Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.[verweerder inc 1] ,
2.
[verweerder inc 2],
1.De procedure
- de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid
Rechtbank Gelderland
In deze zaak heeft de rechtbank Gelderland op 19 november 2025 een tussenuitspraak gedaan in een incident betreffende de niet-ontvankelijkheid van de verweerders in hun vorderingen tegen de eiser. De eiser, vertegenwoordigd door mr. K. Horstman, vorderde dat de rechtbank de verweerders, vertegenwoordigd door mr. S.W. van Dijk, niet-ontvankelijk zou verklaren in hun vorderingen, omdat niet alle deelgenoten bij de procedure betrokken waren. De eiser stelde dat de vorderingen van de verweerders betrekking hadden op een perceel dat in onverdeelde eigendom toebehoort aan hem en zijn echtgenote, en dat handelingen met betrekking tot een gemeenschappelijk goed gezamenlijk door de deelgenoten moeten worden verricht volgens artikel 3:170 van het Burgerlijk Wetboek.
De verweerders voerden verweer en stelden dat de vorderingen van de eiser onvoldoende onderbouwd waren. De rechtbank oordeelde dat de vordering van de eiser tot niet-ontvankelijkheid niet kon worden toegewezen, omdat de verweerders de echtgenote van de eiser niet hadden betrokken in de procedure, wat noodzakelijk was voor de beoordeling van de vorderingen. De rechtbank stelde dat de verweerders de echtgenote van de eiser moesten oproepen om de procedure voort te zetten. De rechtbank heeft de kosten van het incident aan de verweerders opgelegd, omdat zij als materieel in het ongelijk gestelde partij werden beschouwd. De zaak is aangehouden voor een conclusie van antwoord door de eiser in de hoofdzaak, die op 31 december 2025 zal plaatsvinden.