ECLI:NL:RBGEL:2025:10724

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/674
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke afwijzing van verzoek om inzage in persoonsgegevens op grond van de Wet politiegegevens

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 11 december 2025, wordt de gedeeltelijke afwijzing van verzoeken om inzage in persoonsgegevens door de minister van Defensie behandeld. Eiser, die verzocht om informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee, kreeg te maken met een afwijzing van zijn verzoek. De rechtbank oordeelt dat de besluiten van de minister een motiveringsgebrek vertonen, maar laat de rechtsgevolgen van de besluiten in stand. De rechtbank heeft alle onder geheimhouding overgelegde stukken zorgvuldig bestudeerd en komt tot de conclusie dat de minister de motiveringsgebreken in beroep heeft hersteld. De rechtbank benadrukt dat de minister de verzoeken van eiser terecht (gedeeltelijk) heeft afgewezen, omdat de inzage in bepaalde gegevens nadelige gevolgen kan hebben voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. De rechtbank heeft de zaak behandeld in het kader van de Wet politiegegevens en de Algemene verordening gegevensbescherming, waarbij de belangen van de nationale veiligheid en de rechten van derden zijn meegewogen. De rechtbank vernietigt het besluit van de minister, maar laat de rechtsgevolgen in stand, omdat de minister alsnog voldoende inzicht heeft gegeven in de gebruikte weigeringsgronden. Eiser heeft recht op vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/674

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser

(gemachtigden: mr. S.K.S. Toelsie en mr. T.M.D. Buruma),
en

de minister van Defensie

(gemachtigden: mr. M.J.A. Hanhart, mr. N.N. Bontje en mr. P.G.M. van der Voorn).

Samenvatting en leeswijzer

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens. Dit verzoek is gedeeltelijk afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Toch krijgt eiser geen gelijk. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het besluit namelijk in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat waar deze zaak over gaat. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij legt de rechtbank eerst uit wat het beoordelingskader in deze zaak is. Daarna gaat de rechtbank onder 5 in op de vraag of de minister inzage in de door hem verwerkte politiegegevens (gedeeltelijk) heeft mogen weigeren. Onder 6 beantwoordt de rechtbank de vraag of de minister de vragen van eiser had moeten beantwoorden. En onder 7 volgt de vraag of de zoekslag voldoende is geweest. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft de minister verzocht om informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee (KMar). Met het besluit van 21 december 2023 heeft de minister dit verzoek gedeeltelijk afgewezen
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit. [1]
2.2.
De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Ten aanzien van een deel van deze stukken heeft de minister de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en te bepalen dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen. De rechtbank heeft gehandeld alsof de rechtbank heeft beslist dat de beperking van de kennisneming van de voor eiser geheimgehouden stukken gerechtvaardigd is. [2] Eiser heeft de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven.
2.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De minister heeft ook een aanvullende motivering ingediend met het verzoek deze geheim te houden op grond van artikel 8:29 van de Awb. De rechtbank heeft bij beslissing van 11 september 2025 beslist dat geheimhouding daarvan gerechtvaardigd is. Eiser heeft toestemming verleend om mede op basis van deze aanvullende motivering uitspraak te doen. De rechtbank heeft de inhoud van de aanvullende motivering beoordeeld.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld tegelijk met de zaken 24/675, 24/677, 24/679, 24/680 en 24/2086. Namens eiser zijn verschenen de gemachtigden van eiser. De minister heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P. Toonders en mr. drs. D.J. le Clercq, bijgestaan door gemachtigden van de minister. De rechtbank doet in elke zaak afzonderlijk uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Aan eiser en zijn reisgenoten is op 10 oktober 2022 door de Spaanse autoriteiten een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Dit inreisverbod is volgens eiser gebaseerd op vermeende banden van eiser en zijn reisgenoten met een groep personen die zijn veroordeeld in het Nederlandse strafrechtelijke onderzoek [naam onderzoek]. Eiser vermoedt dat de onderbouwing van het inreisverbod afkomstig is uit Nederland. Uit de onderbouwing van het inreisverbod blijkt dat eiser in verband wordt gebracht met de “[naam groep]”. Volgens het inreisverbod behoort hij tot een groep met terroristische ideologie onder de naam “[naam groep]”, waarbij [plaats 1] de voornaamste plaats is in Nederland waar een groot deel van de leden van de verschillende cellen die het netwerk heeft gehad woonachtig zijn of waren. Verder wordt in de onderbouwing verwezen naar de ontmanteling in de steden [plaats 2] en [plaats 1] van een cel die was begonnen met het aanschaffen van vuurwapens en explosieve stoffen. Volgens eiser kan het niet anders dan dat hiermee wordt verwezen naar de groep die in het onderzoek [naam onderzoek] is aangehouden en vervolgd voor het in o.a. [plaats 1] deelnemen aan een terroristische organisatie en het o.a. in [plaats 2] voorbereiden van een terroristische aanslag door het aanschaffen van vuurwapens en mest. In 2024 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in deze zaak. Volgens eiser wordt hij, hoewel is aangegeven dat hij niet wordt verdacht van terroristische misdrijven of feiten, in het buitenland kennelijk wel gerekend tot de groep personen die verdacht waren in dit onderzoek, althans ermee in verband wordt gebracht. Volgens eiser onderbouwt ook de informatie waarin door de korpschef van de Nationale Politie wel inzage is gegeven het vermoeden dat in Nederland het verband is gelegd tussen eiser en [naam groep], respectievelijk [naam onderzoek], en dat dit aan Spanje is verstrekt.
Het verzoek
3.1.
Op 6 juni 2023 heeft eiser op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming en artikel 25 van de Wpg verzocht om informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee (KMar). Daarbij heeft eiser de volgende vragen gesteld:
1. Of eiser en zijn reisgenoten in verband zijn gebracht met het onderzoek [naam onderzoek] en zo ja, of dit nog steeds het geval is en op basis van welke informatie;
2. Of eiser en zijn reisgenoten als CTER-subject zijn aangemerkt en zo ja, op basis van welke informatie;
3. Of deze informatie door de minister is gedeeld met andere instanties en zo ja, met welke instanties (in Nederland en daarbuiten);
4. Of, indien op enig moment er een gewijzigd inzicht plaatsvond, dit gedeeld is met voornoemde instanties;
5. Aan wie zijn de verwerkte persoonsgegevens verstrekt en/of van wie persoonsgegevens zijn verkregen, onder vermelding van een niet-limitatieve lijst;
6. Inzage in informatie aangaande de waarborgen voor doorgifte die de minister heeft getroffen ingeval voornoemde persoonsgegevens zijn doorgegeven aan een ander land of aan een internationale organisatie.
Eiser heeft ook verzocht om (verlopen) verlengingen en intrekkingen van signaleringen, meldingen en verstrekkingen en om uitputtend te vermelden welke afdelingen en systemen wel en niet zijn geraadpleegd en op welke wijze dit is gebeurd.
Het besluit
3.2.
De minister heeft in het besluit van 21 december 2023 aangegeven dat de KMar persoonsgegevens verwerkt op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en op grond van de Wpg. De minister heeft het verzoek om die reden aangemerkt als een verzoek waarbij een beroep op het recht op informatie zoals bedoeld in artikel 15 van de AVG wordt gedaan en als een verzoek waarbij een beroep op het recht op informatie als bedoeld in artikel 25 van de Wpg wordt gedaan. De minister heeft vervolgens vastgesteld dat ten aanzien van eiser geen persoonsgegevens zijn verwerkt op grond van de AVG. Wel heeft de minister persoonsgegevens verwerkt op grond van artikel 25 van de Wpg.
3.3.
Met het bestreden besluit heeft de minister informatie verstrekt over verschillende gegevensregistraties op grond van de Wpg. Het gaat om persoonsgegevens die zijn verwerkt bij de uitvoering van aan de KMar toegewezen taken op grond van artikel 4, eerste lid, van de Politiewet 2012. Van deze registraties is gedeeltelijk inzage geweigerd met een beroep op de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27 van de Wpg omdat inzage in deze gegevens nadelige gevolgen heeft voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten [3] en gedeeltelijk ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden [4] . Hierbij heeft de minister aangegeven dat hij na een zorgvuldige afweging besloten heeft om bepaalde informatie uit de mutaties niet aan eiser te verstrekken. Ook is de mogelijkheid geboden om een afspraak te maken voor een fysieke inzage. De minister heeft eiser erop gewezen dat dit besluit alleen betrekking heeft op informatie waarvoor hij verwerkingsverantwoordelijke is en dat hij om die reden geen informatie kan verstrekken over mogelijke verwerkingen van andere instanties, zoals Pi-NL en de politie.
De toelichting op het besluit
3.4.
Nadat eiser op 2 januari 2024 schriftelijke vragen heeft gesteld over dit besluit, heeft de minister met de brief van 31 januari 2024 een toelichting op dit besluit gegeven. Daarbij heeft de minister aangegeven dat het doel van artikel 27 van de Wpg is dat bepaalde informatie geheel of gedeeltelijk kan worden geweigerd en dat daarmee bepaalde informatie niet wordt gedeeld. Informatie die hieronder valt is niet in het besluit genoemd.
Daarnaast heeft de minister informatie die wel in het besluit is genoemd in de toelichting op een andere manier met eiser gedeeld, namelijk in de vorm van een tabel.
Hierbij is voor een deel van de registraties aangegeven wat de datum en plaats van de registratie is, wat de doelen en rechtsgrond van de verwerking zijn [5] en om welke politiegegevens [6] het gaat. Ten aanzien van de volgende informatie is het verzoek afgewezen op grond van artikel 27, eerste lid, onder b, van de Wpg (ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen):
  • Verstrekkingen van politiegegevens aan derden in de afgelopen 4 jaar;
  • Ontvangers van politiegegevens in de afgelopen 4 jaar;
  • De herkomst van de politiegegevens, voor zover beschikbaar.
Voor wat betreft de context is inzage met betrekking tot enkele registraties geweigerd op grond van artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wpg (ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden).
Daarnaast is aangegeven dat inzage voor een achttal registraties volledig is geweigerd. Ten aanzien van die registraties is het verzoek afgewezen op grond van artikel 27, eerste lid, onder b, van de Wpg. Dit geldt ook voor de gevraagde informatie die ziet op
 Doelen en rechtsgrond van de verwerking;
  • Verstrekkingen van politiegegevens aan derden in de afgelopen 4 jaar;
  • Ontvangers van politiegegevens in de afgelopen 4 jaar;
  • Periode van opslag/criteria voor bepalen bewaartermijn;
  • De herkomst van de politiegegevens, voor zover beschikbaar.
Voor wat betreft de datum en plaats registratie en de context heeft de minister aangegeven dat dit geen wettelijk vereiste is, maar dat inzage hierin voor zover relevant wordt afgewezen op grond van artikel 27, eerste lid, onder b en onder d, van de Wpg.
3.5.
In het verweerschrift van 4 september 2025 heeft de minister een aanvullende motivering gegeven. De inzage in de registraties is mede geweigerd ter bescherming van de nationale veiligheid. Deze weigeringsgrond staat in artikel 27, eerste lid, onder e van de Wpg.
Beoordelingskader
4. De rechtbank stelt voorop dat zij de problemen die eiser heeft ondervonden (en nog steeds ondervindt) begrijpt. De rechtbank begrijpt ook de moeilijkheden/beperkingen die hij ervaart bij het achterhalen van de oorzaak daarvan, zoals deze ook naar voren komen in het rapport ‘Blind vertrouwen’ van de Nationale Ombudsman van 12 november 2024, waarnaar eiser heeft verwezen. De rechtbank onderkent bovendien dat deze uitspraak mogelijk leidt tot een voor eiser onbevredigend resultaat. De rechtbank kan haar oordeel in de hierna volgende overwegingen namelijk slechts in algemene bewoordingen motiveren, omdat zij de inhoud van de onder geheimhouding overgelegde stukken niet mag prijsgeven. De rechtbank benadrukt echter dat zij alle onder geheimhouding overlegde stukken uitvoerig en zorgvuldig heeft bestudeerd.
4.1.
Gegevens die zijn verwerkt in het kader van de uitoefening van de politietaak moeten worden aangemerkt als politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg. Voor de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt, is onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Daarbij dient te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor die persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. [7] Bij deze beoordeling mogen alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren. [8]
4.2.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 25 van de Wpg volgt dat degene op wie een politiegegeven betrekking heeft in beginsel een recht op kennisneming van die gegevens heeft met het oog op de uitoefening van zijn rechten tot verbetering of verwijdering van die gegevens. [9] Het inzagerecht ziet op inzage in de politiegegevens van de verzoeker en niet van anderen. Aan het inzagerecht kan geen recht worden ontleend op verstrekking van de documenten waarin de verwerkte politiegegevens zijn opgenomen. [10]
4.3.
Het recht op kennisneming van de politiegegevens is geen absoluut recht. Het kan worden beperkt als dit in een democratische rechtsorde noodzakelijk is in het belang van, onder andere, de bestrijding van strafbare feiten. Uit artikel 27, eerste lid, van de Wpg volgt dat een verzoek om kennisneming van politiegegevens wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is vanwege de in die bepaling vermelde belangen. Aan een weigering op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wpg moet een belangenafweging ten grondslag liggen. [11] In deze zaak gaat het concreet om de volgende weigeringsgronden:
b. ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen;
d. ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden; en
e. ter bescherming van de nationale veiligheid.
Heeft de minister inzage in de door hem verwerkte politiegegevens (gedeeltelijk) mogen weigeren?
5. Eiser voert aan dat de minister ten aanzien van alle weigeringsgronden slechts algemene overwegingen heeft opgenomen. Dat betekent dat voor eiser niet inzichtelijk is welke informatie is aangetroffen en waarom deze vervolgens is geweigerd. Als eiser niet weet welke informatie is geweigerd, kan hij ook niet controleren of de weigering terecht was. Volgens eiser is de weigering daarom in strijd met rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). [12] Eiser voert daarnaast aan dat de minister weigeringsgrond d ten onrechte heeft toegepast. Niet valt in te zien waarom de minister in die gevallen geen gedeeltelijk inzage heeft kunnen toestaan door alleen de delen waarin persoonsgegevens van derden waren verwerkt te weigeren. Verder voert eiser naar aanleiding van de aanvullende motivering aan dat de minister ten onrechte weigeringsgrond e inroept. Volgens eiser is het besluit om deze redenen ondeugdelijk gemotiveerd. Ook blijkt uit het besluit volgens eiser niet dat zijn belangen zijn meegewogen. In dit kader voert eiser ook aan dat sprake is van strijd met artikel 8 EVRM en artikel 7 en 8 van het EU Handvest.
Weigeringsgrond e- de aanvullende motivering
5.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister in het besluit aan de (gedeeltelijke) weigering van inzage artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b en d ten grondslag heeft gelegd. Met het verweerschrift heeft de minister de weigering aanvullend gemotiveerd door ook een beroep te doen op artikel 27, eerste lid, onder e, van de Wpg. Op zitting heeft de minister toegelicht dat voor alle geweigerde registraties ook de weigeringsgrond e geldt. Dit is nader toegelicht in de aanvullende motivering die onder geheimhouding aan de rechtbank is verstrekt. Hierin ligt besloten dat de motivering in het besluit ontoereikend was. Gelet hierop kleeft aan het besluit een motiveringsgebrek.
Het beroep tegen het besluit is daarom gegrond en het besluit wordt vernietigd. De rechtbank beoordeelt hierna of de rechtsgevolgen van het besluit, waarbij de aanvullende motivering in beroep wordt meegenomen, in stand kunnen blijven.
Weigeringsgrond per registratie
5.2.
Tijdens de zitting is besproken dat bij de fysieke inzage duidelijk zou zijn geworden voor welk deel van een registratie welke weigeringsgrond geldt. Dit geldt dan voor de registraties waarvan inzage deels is ingewilligd. De gemachtigde van eiser heeft zich op zitting op het standpunt gesteld dat de weigeringsgronden op die manier onvoldoende kenbaar volgen uit het besluit en dat daarom het besluit, ook met de aanvullende motivering in beroep, onvoldoende is gemotiveerd. Het is volgens eiser niet duidelijk welke weigeringsgrond (b of e) voor welke registratie of een gedeelte daarvan geldt.
5.3.
Dit betoog volgt de rechtbank niet. Artikel 25 van de Wpg verplicht niet tot het (al dan niet gelakt) afgeven van kopieën of afschriften van stukken. Dit betekent dat de minister kan volstaan met een samenvatting van de verwerkte persoonsgegevens waarbij – in het geval inzage gedeeltelijk wordt geweigerd – in zijn algemeenheid wordt aangegeven welke weigeringsgronden zich voordoen. Immers, een meer specifieke duiding van weigeringsgrond per onderdeel vergt dat een (gelakte) kopie wordt gemaakt of een afschrift wordt verstrekt van de registraties, hetgeen de minister nu juist niet wil. De samenvatting moet dan wel worden vergezeld van een uitnodiging om de registraties fysiek in te zien. Tijdens die fysieke inzage kunnen passages waarvan inzage wordt geweigerd worden weggelakt, onder gelijktijdige vermelding van de aan de orde zijnde weigeringsgrond. Op die manier krijgt een verzoeker inzicht in de registratie en kan hij zich vergewissen op welke delen van de registratie welke weigeringsgrond is toegepast. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 25 Wpg. In dit geval heeft de minister eiser in de gelegenheid gesteld de registraties waarvan inzage deels is ingewilligd fysiek in te zien. Eiser heeft hiervan geen gebruik gemaakt en heeft om die reden niet kunnen vaststellen welke weigeringsgrond op specifieke delen is toegepast. Dat komt voor zijn rekening. Het maakt niet dat de minister het besluit in zoverre onvoldoende heeft gemotiveerd. Met de fysieke inzage worden ook de persoonsgegevens van derden gelakt. Het betoog van eiser dat de d-grond ten onrechte is toegepast omdat inzage had kunnen worden gegeven onder weglakking van persoonsgegevens, mist daarom feitelijke betekenis. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het in een procedure als deze, waarbij de inzage onderdeel is van het besluit, is aan te raden om dit expliciet in het besluit op te nemen en niet alleen als algemene informatie na de beroepsclausule. Daarbij kan dan eveneens vermeld worden dat bij het inzagemoment per onderdeel van de registratie verduidelijkt zal worden welke weigeringsgrond van toepassing is.
5.4.
Voor zover het gaat over registraties waarvan inzage volledig is geweigerd, geldt dat de minister een beroep heeft gedaan op artikel 27, eerste lid, onder b en e, van de Wpg. Daarmee is duidelijk welke weigeringsgrond van toepassing is.
5.5.
De rechtbank heeft de door de minister overgelegde geheime stukken en de aanvullende geheime motivering zorgvuldig bekeken. De rechtbank concludeert dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de (gedeeltelijke) weigering van het verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter bescherming van de in artikel 27, eerste lid, onder b en e, van de Wpg genoemde belangen. De rechtbank oordeelt dat de minister met het besluit, het verweerschrift en de aanvullende geheime motivering kenbaar en deugdelijk heeft gemotiveerd waarom inzage in de registraties is geweigerd. Het door eiser aangehaalde tijdsverloop maakt dit niet anders. De beperkte motivering van de (gedeeltelijke) weigering van het verzoek zoals deze volgt uit het besluit en aangevuld is in beroep is noodzakelijk omdat een nadere motivering tot gevolg heeft dat er alsnog informatie bekend wordt die het doel van de weigering zou ondermijnen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat een algemene motivering onvoldoende is. Eiser heeft in dit kader gewezen op een uitspraak van 13 juli 2022. Dit betreft echter geen vergelijkbare zaak, omdat het niet gaat om bestuurlijke rapportages en eiser bovendien met de inhoud van de geweigerde informatie niet bekend is. Ook het beroep op de uitspraak van 3 mei 2023 [13] treft geen doel. Anders dan in die zaak heeft de minister niet volstaan met een algemene motivering. De minister heeft de weigeringsgronden namelijk toegelicht in een geheime motivering welke voor de rechtbank kenbaar is.
De rechtbank is het wel met eiser eens dat uit het besluit niet duidelijk blijkt hoe de belangen van eiser zijn meegewogen en dat het zorgvuldiger was geweest als de belangen van eiser waren benoemd. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat het verzoek van eiser een duidelijke aanleiding heeft, namelijk de ervaren reisbeperkingen vanwege het door Spanje opgelegde inreisverbod, en dat dit is meegewogen in het besluit. Ook in de aanvullende geheime motivering is de minister ingegaan op de belangenafweging. De rechtbank volgt de minister in zijn betoog dat deze beperkte motivering van de belangenafweging noodzakelijk is omdat een nadere motivering tot gevolg heeft dat er alsnog informatie bekend wordt die het doel van de weigering zou ondermijnen. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de weigering een passende en evenredige maatregel is, ook in het licht van artikel 8, tweede lid, van het EVRM en artikel 7 en 8 van het EU Handvest. Hiermee is het besluit op dit onderdeel gerepareerd.
Conclusie
5.6.
De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie dat de minister het informatieverzoek van eiser gedeeltelijk mocht weigeren.
Antwoorden op vragen van eiser
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte de beantwoording van vragen 1 t/m 6 geweigerd.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover de beantwoording van de vragen kan worden gerelateerd aan artikel 25 van de Wpg is er sprake van politiegegevens en dient de minister daar inzage in te geven tenzij zich weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg voordoen. Inzage kan antwoord geven op de gestelde vragen. De beantwoording van andere vragen valt niet onder de Wpg. De minister heeft daarom terecht alleen antwoord gegeven op de vraag of politiegegevens in de zin van artikel 25 van de Wpg zijn verwerkt en heeft de beantwoording van het verzoek van eiser voor het overige terecht beperkt tot de informatie genoemd in de onderdelen 1 tot en met g van artikel 25, eerste lid, van de Wpg en de vraag of zich weigeringsgronden voordoen. De beroepsgrond slaagt niet.
De uitgevoerde zoekslag
7. Eiser voert aan dat de minister in het besluit onvoldoende heeft toegelicht welke afdelingen en systemen wel en niet zijn geraadpleegd en op welke wijze dit is gebeurd.
7.1.
De minister heeft naar aanleiding van het verzoek van eiser gezocht naar alle persoonsgegevens en politiegegevens die hij verwerkt over eiser. Daartoe heeft de minister gezocht in alle bronsystemen waarvan hij verwerkingsverantwoordelijke is. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat op meerdere momenten in de procedure opnieuw een zoekslag is gemaakt. Daarbij heeft de minister steeds een ruime betekenis van het begrip “persoonsgegeven” gebruikt. Zo is er andere gezocht op naam en afkorting van de naam van eiser. In de aanvullende geheime motivering heeft de minister toegelicht waarom hij niet meer specifieke informatie over de zoekslag kan geven.
7.2.
De rechtbank heeft geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de volledigheid van de door de minister uitgevoerde zoekslag. In het verzoek heeft eiser diverse systemen genoemd en de minister heeft op zitting aangegeven in die systemen te hebben gezocht, behoudens het systeem Pi-NL omdat de minister daarvoor geen verwerkingsverantwoordelijke is. Dit heeft de minister al toegelicht in het besluit. Daarbij heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de minister bij de zoekslag een te beperkte opvatting van het begrip “persoonsgegeven” heeft gebruikt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat in het besluit ten onrechte niet artikel 27, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wpg is genoemd als weigeringsgrond en deze wel is toegepast. De rechtbank vernietigt daarom het besluit. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Met de aanvullende motivering in beroep heeft de minister alsnog volledig inzicht gegeven in de door hem gebruikte weigeringsgronden.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht en de proceskosten aan eiser vergoeden. De rechtbank merkt deze zaak en de in overweging 2.4 genoemde zaken aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat eisers voor het indienen van hun beroep zijn bijgestaan door dezelfde rechtsbijstandsverleners, wiens werkzaamheden voor deze beroepen voorafgaand aan de zitting nagenoeg identiek waren. Omdat de beroepen samenhangende zaken zijn, worden de beroepen bij het vergoeden van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als één zaak beschouwd. De proceskosten zijn dan conform het Besluit proceskosten bestuursrecht 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een wegingsfactor 1,5 [14] (€ 907,- + € 907,- = € 1.814,- x 1,5 = € 2.721,-). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 21 december 2023;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser van € 2.721,-;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzitter, en mr. A.S. Gaastra en mr. J.A.M. van Heijningen, leden, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uit de Regeling rechtstreeks beroep (Bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht) volgt dat tegen een besluit genomen op grond van artikel 25 van de Wpg geen bezwaar kan worden gemaakt en dat rechtstreeks beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.
2.Dit volgt uit artikel 2.8, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021.
3.Artikel 27, eerste lid, onder b, van de Wpg.
4.Artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wpg.
5.Artikel 4, eerste lid, van de Politiewet en artikel 8 van de Wpg.
6.Naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geslacht, nationaliteit, BSN en op 12 april 2023 is ook informatie verwerkt waaruit een religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging blijkt.
8.Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 45-50.
9.Kamerstukken II 2005/2006, 30 327, nr. 3, p. 83.
12.Eiser wijst in dit kader op een uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2007 en een uitspraak van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1735
14.Bijlage bij Besluit proceskosten bestuursrecht, C2.