandeling aan eiser kan worden verweten. Als de benadelingshandeling hem in een bepaalde mate kan worden verweten, is tot slot de vraag dit het opleggen van een maatregel rechtvaardigt (en zo ja welke). Het standpunt van het UWV, dat eiser in overwegende mate kan worden verweten dat hij een VSO heeft getekend toen hij arbeidsongeschikt was en dat er daarom sprake is van een benadelingshandeling, is op zichzelf dus niet juist. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om (reeds) hierom het bestreden besluit te vernietigen, omdat niet valt in te zien dat eiser door deze beoordelingsvolgorde in zijn belangen is benadeeld. Het gaat om de vraag of het UWV zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat het opleggen van genoemde maatregel gerechtvaardigd is.
Is er sprake van een benadelingshandeling?
13. Naar het oordeel de rechtbank volgt uit de omstandigheid dat eiser een VSO heeft getekend, terwijl hij arbeidsongeschikt was wegens ziekte, dat hij een benadelinghandeling heeft gepleegd. Dit is in feite ook niet echt in geschil. Partijen verschillen over de vraag of (en in welke mate) dit eiser kan worden verweten.
Mocht eiser erop vertrouwen dat het plegen van een benadelingshandeling hem niet zou worden tegengeworpen?
14. Eisers beroepsgrond, dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat dat de VSO voor het UWV geen beletsel was voor toekenning (in eerste instantie) van de WW-uitkering, slaagt niet.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de eiser aannemelijk maakt dat het UWV toezeggingen of andere uitlatingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit eiser, in de gegeven omstandigheden, redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het UWV hem de benadelingshandeling niet zou tegenwerpen. [2] Dat heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Daarvoor is allereerst van belang dat het geenszins vaststaat dat het UWV ten tijde van het toekennen van WW bekend was met de VSO. Dit kan een verklaring vormen voor het (toen) niet tegenwerpen van de benadelingshandeling. Bovendien levert het niet tegenwerpen van de benadelingshandeling in het kader van de WW geen concrete toezegging op, of is het geen gedraging, waaruit eiser redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het UWV hem de benadelingshandeling (ook) niet zou tegenwerpen in het kader van de ZW. Dit betekent dat de benadelingshandeling eiser kan worden tegengeworpen in deze procedure.
Kan de benadelingshandeling eiser in overwegende mate worden verweten?
15. Het UWV stelt zich, onder meer onder verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (VABB), op het standpunt dat benadelinghandeling in overwegende mate aan eiser kan worden verweten. Daartoe wordt onder meer verwezen naar de rapportage van de VABB. Bovendien was de arbeidsrelatie niet (meer) dusdanig verstoord dat niet langer van eiser verwacht kon worden dat hij in dienst bleef. De rechtbank is van oordeel dat het UWV dit standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd. Hieronder zal worden uitgelegd waarom dat zo is.
15.1.
De VABB schrijft over de verwijtbaarheid van de benadelingshandeling:
“- Indien eiser per 1 juni 2022 arbeidsongeschikt was, kan het eiser aangerekend worden dat hij een beëindigingsovereenkomst heeft ondertekend?
Het antwoord is ja. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser als ontoerekeningsvatbaar zou moeten worden gezien. Zowel uit het huisartsenjournaal als uit de informatie van de psycholoog komt niet naar voren dat er sprake is van een ernstige lichamelijke aandoening of ernstig psychiatrisch ziektebeeld waaruit ontoerekeningsvatbaarheid kan voortkomen, zoals bijvoorbeeld aanwezig kan zijn in een psychose. Bovendien is te lezen dat eiser een advocaat heeft eind 2021/begin 2022 bij het arbeidsconflict. Eiser is daarom in staat om adequate hulp in te schakelen.”
De rechtbank begrijpt dat de VABB zich met name op het standpunt stelt dat het eiser kan worden aangerekend (verweten) dat hij de beëindigingsovereenkomst heeft ondertekend, omdat er geen sprake is van een situatie van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Echter het is niet zo dat elke vorm van verwijtbaarheid alleen ontbreekt als er sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Het antwoord op de vraag of een benadelingshandeling aan de betrokkene verweten kan worden ligt niet zwart-wit: het is niet (per definitie) óf wel verwijtbaar óf niet. Er zijn allerlei nuances mogelijk. Diverse omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen en het is niet alleen afhankelijk van de vraag of iemand (psych(iatr)isch gezien) volledig toerekeningsvatbaar is of niet. [3]
Op zichzelf kan de rechtbank de VABB volgen in zijn medisch oordeel dat bij eiser ten tijde van het tekenen van de VSO geen sprake was van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Deze omstandigheid is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat deze benadelingshandeling daarom (volledig) aan eiser kan worden toegerekend. Dat eiser (volgens de VABB) in staat zou zijn geweest om adequate hulp in te schakelen maakt dit niet anders.
15.2.
De rechtbank is van oordeel dat zich informatie in het dossier bevindt op grond waarvan gerede twijfel kan ontstaan over de vraag of eiser, gezien de mentale staat waarin hij verkeerde, wel goed in staat was om de gevolgen van zijn keuzes volledig te overzien, ook al werd hij bijgestaan door een advocaat. De behandelaar van eiser – M.W.C. van Waalwijk, GZ psycholoog bij Psychologenpraktijk Arends – schrijft in haar brieven namelijk onder meer het volgende:
 In de brief van 8 januari 2022 aan de bedrijfsarts:
“Is tot weinig in staat, leeft in een waas, wordt door familieleden aangespoord, woont de laatste tijd bij zijn moeder. cliënt heeft herbelevingen… Heeft angst om dood te gaan (…). Heeft aanhoudende stress omdat hij zich niet instaat voelt om te werken, door de werkgever uit functie zou zijn gezet en er wordt gedreigd met looninhouding als hij zich ziek zou melden. Klachten zijn ontstaan na COVID (...). Cliënt is sindsdien nog niet hersteld geweest en voelt zich gedwongen volgens aanwijzingen van zijn werkgever te werken (…)”.
 In de brief van 9 maart 2023:
“Patiënt heeft diverse aanhoudende lichamelijke klachten en psychische klachten die mede veroorzaken dat patiënt in werkkwesties en gezondheidskwesties in problemen is geraakt en niet goed in staat is om zelfstandig zonder aansporing of begeleiding tot de juiste keuzes te komen of deze uit te voeren (…)”.
 In de brief van 25 juli 2023:
“In de loop van 2022 is de lichamelijke toestand van cliënt niet of nauwelijks verbeterd. Cliënt meldde dat hij eind januari is moeten gaan werken in Houten daarheen reizend ondanks reisverbod van specialist etc.
Met een voor mij onduidelijke status van ziektemelding en begeleiding conform Wet Poortwachter (…) heeft cliënt kennelijk ergens in 2022 om van het gedoe af te zijn ingestemd met voorwaarden en een regeling en is, ondanks juridisch advies, onverhoopt uit dienst gegaan als werkzoekende. (…)
Patiënt heeft diverse aanhoudende lichamelijke klachten en psychische klachten die mede veroorzaken dat patiënt in werkkwesties en gezondheidskwesties in problemen is geraakt en niet goed in staat is om zelfstandig zonder aansporing of begeleiding tot de juiste keuzes te komen of deze uit te voeren (…)”.
15.3.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er wel degelijk aanwijzingen zijn dat er ten tijde van het tekenen van de VSO nog steeds sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie.
15.3.1.
Uit de bovengenoemde brieven van Van Waalwijk en uit de rapportage van de huisarts van 23 juli 2025, volgt dat eiser bij zijn behandelaar steeds heeft aangegeven dat hij spanningen en stress ervoer, omdat hij zich niet in staat voelde om te werken maar de werkgever dreigde hem uit zijn functie te zetten en zou dreigen met looninhouding. In dit verband wordt met name verwezen naar de passage uit de brief van 25 juli 2023 Van Waalwijk waarin staat dat eiser op enig moment van zijn werkgever naar Houten moest gaan reizen, ondanks een reisverbod van eisers specialist.
15.3.2.
Volgens het UWV was het arbeidsconflict opgelost. Daarvoor wordt verwezen naar een brief van 12 november 2022 van (onder meer) de bedrijfsarts drs. A. Ester. In die brief staat:
“Tijdens het overleg moment is er gesproken over het gesprek wat tussen de Districtsmanager (…) en werknemer (…) heeft plaatsgevonden op donderdag 04-11-2021.
Volgens de Districtsmanager was het in eerste instantie een verhit gesprek maar is uiteindelijk goed verlopen en afgerond. Tijdens het gesprek heeft de Districtsmanager een aantal voorstellen gedaan richting de werkgever, met het verzoek hierover na te denken en uiterlijk maandag 8 november 2021 hierop terug te komen . (…)
Dit betekent dat het goede gesprek uiteindelijk heeft plaatsgevonden en er gezamenlijk gekeken zal worden naar de verdere afwikkeling ten aanzien van de keuze die de werkgever heeft gemaakt.
Beperkingen: De beperkingen zullen geleidelijk verder afnemen, nu het goede gesprek heeft plaatsgevonden.
Mogelijkheden: Werknemer is belastbaar voor arbeid (…).”
Deze brief is echter onvoldoende om te stellen dat het arbeidsconflict was opgelost. Allereerst komt het medisch oordeel van deze bedrijfsarts, dat er geen sprake was van ziekte maar van een arbeidsconflict, niet overeen met het oordeel van de latere bedrijfsarts, S. Warink. Die schrijft namelijk op 27 januari 2022:
“Ik sprak met werknemer op het spreekuur van 27-01-2022. Er is sprake van ziekte of gebrek. Door medische oorzaken zijn er nu tijdelijk beperkingen (…).”
Verder is opvallend dat bedrijfsarts Ester in de brief van 12 november 2021 een totaal andere conclusie trekt dan in haar brief van 10 november 2021. Zij heeft op 10 en 12 november 2021 met respectievelijk eiser en de werkgever gesproken over een gesprek dat tussen eiser en de werkgever heeft plaatsgevonden op 4 november 2021. Na haar gesprek met de werkgever komt zij in haar brief van 12 november 2021 tot de conclusie dat eiser en de werkgever op 4 november 2021 tot goede afspraken zijn gekomen en het gesprek ‘goed is verlopen en afgerond’. Dit is in tegenspraak met haar brief van twee dagen eerder waarin zij, na een gesprek die dag met eiser, aangaf dat het gesprek op 4 november 2021 juist níet heeft geleid tot een oplossing. In de brief van 10 november 2021 staat namelijk:
“Op 10 november 2021 heeft er een telefonisch vervolgconsult plaatsgevonden tussen werknemer (in het bijzijn van zijn zus) en de Verzuim Coach Taakdelegatie. (…)
Uw medewerker heeft aangegeven dat er vorige week donderdag (04-11-2021) een gesprek heeft plaatsgevonden tussen werkgever en werknemer (in het bijzijn van zijn zus). Volgens werknemer heeft het gesprek niet geleid tot een geschikte oplossing (…).
Aangezien de vorige gesprekken tot op heden niet geleid hebben tot een oplossing, is het advies om zo spoedig mogelijk met elkaar in gesprek te gaan met een derde onafhankelijke partij. (…).”
Voor deze tegenstrijdigheid is geen verklaring te vinden. Er is geen sprake geweest van een ontwikkeling tussen 10 en 12 november 2021. Nu de relatie tussen eiser en de werkgever al zo lang verstoord was, ondanks diverse gesprekken die al hadden plaatsgevonden, valt niet in te zien waarom bedrijfsarts Ester enkel op basis van de informatie van de werkgever over het gesprek van 4 november 2021 concludeert dat het langlopende conflict is opgelost, terwijl eiser daar heel anders over dacht.
15.4.
In het licht van de gezondheidssituatie van eiser, de mentale situatie waarin hij verkeerde, en de omstandigheid dat hij ten tijde van het tekenen van de VSO al geruime tijd verkeerde in een arbeidsconflict met zijn werkgever omtrent zijn mogelijkheden om te werken, is de rechtbank van oordeel dat het UWV zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat de benadelingshandeling in overwegende mate aan eiser kan worden toegerekend. Om die reden heeft het UWV (ook) onvoldoende gemotiveerd dat de maatregel van (blijvende) weigering van ziekengeld per 1 juni 2022 op zijn plaats zou zijn.

Conclusie en gevolgen

16. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Het beroep is gegrond.
16.1.
De rechtbank ziet in de stelling ter zitting van het UWV, dat ook als eiser de benadelingshandeling niet zou zijn tegengeworpen, hij niet in aanmerking zou zijn gekomen voor ziekengeld, omdat er sprake was van een uitsluitingsgrond (namelijk verblijf in het buitenland) geen reden om het besluit niet te vernietigen of om de rechtsgevolgen in stand te laten. De reden daarvoor is dat dit standpunt niet aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Het zo laat tegenwerpen van een uitsluitingsgrond acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde.
17. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van acht weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn op grond van artikel 8:106, eerste lid, van de Awb pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
18. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt hij ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen, daar staan twee punten voor. In beroep heeft elk punt een waarde van € 907. De proceskostenvergoeding bedraagt € 1.814. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 12 maart 2024;
  • draagt het UWV op binnen acht weken nadat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt het UWV in de kosten van eiser tot een bedrag van € 1.814;
  • bepaalt dat het college aan eiser het in beroep betaalde griffierecht van € 51 voor beroep vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt expliciet uit wat ter zitting is besproken.
2.Zie onder meer de uitspraak van 20 november 2025 van de CRVB (ECLI:NL:CRVB:2025:1717)
3.Zie ook de uitspraak van 12 augustus 2021 van de CRVB (ECLI:NL:CRVB:2021:2036), r.o. 4.11.