ECLI:NL:RBGEL:2025:10574

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
232001
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling en bedreiging met een mes

Op 28 november 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot zware mishandeling en bedreiging. De rechtbank oordeelde dat de verdachte op 1 september 2025 in Apeldoorn een mes in de richting van het slachtoffer heeft gegooid, wat resulteerde in een lichte verwonding. De verdachte had eerder een klap van het slachtoffer gekregen, wat leidde tot zijn boosheid en de daaropvolgende actie. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor de poging tot doodslag, maar dat de poging tot zware mishandeling en de bedreiging met een mes wel bewezen konden worden. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, en moest een schadevergoeding van €812,- betalen aan het slachtoffer. De rechtbank hield rekening met de omstandigheden van de verdachte en de impact van zijn daden op het slachtoffer, die angst had ervaren tijdens het voorval. De rechtbank legde ook bijzondere voorwaarden op, waaronder toezicht door de reclassering en verplichtingen tot dagbesteding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.232001.25
Datum uitspraak : 28 november 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1]
.
Op dit moment gedetineerd in de P.I. [P.I.] .
Raadsvrouw: mr. P.C. Borkhuis, advocaat in Deventer.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,
een mes, althans een scherp voorwerp, in de richting van de borst, althans het lichaam, van die
[slachtoffer] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een mes, althans een scherp voorwerp, in de richting van de borst, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Apeldoorn [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een of meerdere mes(sen) op die [slachtoffer] te richten.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling (feit 1, subsidiair) en bedreiging met een mes (feit 2).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan. Daarvoor is aangevoerd dat de getuigenverklaringen die in het dossier zitten niet stroken met de camerabeelden die door verbalisanten zijn uitgekeken. De getuigenverklaringen kunnen daarom niet als dragende bewijsmiddelen worden gebruikt.
Beoordeling door de rechtbank
De betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [getuige]
Naar aanleiding van het verweer van de verdediging dat de verklaringen van de getuigen, waaronder die van getuige [getuige] , niet voor het bewijs zouden kunnen worden gebruikt, omdat deze onbetrouwbaar zouden zijn, overweegt de rechtbank als volgt.
Getuige [getuige] heeft direct nadat het incident op 1 september 2025 plaatsvond, zijn verklaring afgelegd bij de politie. Hij heeft zeer gedetailleerd verklaard. [getuige] komt zoals hij zelf heeft verklaard de woonkamer in, staat achter verdachte met twee messen en grijpt verdachte direct daarop vast. Hij verklaart niets over aangever op dat moment. Verdachte stond ook tussen aangever en [getuige] in. [getuige] verklaart eerst over het zien van aangever met de stofzuigerstang, nádat het mes door verdachte is gegooid. Dat [getuige] niets verklaart over het eerder zien van aangever met de stofzuigerstang, maakt nog niet dat zijn verklaring onbetrouwbaar is. Het gaat erom wat hij verklaart over hetgeen hij wél heeft gezien en dat vindt steun in de aangifte, de beschrijving van de camerabeelden en niet in de laatste plaats de verklaring van verdachte zelf ter zitting.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de getuigenverklaring van [getuige] betrouwbaar is en geschikt is om als bewijsmiddel te worden gebruikt. De overige verklaringen behoeven geen bespreking nu deze niet voor het bewijs zullen worden gebruikt.
De bewijsmiddelen
Op 1 september 2025 doet [slachtoffer] aangifte van poging doodslag. Aangever verklaart dat hij verdachte bij zijn werkbus zag staan en dat hij toen naar hem toe is gegaan omdat hij het gevoel had dat verdachte iets uit zijn werkbus wilde stelen. Aangever zag dat verdachte een duwbeweging naar hem maakte en gaf hem een klap met de vlakke hand. Verdachte rende na de klap van aangever naar binnen en aangever ging ook weer naar binnen. Direct daarna zag aangever dat verdachte de keuken uit kwam lopen met twee grote messen in zijn handen. De punten van de messen waren gericht op aangever en verdachte stond ongeveer drie meter bij hem vandaag. Aangever deed snel de deur dicht en schreeuwde om hulp. Toen aangever de deur weer open deed, zag hij dat [getuige] (getuige [getuige] ) bij verdachte stond. [getuige] stond achter verdachte en hield hem vast. Aangever heeft vervolgens gezien dat verdachte los wist te komen en een gooiende beweging in zijn richting maakte. Aangever heeft niet gezien wat verdachte precies gooide, maar hij voelde dat hij in de borst werd geraakt en kort daarna zag hij een wond midden op zijn borstbeen. Hij had pijn en de wond bloedde. Aangever moest vervolgens naar de huisartsenpost waar de wond werd gehecht. De wond bleek ongeveer vijf millimeter diep te zijn. [2]
Getuige [getuige] is begeleider op de zorggroep waar verdachte en aangever wonen. [getuige] verklaart op 1 september 2025 dat hij op een gegeven moment geren hoorde in de woonkamer en daarop afging. Hij trof verdachte en aangever tegenover elkaar aan, op ongeveer drie meter afstand van elkaar. Verdachte stond met zijn rug naar [getuige] toe en had twee grote vleesmessen in zijn hand. De messen waren gericht op aangever. Verdachte liep in de richting van aangever en getuige [getuige] heeft toen verdachte bij beide armen vastgepakt. Hij rukte aan de armen van verdachte en verdachte liet de messen vallen. Verdachte rukte zich vervolgens met één arm los en [getuige] zag hoe verdachte met de losgerukte arm richting zijn broeksband bewoog. Vervolgens zag [getuige] dat verdachte een derde mes vast had en dat hij dit mes met een bovenhandse vloeiende beweging richting aangever gooide. Het mes raakte aangever op de borst en aangever greep direct naar zijn borst. Aangever werd boos, liep kort naar de gang toe en kwam terug met een stang van een stofzuiger. [3]
Op 4 september 2025 heeft verbalisant [verbalisant 1] een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt waarin hij heeft omschreven wat hij ziet op de opnamen van de beveiligingscamera’s van de locatie [locatie] aan de [adres 1] in Apeldoorn. Op de camerabeelden is te zien dat aangever naar buiten loopt en verdachte een klap in zijn gezicht geeft. Verdachte rent vervolgens de woonkamer in en aangever staat op dat moment in de gang. Aangever lijkt op het moment dat de tijd op de camerabeelden 20:52:10 uur aangeeft ergens van te schrikken waarna hij de deur tussen de woonkamer en de gang plotseling dichttrekt (de rechtbank gaat ervan uit dat dit het moment is waarop hij verdachte met de messen ziet staan). Aangever houdt de deur vervolgens enige tijd dicht en pakt vervolgens een stofzuigerstang die achter hem ligt. Daarna doet hij de deur open en gaat de woonkamer in met de stofzuigerstang. Vervolgens komt een begeleider de woonkamer in lopen. [4]
Uit de medische informatie van de huisarts op 1 september 2025 blijkt dat aangever een wond van circa één centimeter op zijn borst heeft, precies in het midden. De wond staat een beetje open en moet worden gehecht. Er zal volgens de huisarts een litteken ontstaan. [5]
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14 november 2025 heeft verdachte desgevraagd verklaard [6] dat hij naar aanleiding van de klap die aangever hem gaf boos werd en
om die redennaar de keuken is gegaan en daar messen heeft gepakt. Op zo’n drie meter afstand van aangever heeft hij de messen vervolgens vast gehad, zo begrijpt de rechtbank de verklaring van verdachte. Toen getuige [getuige] tussenbeide kwam, vielen de twee messen op de grond en heeft verdachte een derde mes, bovenhands, in de richting van aangever gegooid.
Conclusie
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte boos was omdat hij een klap had gekregen van aangever. Hij rende daarop naar de keuken en pakte drie messen: één in zijn broek, één in elke hand en stond daarmee in de woonkamer. Aangever rende via de gang naar diezelfde woonkamer, zag verdachte met de messen die in zijn richting wezen, deed de deur dicht en riep om hulp. Aangever pakte vervolgens een stofzuigerstang en opende de deur weer. Op dat moment kwam getuige [getuige] de woonkamer via de openstaande schuifpui binnen. Hij stond achter verdachte en zag de twee messen in zijn hand. [getuige] pakte verdachte vast waardoor hij de twee messen uit zijn handen liet vallen. Verdachte rukte één arm los en zag kans om het derde mes te pakken en gooide dit mes met een bovenhandse vloeiende beweging naar aangever, terwijl ze op een afstand van drie meter van elkaar stonden. Aangever werd door het mes geraakt en hield hier licht lichamelijk letsel aan over.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 1, primair, tenlastegelegde. Noch uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting, kan worden opgemaakt dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het doden van aangever. Daarvoor is redengevend dat niet is gebleken met welk mes en met welke kracht verdachte het mes op een relatief korte afstand van zo’n drie meter richting aangever heeft gegooid. Gelet hierop komt de rechtbank niet tot het oordeel dat de kans op de dood met dit handelen van verdachte onder deze omstandigheden aanmerkelijk was.
Wel acht de rechtbank het onder feit 1, subsidiair, tenlastegelegde feit bewezen.
Verdachte heeft een groot keukenmes op een afstand van ongeveer drie meter bovenhands naar aangever gegooid. De kans dat een keukenmes dat op die afstand wordt gegooid, aangever zou raken, acht de rechtbank groot. Het mes heeft aangever in dit geval ook daadwerkelijk geraakt. De kans dat aangever daarbij zwaar letsel zou kunnen oplopen acht de rechtbank aanmerkelijk, gelet op het gebruikte voorwerp, een groot keukenmes, en de mogelijkheid dat dat keukenmes aangever op velerlei kwetsbare plekken op het lichaam had kunnen treffen waar dit tot zwaar letsel had kunnen leiden. De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt
dat de kans aanmerkelijk wasdat aangever als gevolg van het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou hebben kunnen oplopen.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel
bewust heeft aanvaard. Verdachte was boos vanwege de klap die hij kort daarvoor van aangever had gekregen. Na die klap liep hij naar de keuken en pakte daar drie keukenmessen. Met twee messen in de hand stond hij voor aangever, maar door het ingrijpen van [getuige] vielen deze uit zijn handen. Verdachte rukte één arm los, pakte een derde keukenmes en gooide dat naar aangever. De gedragingen van verdachte waren naar hun uiterlijke verschijningsvorm van dusdanige aard dat daaruit blijkt dat hij de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op de koop toe heeft genomen. Hij heeft die kans bewust aanvaard.
Dat aangever door het handelen van verdachte ‘slechts’ licht lichamelijk letsel heeft opgelopen, doet daar niets aan af. De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Voorts acht de rechtbank op grond van voormelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever op 1 september 2025 in Apeldoorn heeft bedreigd door meerdere messen op hem te richten.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks1 september 2025 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een mes
, althans een scherp voorwerp,in de richting van de borst
, althans het lichaam,van die [slachtoffer] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2.
hij op
of omstreeks1 september 2025 te Apeldoorn [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling,door
een ofmeerdere mes
(sen
)op die [slachtoffer] te richten.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
poging zware mishandeling
feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

5.De strafbaarheid van de feiten

Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bedreiging op het standpunt gesteld dat verdachte met het mes heeft gedreigd ter noodzakelijke verdediging/afweer, nu aangever hem zou hebben bedreigd met een metalen stofzuigerstang. Verdachte moet voor wat betreft feit 2 worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt.
Beoordeling van de rechtbank
Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien (Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, r.o. 3.3). Het slachtoffer heeft verdachte een klap in zijn gezicht gegeven toen zij beiden buiten waren. Vervolgens heeft verdachte zich uit de situatie verwijderd door van aangever weg, en naar binnen te lopen. Daarmee was de situatie waarin aangever een aanvallende handeling verrichtte, geëindigd. Verdachte is vervolgens naar de keuken gegaan, heeft daar messen gepakt, waarna hij aangever met twee messen heeft bedreigd (en een derde mes naar aangever heeft gegooid). Aangever pakte de stofzuigerstang pas nadat hij verdachte met de messen had zien staan. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte de messen heeft gepakt en getoond
in reactie opeen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een dreigende aanranding door aangever met een stofzuigerstang. Het bestaan van een noodweersituatie op dat moment is niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer wordt verworpen.
De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte op zoek wil gaan naar werk en een opleiding wil volgen. Gelet daarop zou een taakstraf passender zijn dan een gevangenisstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft vanwege een geringe aanleiding, namelijk uit boosheid vanwege een klap, zijn medebewoner op een zorggroep bedreigd door met twee grote vleesmessen dreigend tegenover hem te gaan staan. Daarnaast heeft hij geprobeerd zijn medebewoner zwaar letsel toe te brengen, door een derde mes bovenhands te gooien en aangever daarmee te verwonden. Dat het mes geen zwaarder letsel heeft veroorzaakt, is niet te danken aan het handelen van verdachte. Het slachtoffer heeft angst gekend voor zijn leven, zoals ook is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Het is des te kwalijker dat het incident heeft plaatsgevonden binnen een zorggroep voor kwetsbare jongeren.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de uitgangspunten voor straffen die de rechtbanken onderling hebben afgesproken (de LOVS oriëntatiepunten). Voor zware mishandeling met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) is het uitgangspunt zeven maanden gevangenisstraf. Bij een poging, zoals in deze zaak, gaat daar doorgaans een derde vanaf. Voor een bedreiging met een steekwapen is het uitgangspunt een taakstraf van 120 uren.
Uit het reclasseringsrapport van 27 oktober 2025 volgt dat het psychosociaal functioneren van verdachte in geval van een bewezenverklaring de voornaamste delictgerelateerde factor is. In de aanloop naar de tenlastegelegde feiten liet verdachte ongrijpbaar gedrag zien en zou hij strafbare feiten hebben gepleegd binnen de woonvoorziening. Dit alles heeft geleid tot spanningen en conflicten met andere bewoners. Verder toonde verdachte zich oninvoelbaar en leek hij niet te sturen of te kalmeren in zijn boosheid. Het is zorgelijk dat verdachte ook bij een eerdere woonvoorziening is weggestuurd in verband met negatief gedrag.
Ondanks dat er aanwijzingen zijn die duiden op de noodzaak tot het inzetten van interventies, kan de reclassering met de beschikbare informatie niet adviseren over een mogelijk op te leggen plan van aanpak. Dit komt voort uit het feit dat verdachte weinig inhoudelijke informatie heeft vrijgegeven en hij daarnaast heeft aangegeven niet open te staan voor reclasseringsbemoeienis. Mocht verdachte van mening zijn veranderd en ter terechtzitting aangeven toch open te staan voor een reclasseringstoezicht en overige interventies, dan adviseert de reclassering een meldplicht, begeleid wonen, een contactverbod, diagnostisch onderzoek en eventuele ambulante behandeling en een verplichting tot inspanning wat betreft dagbesteding op te leggen.
Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard hulp te willen aanvaarden bij het zoeken van een woning en nuttige dagbesteding. Hij heeft weliswaar aangegeven die hulp te verwachten van de gemeente, maar gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijke situatie van verdachte acht de rechtbank het passend dat verdachte in beeld blijft bij de reclassering.
Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 7 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank legt als bijzondere voorwaarden op: een meldplicht bij de reclassering, meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.358,40 aan materiële schade en € 7.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk kan worden toegewezen voor zover deze ziet op de materiële schade aan het t-shirt (ingeschat op € 50,-), de parkeer- en reiskosten voor het bezoek aan de huisarts en het ziekenhuis à € 12,-, het smartengeld tot een bedrag van € 750,-, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voor het overige deel aan gevorderde materiële schade en smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard wanneer verdachte zou worden vrijgesproken en/of wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor het geval de rechtbank tot een veroordeling zou komen, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat slechts een gedeelte van de vordering kan worden toegewezen, namelijk de helft van de opgevoerde schade aan de kleding (€ 40,-), de reis- en parkeerkosten à € 12,-, en smartengeld ter hoogte van maximaal € 750,-.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank wijst een schadevergoeding toe ter hoogte van € 812,-. Dat bedrag is als volgt opgebouwd.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de hiervoor genoemde categorie van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Doordat verdachte een mes naar de benadeelde heeft gegooid, heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van een wond op zijn borst opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen.
De rechtbank kan zich vinden in een sterke matiging van de gevorderde immateriële schade en sluit – net als de officier van justitie en de verdediging – aan bij een matiging van 90%. De rechtbank wijst daarom naar mate van billijkheid een immateriële schadevergoeding van € 750,- toe.
Materiële schade
Voor wat betreft de materiële schade wijst de rechtbank € 62,- toe, bestaande uit de schadepost van het t-shirt en de reis- en parkeerkosten. Deze schadeposten zijn niet dan wel onvoldoende inhoudelijk betwist en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Voor de overige schadeposten (de joggingbroek à € 30,- en het gemiste inkomensverlies à € 1.266,40) ziet de rechtbank onvoldoende onderbouwing in het dossier. De nadere behandeling van deze schadeposten levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in deze delen van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan deze delen van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De rechtbank zal de benadeelde partij (voor het overige) niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Verdachte is vanaf 1 september 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
2 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
 stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering locatie RN Advies- & Toezichtunit 9 Oost, gevestigd aan de Nieuwe Oeverstraat 65, 6811 JB, in Arnhem, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
  • verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
  • verdachte zich inspant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, scholing en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van bovenstaande voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij:
  • veroordeelt verdachte in verband met de feiten tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 62,- aan materiële schade en € 750,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 812,- aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 16 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.S. Termaat (voorzitter), mr. A.P. Sno en mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 november 2025.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025422174, gesloten op 4 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 10 – 11.
3.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 14 – 15.
4.Proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden, p. 42; eigen waarneming rechtbank in raadkamer d.d. 14 november 2025.
5.In de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] (NOG01132) van de politie Oost-Nederland opgemaakt aanvullend proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025422174-24, p. 9.
6.Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2025.