Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
[bedrijf 1] ,gevestigd te [plaats 1] , en
[bedrijf 2] ,gevestigd te [plaats 2] , gemeente [plaats 3] ,
1.[gedaagde 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2],
gevestigd te [plaats 5] ,
1.De procedure
2.De feiten
- [bedrijf 1] produceerde met name zogenaamde ‘snacks’ voor honden en katten, waaronder diepvriesproducten;
- [bedrijf 2] produceerde droogvoer producten (brokken) voor honden- en kattenvoer;
- [bedrijf 6] en [bedrijf 7] verzorgden de exploitatie van een natvoer productiefaciliteit voor honden- en kattenvoer, verpakt in aluminium kuipjes (alucups); en
- [bedrijf 5] was belast met alle ondersteunende diensten ten behoeve van voormelde productiemaatschappijen (o.a. inkoop, verkoop, HRM, directie en management, administratie (facturatie), kwaliteit en ICT).
€ 6.480.337,94.
3.De vordering van de curator
4.4. Het verweer van [gedaagden]
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn niet aansprakelijk voor de tekorten in het faillissement van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Evenmin zijn zij aansprakelijk voor de door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , dan wel door hun crediteuren geleden schade.
5.De beoordeling
[gedaagden] stelt dat het rechtmatigheidsonderzoek door de curator ondeugdelijk is geweest en heeft geleid tot een tunnelvisie bij de curator met betrekking tot de oorzaak van het faillissement van beide vennootschappen. De curator heeft zijn conclusie dat sprake is van onbehoorlijk bestuur getrokken zonder ooit één keer met [gedaagde 1] te hebben gesproken. Pas na beslaglegging en het opstellen van een dagvaarding (die destijds niet is aangebracht) heeft de curator één keer met [gedaagde 1] gesproken. De curator heeft ook nooit gesproken met de financiële mensen van [bedrijf 10] (zoals de CFO) of met de accountant van [bedrijf 10] . Verder heeft de curator het onderzoeksrapport van Hermes Advisory alleen maar bestudeerd met als doel om het verweer van [gedaagde 1] te weerleggen. De curator heeft in het geheel niet gereageerd op het memo van Hermes Advisory van 14 november 2022 waarin wordt ingegaan op vragen van de curator en waarin nogmaals wordt verduidelijkt dat andere oorzaken dan kennelijk onbehoorlijk bestuur hebben geleid tot het faillissement van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . De curator heeft daarmee gehandeld in strijd met de INSOLAD gedragsregels.
Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 152). Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door [gedaagden] aangevoerde stellingen onvoldoende om te kunnen oordelen dat de curator voor de beslissing van de rechtbank noodzakelijke gegevens aan de rechtbank heeft onthouden.
Zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 1] op grond van artikel 2:248 lid 1 BW Pro aansprakelijk voor het tekort in het faillissement van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ?
In geval van faillissement van de vennootschap is iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.”
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 2] als bestuurder van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] de jaarrekeningen van 2016 en 2017 te laat (respectievelijk op 3 maart 2018 en 6 augustus 2019) heeft gedeponeerd. Daarmee is gegeven dat [gedaagde 2] haar taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. [gedaagden] mag dit vermoeden ontzenuwen.
“Art. 2:248 lid 2 BW Pro bepaalt dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit art. 2:10 BW Pro of art. 2:394 BW Pro, het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het niet voldoen aan deze verplichtingen wijst erop dat het bestuur zijn taak ook voor het overige niet behoorlijk vervult.Een redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 BW Pro brengt mee dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement, volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van art. 2:248 lid 1 BW Pro aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Naast van buiten komende oorzaken, kan ook handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert -en waarvan dus niet gezegd kan worden dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld- voldoende zijn voor ontzenuwing van het in art. 2:248 lid 2 BW Pro bedoelde vermoeden.Het vorenstaande wordt niet anders doordat art. 2:248 lid 2 BW Pro bepaalt dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld indien het niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit art. 2:10 BW Pro of art. 2:394 BW Pro, en in de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat hiermee is bedoeld dat uit deze tekortkomingen wordt afgeleid dat het bestuur zijn taak ook in het algemeen onbehoorlijk heeft vervuld en daartegen geen tegenbewijs openstaat. Een en ander moet immers worden gelezen in het licht van het aan art. 2:248 BW Pro ten grondslag liggende uitgangspunt dat het niet erom gaat de bestuurders persoonlijk voor het gehele tekort aansprakelijk te maken wegens het enkele feit van het onbehoorlijke bestuur, ook al heeft dit niet tot het faillissement geleid. Met dit laatste strookt dat in de wetsgeschiedenis ook is opgemerkt dat het bestuur in verband met het bijeenbrengen van tegenbewijs tegen het wettelijk vermoeden dat kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, bewijs ervan kan leveren dat het zich voor het overige wel behoorlijk van zijn taak heeft gekweten.”
- [bedrijf 1] werd geconfronteerd met een aanzienlijke stijging van grondstofprijzen en een grote afnemer van haar, Futternapf, op een gegeven moment niet meer bereid was om de prijzen, die noodzakelijk waren voor een rendabele exploitatie, te betalen en daardoor in 2017 afhaakte, wat een aanzienlijke omzetdaling tot gevolg had;
- [bedrijf 2] in 2012 een grote afnemer van haar, Futternapf, kwijtraakte en zij daarna het verlies van omzet maar gedeeltelijk kon herstellen;
“
5.2.1 De aldus door het hof vastgestelde feiten komen er, naar de kern genomen, op neer dat sinds 1999 een situatie heeft bestaan waarin Holding als houdstermaatschappij en bestuurder van Comsys en Services dit deel van haar concern aldus had opgezet dat in wezen Comsys en Services tezamen één onderneming voerden, waarbij de kostenkant bij Services lag en de inkomstenkant bij Comsys, terwijl de door Services ten behoeve van Holding en Comsys gemaakte kosten niet volledig werden doorbelast. Als gevolg hiervan was Services sinds 1999 verliesgevend en kon zij haar schuldeisers slechts volledig voldoen doordat Holding en Comsys de verliezen aanvulden door financiering in rekening-courant. Holding heeft de potentiële schuldeisers van Services niet gewaarschuwd voor de aan deze structuur inherente risico's, die nog vergroot werden doordat alle activa van Services aan de Rabobank waren verpand. Hierbij verdient aantekening dat Services in ieder geval tot eind 2001 haar opeisbare schulden steeds heeft voldaan, daartoe in staat gesteld door voornoemde financiering in rekening-courant door Holding en Comsys. Ultimo 2001 heeft Holding (met Comsys) ervoor gekozen om de activiteiten van Services, ondanks de (ook) in 2001 geleden aanzienlijke verliezen, niet te beëindigen, maar Services te laten doorgaan als 'going concern'.
De curator heeft evenmin duidelijk kunnen maken dat het aanvragen door [gedaagden] van surseance van betaling het faillissement van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] had kunnen voorkomen en dat als gevolg van een akkoord de schuldeisers van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] beter af zouden zijn geweest dan thans het geval is.
i) vanwege de te late publicering van de jaarrekeningen vast staat dat [gedaagde 2] haar taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld;
ii) [gedaagden] erin is geslaagd om het vermoeden te ontzenuwen dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van de faillissementen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ; en
iii) de curator vervolgens niet aannemelijk heeft gemaakt dat kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van deze faillissementen is geweest.
“
Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld.”
5.31. De curator heeft ten eerste aangevoerd dat als zich de situatie voordoet waarvan sprake was in het Comsys-arrest, hij zijn vordering ook op artikel 2:9 BW Pro en artikel 6:162 BW Pro kan baseren.
5.34. De rechtbank zal de volgende door de curator aangevoerde feiten en omstandigheden toetsen aan artikel 2:9 BW Pro en artikel 6:162 BW Pro en oordeelt als volgt:
b. Het verwijt van de curator dat [gedaagden] vanaf medio 2018 niet langer had mogen ‘doormodderen’ met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is onvoldoende geconcretiseerd. De enkele omstandigheid dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] verlieslatend waren, is hiervoor in ieder geval onvoldoende. [gedaagden] heeft toegelicht dat hij bezig was met een herfinanciering, om zo alsnog het werkkapitaal te verkrijgen dat benodigd was om de ondernemingen rendabel te kunnen exploiteren. Ook werd onderzocht of een externe overname van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] mogelijk was. De curator heeft niet toegelicht waarom het onbehoorlijk of onrechtmatig was van [gedaagden] om deze reddingspoging te ondernemen. Dat de poging uiteindelijk niet is gelukt – onder meer omdat enkele grote afnemers niet bereid waren om mee te werken aan de hiervoor vereiste factoring en omdat er geen interesse bleek te zijn voor overname van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] – vormt geen grond om te oordelen dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur dan wel van onrechtmatigheid handelen/nalaten.
De omstandigheid dat – zoals de curator tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht – er buiten de gebruikelijke schuldeisers in een faillissement (UWV, belastingdienst, verhuurder) nauwelijks schuldeisers zijn in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] én dat [gedaagde 1] (en andere vennootschappen van hem) met afstand de grootste schuldeiser is van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , vormt juist een contra-indicatie voor het door de curator gestelde ‘te lang doormodderen’.