ECLI:NL:RBGEL:2025:10728

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
ARN 23/6188
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke afwijzing van verzoek om inzage in persoonsgegevens op grond van de Wet Politiegegevens

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 11 december 2025, wordt de gedeeltelijke afwijzing van verzoeken van eisers om inzage in hun persoonsgegevens en beantwoording van vragen op basis van de Wet Politiegegevens (Wpg) behandeld. De rechtbank heeft de onder geheimhouding overgelegde stukken zorgvuldig bestudeerd en komt tot de conclusie dat de besluiten van de korpschef op de verzoeken van eisers een motiveringsgebrek vertonen. De beroepen zijn gegrond, maar de rechtbank besluit de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten, omdat de korpschef de motiveringsgebreken in beroep heeft hersteld en de verzoeken van eisers terecht gedeeltelijk heeft afgewezen. De rechtbank legt uit dat de korpschef op 7 augustus 2023 het verzoek van eiser om inzage in zijn verwerkte persoonsgegevens gedeeltelijk heeft afgewezen. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt dat de motivering van de korpschef in het bestreden besluit onvoldoende was, maar dat deze in het verweerschrift en het nieuwe overzicht is hersteld. De rechtbank benadrukt dat de belangen van de korpschef om opsporingsonderzoeken en nationale veiligheid te beschermen zwaarder wegen dan de belangen van eiser om inzage te krijgen in de betreffende politiegegevens. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand, omdat het motiveringsgebrek is hersteld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/6188

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser

(gemachtigden: mr. T.M.D. Buruma en mr. S.K.S. Toelsie),
en

de korpschef van politie

(gemachtigden: mr. M.J.A. Hanhart, mr. N.N. Bontje en mr. P.G.M. van der Voorn).

Samenvatting en leeswijzer

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens en om beantwoording van een aantal vragen op grond van de Wet Politiegegevens (Wpg). Eiser is het niet eens met deze gedeeltelijke afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de korpschef op het verzoek van eiser een motiveringsgebrek kent. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de korpschef het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld en het verzoek van eiser terecht gedeeltelijk heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en 4 staat waar deze zaak over gaat en hoe de besluitvorming tot stand is gekomen. Vervolgens beantwoordt de rechtbank onder 5 de vraag of het beroep gegrond is. Vanaf 6 beoordeelt de rechtbank of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen in stand te laten. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2023 heeft de korpschef het verzoek van eiser om inzage in zijn verwerkte persoonsgegevens en om beantwoording van een aantal vragen gedeeltelijk afgewezen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. [1]
2.2.
De korpschef heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. De stukken staan gedeeltelijk op een usb-stick. Ten aanzien van de stukken op de usb-stick – waarvan inzage aan eiser (gedeeltelijk) is geweigerd – heeft de korpschef op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen. De rechtbank heeft gehandeld alsof de rechtbank heeft beslist dat de beperking van de kennisneming van de voor eiser geheimgehouden stukken gerechtvaardigd is. [2] Eiser heeft de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven.
2.3.
Op 4 september 2025 heeft de korpschef een verweerschrift ingediend en het bij het bestreden besluit verstrekte overzicht vervangen door een nieuw overzicht. Verder heeft de korpschef een tweede usb-stick en een schriftelijk stuk (een nadere motivering) overgelegd, en daarbij op grond van artikel 8:29 van de Awb meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen. Voor wat betreft de stukken op de usb-stick heeft de rechtbank gehandeld alsof de rechtbank heeft beslist dat de beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Voor wat betreft de in het schriftelijke stuk opgenomen nadere motivering heeft de rechtbank bij beslissing van 11 september 2025 bepaald dat beperking van de kennisneming hiervan gerechtvaardigd is. Eiser heeft de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met een vijftal andere beroepen [3] , op
23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser, A. Krommendijk namens de korpschef, en de gemachtigden van de korpschef.

Totstandkoming van de besluitvorming

Het verzoek
3. Eiser heeft op 3 april 2023, samen met de vijf eisers in de overige zaken [4] , op grond van artikel 25 van de Wpg de Landelijk Eenheid van de politie verzocht om informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens.
3.1.
De aanleiding voor dit verzoek is dat de Spaanse autoriteiten op 10 oktober 2022 een inreisverbod van tien jaar aan eiser en de eisers in de overige zaken hebben opgelegd. In het inreisverbod van eiser staat dat hij behoort tot een groep met terroristisch ideologie onder de naam ‘[naam groep]’. In het inreisverbod staat ook dat in 2018, in het kader van een antiterroristische operatie, in de steden [plaats 2] en [plaats 1] een cel van de groep werd ontmanteld. Zeven leden, die een terroristische aanslag in Nederland hadden gepland en die al met de voorbereidingen waren begonnen door het aanschaffen van vuurwapens en explosieve stoffen, werden gearresteerd. Volgens eiser kan het niet anders dan dat hiermee wordt verwezen naar de groep die in het onderzoek [naam onderzoek] is aangehouden en vervolgd voor het onder andere in [plaats 1] deelnemen aan een terroristische organisatie en het onder andere in [plaats 2] voorbereiden van een terroristische aanslag. Eiser wordt, hoewel is aangegeven dat hij niet wordt verdacht van terroristische misdrijven of feiten, in het buitenland kennelijk wel gerekend tot de groep personen die verdacht waren in dit onderzoek, dan wel hiermee in verband gebracht. Volgens eiser kan het niet anders dan dat de onderbouwing van het inreisverbod afkomstig is uit Nederland.
3.2.
Eiser en de eisers in de overige zaken willen inzage in alle door de politie verwerkte persoonsgegevens en antwoord op de volgende vragen:
of zij in Nederland in verband zijn gebracht met het onderzoek [naam onderzoek] en zo ja, of dit nog steeds het geval is en op basis van welke informatie;
of zij als CTER [5] -subject zijn aangemerkt en zo ja, op basis van welke informatie;
3. of deze informatie door de Nationale Politie is gedeeld met andere instanties en zo ja, met welke instanties (in Nederland en daarbuiten);
4. of, indien op enig moment er een gewijzigd inzicht plaatsvond – en zij bijvoorbeeld niet langer als CTER-subject of ‘person of interest’ werden beschouwd – dit is gedeeld met de instanties met wie eerder deze persoonsgegevens zijn gedeeld.
5. aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt en/of van wie persoonsgegevens zijn verkregen, waaronder, maar niet uitsluitend, Interpol, Europol, autoriteiten van individuele EU-lidstaten, AIVD, MIVD, gemeente, reclassering en NCTV;
6. welke waarborgen voor doorgifte de korpschef heeft getroffen ingeval voornoemde persoonsgegevens zijn doorgegeven aan een ander land of aan een internationale organisatie;
7. welke informatie Bureau SIRENE over hen heeft verwerkt in het SIS-II [6] .
De besluitvorming
4. De korpschef heeft in de systemen BVH, BVI-IB, systemen van Europol, Executie & Signalering, het SIS-II en Summ-IT gezocht naar alle politiegegevens die zij over eiser verwerkt. Het onderzoek heeft geresulteerd in 16 meldingen en registraties waarin politiegegevens van eiser voorkomen.
4.1.
Bij het bestreden besluit heeft de korpschef het inzageverzoek gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. De korpschef heeft als bijlage een overzicht verstrekt van alle 16 registraties en meldingen waarin informatie over eiser wordt verwerkt. In dit overzicht is aangegeven in welke registraties en meldingen inzage is toegewezen, in welke registraties en meldingen inzage is geweigerd, en welke registratie en melding is doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie. Bij een weigering is toegelicht op grond van welke van de in artikel 27, eerste lid, van de Wpg opgenomen weigeringsgrond(en) inzage is geweigerd. Verder heeft de korpschef de onder 3.2 genoemde vragen 1, 6 en 7 beantwoord. De overige vragen heeft de korpschef op grond van de in artikel 27, eerste lid, onder e, van de Wpg opgenomen weigeringsgrond niet beantwoord.
4.2.
Bij het verweerschrift heeft de korpschef het bij het bestreden besluit verstrekte overzicht vervangen door een nieuw overzicht. Hieruit blijkt dat bij een aantal registraties/meldingen de weigeringsgronden zijn aangevuld en/of gewijzigd, en dat de motivering van de weigeringsgronden deels is aangevuld. Over één registratie (nummer 8) staat dat dit abusievelijk is betrokken bij het verzoek van eiser, omdat het uitsluitend gegevens van derden bevat.
4.3.
Op 4 september 2025 heeft de korpschef, in een onder geheimhouding overgelegde reactie, aanvullend gemotiveerd waarom inzage en beantwoording van vragen wordt geweigerd en waarom eiser geen kennis mag nemen van deze motivering.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep gegrond?
5. De rechtbank stelt vast dat de korpschef bij het verweerschrift een nieuw overzicht als bijlage bij het bestreden besluit heeft verstrekt. Hieruit blijkt, zoals ook staat vermeld onder 4.2, dat bij een aantal registraties/meldingen de weigeringsgronden zijn aangevuld en/of gewijzigd, en dat de motivering van de weigeringsgronden deels is aangevuld. Dit betekent dat het nieuwe overzicht een aanvullende motivering van het bestreden besluit is.
5.1.
De rechtbank is, vanwege de omstandigheid dat de korpschef het bestreden besluit aanvullend heeft gemotiveerd in het verweerschrift en het nieuwe overzicht, van oordeel dat de motivering in het bestreden besluit onvoldoende was. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
5.2.
Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank beoordeelt hierna of zij aanleiding ziet om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. [7] De rechtbank neemt hierbij de aanvullende motivering in het verweerschrift en het nieuwe overzicht in aanmerking.
Bestaat er aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten?
6. De rechtbank beoordeelt of de korpschef het motiveringsgebrek heeft hersteld en het verzoek van eiser om inzage en beantwoording van vragen terecht gedeeltelijk heeft afgewezen.
6.1.
De rechtbank stelt in dit verband voorop dat zij de problemen die eiser heeft ondervonden (en nog steeds ondervindt) begrijpt. De rechtbank begrijpt ook de moeilijkheden/beperkingen die hij ervaart bij het achterhalen van de oorzaak daarvan, zoals deze ook naar voren komen in het rapport ‘Blind vertrouwen’ van de Nationale Ombudsman van 12 november 2024 waarnaar eiser heeft verwezen. De rechtbank onderkent bovendien dat deze uitspraak mogelijk leidt tot een voor eiser onbevredigend resultaat. De rechtbank kan haar oordeel in de hierna volgende overwegingen namelijk slechts in algemene bewoordingen motiveren, omdat zij de inhoud van de onder geheimhouding overgelegde stukken niet mag prijsgeven. De rechtbank benadrukt echter dat zij alle onder geheimhouding overlegde stukken uitvoerig en zorgvuldig heeft bestudeerd.
Het beoordelingskader
7. In artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg is bepaald dat politiegegevens persoonsgegevens zijn die worden verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak. In artikel 1, aanhef en onder f, van de Wpg is bepaald dat bij de politie de korpschef de verwerkingsverantwoordelijke is.
7.1.
Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg heeft de betrokkene het recht om op een schriftelijk verzoek uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over:
de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;
de betrokken categorieën van politiegegevens;
de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
e voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens;
het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;
de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens.
7.1.1.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 25 van de Wpg [8] blijkt dat mede met het oog op het recht op eerbiediging van het privéleven uit artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de Wpg een recht op kennisneming is opgenomen. Het recht op kennisneming is echter geen absoluut recht. [9]
7.2.
In artikel 27, eerste lid van de Wpg is bepaald dat een verzoek als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wpg wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is:
ter vermijding van belemmering van de gerechtelijke onderzoeken of procedures;
ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen;
ter bescherming van de openbare veiligheid;
ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden;
ter bescherming van de nationale veiligheid.
In het tweede lid van dit artikel staat dat een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid schriftelijk is en de redenen voor de afwijzing bevat.
7.2.1.
Uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wpg [10] volgt dat aan een weigering op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wpg, een belangenafweging ten grondslag moet liggen. [11]
De toepassing van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg
8. Tussen partijen is niet in geschil dat de door eiser gestelde vragen betrekking hebben op politiegegevens in de zin van de Wpg, en dus vallen onder het bereik van artikel 25 en 27 van de Wpg.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat uit het nieuwe overzicht volgt dat de korpschef niet langer inzage in de politiegegevens weigert op grond van de in artikel 27, eerste lid, onder c, van de Wpg opgenomen weigeringsgrond. De inzage die oorspronkelijk werd geweigerd op grond van (onder meer) artikel 27, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wpg wordt nu geweigerd op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wpg.
9. Eiser betoogt, samengevat, dat de korpschef zich ten onrechte op het standpunt stelt dat sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder b en e, van de Wpg. De korpschef heeft de toepassing van deze weigeringsgronden onvoldoende gemotiveerd. De motivering bestaat slechts uit algemene overwegingen en de korpschef heeft in het nieuwe overzicht bij een aantal registraties ineens weigeringsgrond e aan de motivering toegevoegd. Eiser vermoedt dat de korpschef het begrip ‘nationale veiligheid’ te ruim uitlegt en te gemakkelijk toepassing geeft aan deze weigeringsgrond. Dit om een nadere motivering, die volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [12] is vereist bij toepassing van weigeringsgrond b, achterwege te kunnen laten. Volgens eiser moet echter per weigeringsgrond worden gemotiveerd waarom deze van toepassing is. De motivering van de korpschef voldoet in het overgrote deel van de registraties en meldingen niet. Verder gaat de korpschef in de zaken van eiser en de overige eisers verschillend om met het al dan niet delen van informatie, zoals bijvoorbeeld het beantwoorden van de vraag over de signalering in het SIS-II. Tot slot blijkt volgens eiser ook uit een aantal voorbeelden die afkomstig zijn uit het overzicht van registraties en meldingen in de zaak van één van de overige eisers [13] dat de korpschef onzorgvuldig handelt.
9.1.
Het betoog van eiser slaagt niet. Na kennis te hebben genomen van de stukken en de motivering die onder geheimhouding zijn verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat de korpschef voldoende heeft gemotiveerd waarom de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder b en e, van de Wpg in dit geval van toepassing zijn, en waarom in de zaken van eiser en de overige eisers verschillend wordt omgegaan met het delen van informatie. De rechtbank ziet in de geheime stukken en motivering geen aanleiding voor de conclusie dat de korpschef het begrip ‘bescherming van de nationale veiligheid’ te ruim uitlegt en weigeringsgrond e te gemakkelijk toepast. Het door eiser aangehaalde tijdsverloop maakt dit niet anders. Ook ziet de rechtbank – wat ook zij van de door eiser genoemde voorbeelden die zien op het handelen van de korpschef in de zaak van één van de overige eisers – in de geheime stukken geen aanleiding voor de conclusie dat de korpschef in het geval van eiser onzorgvuldig heeft gehandeld. De korpschef heeft in het bestreden besluit, het nieuwe overzicht en het verweerschrift terecht volstaan met een beperkte motivering, omdat anders alsnog informatie bekend wordt die het doel van de weigering zou ondermijnen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat een algemene motivering onvoldoende is. De door eiser genoemde uitspraak van 13 juli 2022 betreft geen vergelijkbare zaak, omdat het niet gaat om bestuurlijke rapportages en eiser bovendien met de inhoud van de geweigerde informatie niet bekend is. Ook het beroep op de uitspraak van 3 mei 2023 treft geen doel. Anders dan in die zaak heeft de minister niet volstaan met een algemene motivering. De minister heeft de weigeringsgronden namelijk toegelicht in een geheime motivering die voor de rechtbank kenbaar is.
De belangenafweging
10. Eiser betoogt dat de korpschef een onvoldoende kenbare belangenafweging heeft gemaakt. Volgens eiser is de gedeeltelijke weigering, gelet op zijn zeer grote belangen bij het verkrijgen van informatie, in strijd met het recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en artikel 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
10.1.
Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank is met eiser eens dat uit het bestreden besluit niet duidelijk blijkt hoe de belangen van eiser zijn meegewogen. In het verweerschrift en op de zitting heeft de korpschef de gemaakte belangenafweging beperkt gemotiveerd. De korpschef heeft op de zitting toegelicht dat eiser bij het indienen van zijn verzoek zijn belangen kenbaar heeft gemaakt, namelijk het wegnemen van de gevolgen van een mogelijk onjuiste gegevensverwerking, waaronder de reisbeperkingen ten gevolge van het door Spanje opgelegde inreisverbod. Dit belang is meegewogen in het besluit. In de onder geheimhouding verstrekte informatie heeft de korpschef de gemaakte belangenafweging nader toegelicht. Na kennis te hebben genomen van de geheime motivering, is de rechtbank van oordeel dat de korpschef de belangen om het opsporingsonderzoek en de nationale veiligheid te beschermen in dit geval zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van eiser om inzage te krijgen in de betreffende politiegegevens en om antwoord te krijgen op de gestelde vragen. De korpschef heeft zich dus op het standpunt kunnen stellen dat de gedeeltelijke weigering van het verzoek een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter bescherming van de in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Wpg genoemde belangen. De korpschef heeft in het verweerschrift terecht volstaan met een beperkte motivering van de belangenafweging, omdat anders alsnog informatie bekend wordt die het doel van de weigering zou ondermijnen. Daarbij heeft de korpschef zich op het standpunt mogen stellen dat de weigering een passende en evenredige maatregel is, ook in het licht van artikel 8, tweede lid, van het EVRM en artikel 7 en 8 van het Handvest.
Conclusie
11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de korpschef het motiveringsgebrek heeft hersteld en het verzoek van eiser terecht gedeeltelijk heeft afgewezen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kent. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven, omdat het motiveringsgebrek in het verweerschrift en het nieuwe overzicht voldoende is hersteld en de korpschef het verzoek van eiser terecht gedeeltelijk heeft afgewezen.
12.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de korpschef het door eiser betaalde griffierecht vergoeden en bestaat aanleiding om de korpschef te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. De rechtbank beschouwt deze zaak en de overige vijf zaken zoals genoemd in voetnoot 3 als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Eisers zijn in beroep bijgestaan door dezelfde rechtsbijstandsverleners, wiens werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek waren. Gelet hierop worden de zaken voor wat betreft het vergoeden van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand beschouwd als één zaak. In de uitspraak van vandaag in de zaak met zaaknummer 23/6186 heeft de rechtbank de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 2.721. Gelet hierop kent de rechtbank in de onderhavige zaak een dergelijke vergoeding niet toe. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit van 7 augustus 2023;
 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
 bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 184 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzitter, en mr. S.A. van Hoof en
mr. J.A.M. van Heijningen, leden, in aanwezigheid van mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uit de Regeling rechtstreeks beroep (Bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht) volgt dat tegen een besluit genomen op grond van artikel 25 van de Wpg geen bezwaar kan worden gemaakt en dat rechtstreeks beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.
2.Dit volgt uit artikel 2.8, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021.
3.Het betreft zaaknummers 23/6186, 23/6192, 23/6196, 23/6204 en 23/6413.
4.Zie voetnoot 3.
5.CTER staat voor Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering.
6.Het Schengen Informatiesysteem.
7.Dit is mogelijk op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.
8.Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 327, nr. 3, p. 83.
9.Zie ook ABRvS 3 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1735) en ABRvS 6 oktober 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2234).
10.Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34 889, nr. 3, p. 80.
11.Zie ook ABRvS 3 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1735) en ABRvS 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3139).
12.Zie ABRvS 13 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2007) en ABRvS 3 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1735).
13.Zaaknummer 23/6196.