ECLI:NL:RBGEL:2025:10473

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
435941
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake Overname BV en wanprestatie

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 3 december 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen meerdere eisers en gedaagden, waarbij de eisers vorderingen hebben ingesteld tegen de gedaagden met betrekking tot een overname van aandelen in een onderneming. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen sprake was van wanprestatie of onrechtmatig handelen door de gedaagden, onder andere omdat de activiteiten van de betrokken ondernemingen niet als concurrerend zijn aangemerkt. De rechtbank heeft de vorderingen van de eisers grotendeels afgewezen, met uitzondering van enkele vorderingen die zijn toegewezen, waaronder een vordering tot betaling van een bedrag in verband met vennootschapsbelasting en privé-onttrekkingen. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de managementovereenkomst niet rechtsgeldig was beëindigd en dat de gedaagden recht hadden op doorbetaling van de managementvergoeding. De proceskosten zijn toegewezen aan de gedaagden, aangezien de eisers grotendeels in het ongelijk zijn gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/435941 / HZ ZA 24-169
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats] ,
3.
[eiser 3],
te [plaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen [eisers] en afzonderlijk van elkaar respectievelijk [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ,
advocaat: mr. P.J.A. Plattel,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
3.
[gedaagde 3],
te [plaats] ,
4.
[gedaagde 4],
te [plaats] ,
5.
[gedaagde 5],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen [gedaagden] . en afzonderlijk van elkaar respectievelijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] ,
advocaat: mr. F. Kolkman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 september 2024
- de akte houdende vermeerdering van eis in reconventie, tevens houdende overlegging producties, door de rechtbank ontvangen op 18 november 2024
- de beslissing van de rechtbank om de procedure aan te houden in verband met de wijziging van eis in reconventie en om partijen gelegenheid te geven voor re- en dupliek
- de conclusie van repliek in conventie met wijziging eis
- de conclusie van repliek in reconventie
- de conclusie van dupliek in conventie
- de conclusie van dupliek in reconventie
- de akte eiswijziging van [eisers] , door de rechtbank ontvangen op 29 augustus 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 september 2025 waaruit blijkt van een vermindering van de eis in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser 1] is een onderneming die zich bezighoudt met het (doen) verrichten van werkzaamheden op het gebied van isolatie en verduurzaming. [eiser 2] is bestuurder en aandeelhouder van [eiser 1] (productie 6 van [gedaagden] .).
2.2.
[eiser 2] is een holding, waarvan de heren [naam 1] en [naam 2] bestuurders zijn (productie 7 van [gedaagden] .).
2.3.
[eiser 3] is een onderneming die is opgericht door [gedaagde 2] . Sinds 4 mei 2023 is [eiser 1] bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser 3] (productie 5 van [gedaagden] .).
2.4.
[gedaagde 1] is een holding waarvan [gedaagde 3] en [gedaagde 4] bestuurders zijn. [gedaagde 3] is een holding waarvan [gedaagde 2] enig bestuurder en aandeelhouder is (productie 2 van [gedaagden] .). [gedaagde 4] is een holding waarvan [gedaagde 5] enig aandeelhouder is en, samen met zijn echtgenote, bestuurder (productie 4 van [gedaagden] .).
2.5.
[gedaagde 1] is bestuurder van [naam 3] (hierna: [naam 3] ), een in 2018 opgerichte onderneming (productie 8 van [eiser 2] ) die zich volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel bezighoudt met reiniging van gebouwen en van zonnestroominstallaties en het organiseren van zonnestroominstallaties.
2.6.
Op 23 december 2022 heeft [naam 16] , mede namens [naam 1] , [naam 2] en J. [naam 5] – eigenaren van [eiser 2] – [gedaagde 1] een non-binding offer van € 5.900.000,00 gedaan voor overname van de aandelen in [eiser 3] (productie 2 van [eiser 2] ), onder meer onder de voorwaarde dat een nog uit te voeren Due Diligence onderzoek op een aantal punten een bevredigende uitkomst moet opleveren. Aanleiding voor de bieding is de door [gedaagde 1] aan [eiser 2] verstrekte informatie geweest, onder meer een informatiememorandum “ [eiser 3] ” (hierna: het Informatiememorandum, productie 1 van [eiser 2] ). Daarin is opgenomen dat de activiteiten van [eiser 3] bestaan uit dak-, spouwmuur, vloer- bodem- en glasisolatie en dat [gedaagde 1] – behalve [eiser 3] – nog
“overige deelnemingen”heeft. Verder is opgenomen dat de markt waarin [eiser 3] zich begeeft een groeiende markt is en dat de trend is
“dat meer maatregelen (spouw, vloer, dak etc.) door dezelfde partij worden uitgevoerd, het zogenaamde One-stop-shop principe. Daarbij komen ook steeds vaker vragen over levering van zonnepanelen, glas en aanvullende maatregelen voor verduurzaming”.
2.7.
Op 4 mei 2023 hebben [gedaagde 1] , [eiser 3] en [eiser 1] een “overeenkomst van koop en verkoop van 100% van de geplaatste aandelen in het kapitaal van de besloten vennootschap” (hierna: de koopovereenkomst, productie 3 van [eisers] ) gesloten, op grond waarvan [gedaagde 1] voor € 8.176.342,00 haar aandelen in [eiser 3] aan [eiser 1] heeft verkocht. Van de koopsom is een bedrag van € 1.430.000,00 omgezet in een geldlening conform een te sluiten
“Verkoperslening”. Van een bedrag van € 50.000,00 is in de koopovereenkomst opgenomen dat dit bedrag door [eiser 1] schuldig wordt erkend. De vordering van [gedaagde 1] op [eiser 1] in verband daarmee is in de koopovereenkomst door [eiser 1] tegen nominale waarde overgedragen aan [gedaagde 2] uit hoofde van cessie op grond van de Overeenkomst van Cessie. Verder is bepaald dat op grond van
“de PAO”(de te sluiten participatie- en aandeelhoudersovereenkomst tussen [eiser 2] , [gedaagde 2] en [eiser 1] ) genoemde vordering wordt verrekend met de stortingsverplichting van [gedaagde 2] op de door [eiser 1] aan [gedaagde 2] uit te geven aandelen in haar kapitaal. In de koopovereenkomst is onder B in aanmerking genomen dat [eiser 3]
“een onderneming exploiteert op het gebied van het leveren en aanbrengen van dakisolatie, spouwmuurisolatie, vloerisolatie en bodemisolatie voor zowel particuliere als zakelijke opdrachtgevers, hierna te noemen: de “Onderneming”.
Verder is in de koopovereenkomst, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“(…)
7.Garanties Verkoper
7.1
Verkoper is zich ervan bewust dat de bereidheid van Koper om tot koop van de Aandelen over te gaan mede is gebaseerd op de juistheid van de aan Koper beschikbaar gestelde informatie. Verkoper verklaart dat zij Koper in dit opzicht geen onjuiste, onvolledige of misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven.
7.2
Verkoper verstrekt aan Koper de in Bijlage 3 van deze Koopovereenkomst (…) opgenomen Garanties. Verkoper verklaart en garandeert aan Koper dat de inBijlage 3van deze Koopovereenkomst (…) opgenomen Garanties op de Datum van Ondertekening en de Leveringsdatum ieder afzonderlijk en gezamenlijk juist en niet misleidend zijn. Geen van de Garanties zal worden beperkt door de inhoud van enige andere Garantie. Partijen sluiten de toepasselijkheid van titel 1 van Boek 7 en artikel 89 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek uit en doen van de toepasselijkheid daarvan onvoorwaardelijk en onherroepelijk afstand.
7.3
Aan Verkoper zijn geen feiten of omstandigheden bekend die niet in deze Koopovereenkomst of in de Bijlagen en Annexen van deze Koopovereenkomst aan Koper ter kennis zijn gebracht en waarvan moet worden aangenomen dat de kennisneming daarvan van invloed zou zijn geweest op de waardering van de Aandelen, de hoogte van de Koopsom en/of de inhoud van de bedingen, voorwaarden en/of Garanties als vervat in deze Koopovereenkomst.
8.Aansprakelijkheid voor Garanties
8.1
Ingeval van een Inbreuk is Verkoper jegens Koper of, ter keuze van Koper, jegens(… [eiser 3] , rb)
aansprakelijk voor de Schade in verband met of als gevolg van de Inbreuk. De Schade van Koper omvat mede de Schade van(… [eiser 3] , rb)
(…)
9.Beperking Aansprakelijkheid
(…)
9.6
Koper heeft voorafgaand aan de ondertekening van deze Overeenkomst bij (…[eiser 3] , rb
) een Due Dilligence Onderzoek laten verrichten naar de commerciële, financiële, fiscale en juridische positie van (…[eiser 3] , rb
). (….) Verkoper verklaart dat zij alle informatie over de Aandelen, (…[eiser 3] , rb
) en de Onderneming die redelijkerwijs relevant kan zijn voor een koper van de Aandelen heeft gedeeld tijdens het Due Diligence Onderzoek.
9.7
Partijen komen overeen dat er geen sprake is of zal zijn van een Inbreuk indien de feiten of omstandigheden die zouden hebben geleid tot een dergelijke inbreuk:
(a) bekend waren of hadden kunnen zijn bij Koper en/of haar adviseurs op basis van een prima facie lezing van de Due Diligence Informatie en die feiten of omstandigheden bovendien op zodanig wijze zijn bekendgemaakt dat voor een koper van de Aandelen uit die informatie op het eerste gezicht blijkt van het bestaan, de omvang en de gevolgen van de inbreuk, zonder de noodzaak van het combineren van documenten of het opvragen van documenten waarnaar wordt verwezen, maar die niet zijn verstrekt in de Due Diligence Informatie; of
(b) zijn voorzien in de Jaarrekening in de vorm van een specifieke voorziening of reserve; of
(c) het gevolg zijn van een wijziging na de Levering van (i) de toepasselijke wet- en regelgeving (met inbegrip van bepaalde ontwikkelingen in de jurisprudentie of de interpretatie van de toepasselijke wet) of (ii) de boekhoudkundige standaarden en grondslagen van (…[eiser 3] , rb
): of
(…)
9.8
Koper en (…[eiser 3] , rb
) zullen zich naar redelijkheid inspannen om verlies, Schade of aansprakelijkheid als bedoeld in dit Artikel 9 te vermijden, te beperken of te verminderen. Koper en (…[eiser 3] , rb
) zullen, zodra zij bekend zijn met gebeurtenissen die tot aansprakelijkheid van de Verkoper aanleiding geven, in overleg treden met Verkoper over de gevolgen daarvan. Ingeval voornoemd overleg niet binnen .. (30) dagen na de schriftelijke mededeling van Koper aan Verkoper tot overeenstemming leidt, dan zal de meest gerede Partij het geschil aan de bevoegde rechter kunnen voorleggen.
9.9
Enige beperking van aansprakelijkheid van Verkoper voor Schade van Koper of(… [eiser 3] , rb)
als gevolg van een Inbreuk heeft geen werking indien de Inbreuk het gevolg is van feiten en omstandigheden die moeten worden beschouwd als fraude of bedrog, door(… [eiser 3] , rb)
en/of Verkoper en/of hun bestuurders.
(…)
14.Non-concurrentie
“14.1 Verkoper en de UBO’s( [gedaagde 2] en [gedaagde 5] , rb
) zullen gedurende een periode van twee (2) jaren, te rekenen vanaf de Leveringsdatum, niet, direct of indirect, voor eigen rekening of in dienst van of anderszins voor rekening van een of meer derden, anders dan ten behoeve van (… [eiser 3] , rb
) en anders dan met schriftelijke toestemming van (… [eiser 3] , rb
), welke toestemming niet op onredelijke gronden zal worden onthouden:
a. in welke vorm dan ook in Nederland een onderneming, gelijk aan en/of concurrerend met de Onderneming, drijven of doen drijven, dan wel anderszins daarbij rechtstreeks of zijdeling betrokken zijn of daarin belang hebben;
b. Werknemers werven door hen een (tijdelijk) dienstverband aan te bieden of anderszins werkzaamheden te laten verrichten; en
c. Werknemers overhalen (of een poging daartoe te doen) de bestaande relatie met[eiser 3] , rb)
te beëindigen/en
d. betrokken zijn bij het verwerven van met de Onderneming concurrerende isolatieopdrachten, alsmede betrokken zijn bij concurrerende isolatieactiviteiten voor of concurrerende isolatiezaken doen met klanten en leveranciers van[eiser 3] , rb)
(…)
14.2
Ingeval van inbreuk op een in Artikel 14.1 omschreven verplichting verbeurt de overtredende partij aan Koper een direct opeisbare boete van € 200.000,- (…) voor iedere inbreuk zonder dat enige ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst is vereist, alsmede een direct opeisbare boete van € 7.500,- (…) zonder dat enige ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst is vereist, voor iedere dag dat de inbreuk voortduurt, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, welke boete door Koper naast schadevergoeding op grond van de wet kan worden gevorderd.
15.Geheimhouding
15.1
Verkoper verbindt zich op geen enkele wijze informatie te verstrekken aan derden omtrent de financiën en werkwijze, de relaties of anderszins vertrouwelijke gegeven van (…[eiser 3] , rb
) en de Onderneming, tenzij zij daartoe gehouden mocht zijn op grond van een op haar rustende wettelijke verplichting (…)
15.3
Ingeval van inbreuk op de in Artikel 15.1 (…) omschreven verplichting verbeurt de overtredende Partij aan de andere Partijen een direct opeisbare boete van € 50.000,- (…) voor iedere inbreuk zonder dat enige ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst is vereist, welke boete naast schadevergoeding op grond van de wet kan worden gevorderd.
16.Wijzigingen
Deze Koopovereenkomst kan alleen worden gewijzigd indien Partijen schriftelijk met deze wijziging instemmen.
(…)”
De koopovereenkomst is namens [gedaagde 1] en [eiser 3] ondertekend door [gedaagde 2] en [gedaagde 5] en daarnaast (nogmaals) door [gedaagde 2] en [gedaagde 5]
“In verband met het bepaalde in Artikel 14 van deze Koopovereenkomst”.
Bij notariële akte van 4 mei 2023 zijn de aandelen in [eiser 3] door [gedaagde 1] aan [eiser 1] geleverd (productie 3 van [eisers] ).
2.8.
Op 4 mei 2023 hebben [eiser 1] (als Leningnemer), [gedaagde 1] (als Leninggever) en [eiser 2] (als Garant) een overeenkomst van achtergestelde geldlening (“
Verkoperslening”, bijlage 8 bij productie 3 van [eisers] ) getekend waarin is bepaald dat [gedaagde 1] een lening aan [eiser 1] verstrekt van € 1.430.000,00. Daarnaast is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
2.1
Het rentepercentage voor de Lening bedraagt 5% op jaarbasis gedurende de looptijd van de Lening. Betaling van de rente zal aan de Leninggever per jaar achteraf voor het eerst op 4 mei 2024 plaatsvinden (…).
(…)
2.3.
Indien en zodra betaling van één of meer rentetermijnen niet tijdig kan plaatsvinden, zal het onbetaald gebleven bedrag cumuleren met de eerstvolgende rentetermijnen en vanaf het moment van verschuldigdheid rentedragend zijn.
(…)
3.1
De Lening zal uiterlijk na zevenendertig (37) maanden na de dag van ondertekening van deze overeenkomst ineens en volledig worden terugbetaald, mits conform de Achterstellingsakte (…)
4.1
Onverminderd de in artikel 3.4 genoemde achterstelling is de Lening zonder waarschuwing of ingebrekestelling geheel opeisbaar indien en zodra:
- Leningnemer niet binnen dertig (30) dagen nadat zij daartoe door Leninggever behoorlijk in gebreke is gesteld aan haar verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst voldoet of
(…)
- de Managementovereenkomst door [eiser 3] (…) wordt beëindigd, anders dan om redenen zoals hiervoor in artikel 3.5 genoemd;
(…)
5. De Garant verklaart kennis te hebben genomen van deze overeenkomst en verklaart zich hierbij jegens Leninggever hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de nakoming door Leningnemer van haar verplichtingen jegens Leninggever uit hoofde van deze overeenkomst (…)”
In artikel 3.5 zijn bepalingen opgenomen over beëindiging door [eiser 3] in geval van overlijden of arbeidsongeschiktheid van [gedaagde 2] en over beëindiging door [gedaagde 3] .
2.9.
Op 4 mei 2023 hebben [eiser 2] , [eiser 1] en [gedaagde 2] een “Participatie/ aandeelhoudersovereenkomst” (hierna: de PAO, productie 4 van [eisers] ) gesloten, op grond waarvan [gedaagde 2] 630 aandelen van de in totaal 12.000 aandelen in [eiser 1] heeft verkregen voor een bedrag van € 50.000,00 (productie 4 van [eisers] ).
In de PAO is in artikel “
15.Non-concurrentie en boetebeding” het volgende opgenomen:
“15.1 In verband met het in deze Overeenkomst beschreven aandeelhouderschap verbindt Participant ([gedaagde 2] , rb
) zich om gedurende het aandeelhouderschap van Participant en een periode van twee (2) jaar daarna, in Nederland, direct noch indirect, voor eigen rekening of voor rekening van derden, in welke vorm of hoedanigheid dan ook, anders dan via de Groep of aan de Groep gelieerde (rechts)personen:
a. in welke vorm dan ook in Nederland een onderneming, concurrerend met die van de Groep of die van de aan de Groep gelieerde (rechts)personen te drijven of doen drijven, dan wel anderszins daarbij rechtstreeks of zijdeling betrokken te zijn of daarin belang hebben, behoudens voor zover het een deelneming van minder dan vijf procent in een beursgenoteerde onderneming betreft; en
b. werknemers van de Groep of van de aan de Groep gelieerde (rechts)personen te werven door hen een (tijdelijk) dienstverband aan te bieden of anderszins werkzaamheden te laten verrichten;
(…)”
In bijlage 1 bij deze overeenkomst is
“de Groep”gedefinieerd als [eiser 1]
“en haar dochtervennootschappen van tijd tot tijd”.
2.10.
Op 4 mei 2023 hebben [gedaagde 3] (als opdrachtnemer) en [eiser 3] (als opdrachtgever) een managementovereenkomst (hierna te noemen: de managementovereenkomst, bijlage 5A bij productie 3 van [eisers] ) gesloten waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“(…) … dat ..
C) De Opdrachtgever een opdracht wenst te verstrekken aan de Opdrachtnemer voor het verrichten van managementwerkzaamheden.
(F) In verband met het verrichten van deze diensten zal Opdrachtnemer op grond van deze Overeenkomst een persoon ter beschikking stellen voor deze opdracht bij Opdrachtgever, te weten de heer [gedaagde 2] (deManager).
(...)
1.1
Opdrachtgever geeft opdracht aan de Opdrachtnemer, welke aanvaardt, om met ingang van de dag van ondertekening van deze Overeenkomst (deIngangsdatum) de volgende taken en werkzaamheden ten behoeve van de Onderneming uit te voeren:
(a) het actief meewerken aan een soepele overdracht en integratie van Opdrachtgever in de groep van [eiser 1] ; en
(b) het realiseren van de commerciële en operationele doelstellingen van de Opdrachtgever op de wijze zoals dat voorafgaand aan de Transactie ook werd uitgevoerd;
(...)
3.1
Opdrachtgever is aan Opdrachtnemer voor de uitvoering van de Opdracht een managementvergoeding verschuldigd van € 101.846,- exclusief BTW per jaar en een autovergoeding van € 2.000,- exclusief BTW per maand, zulks op basis van een fulltime tijdsbesteding (…).
3.2
De Vergoeding kan jaarlijks per 1 januari van ieder jaar worden herzien en zal tenminste worden aangepast aan de gestegen kosten van levensonderhoud overeenkomstig de wijziging van het prijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex totalen ( CPI), reeks CPI – Alle Huishoudens, door het Centraal Bureau voor de Statistiek op de meest recente tijdsbasis vastgesteld. Per de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst is de meest recente reeks 2015 = 100.
3.3
De Vergoeding wordt in twaalf gelijke termijnen per maand vooraf door Opdrachtnemer aan Opdrachtgever in rekening gebracht door middel van een aan Opdrachtgever te zenden factuur. Opdrachtgever zal de factuur binnen vijftien dagen na dagtekening voldoen.
(…)
5. Duur en einde overeenkomst
5.1
Deze Overeenkomst vangt aan per de Ingangsdatum. De Overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van drie (3) jaren en eindigt van rechtswege na het verstrijken van deze periode zonder dat nadere opzegging is vereist, tenzij Partijen een verlenging voor bepaalde tijd zijn overeengekomen, in welk geval de Overeenkomst in stand zal blijven voor de alsdan overeengekomen periode.
5.2
Iedere Partij heeft het recht de Overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen, zonder dat een nadere ingebrekestelling nodig is (met uitzondering van de situatie onder sub d.) en zonder dat enige (schade)vergoeding aan de andere Partij uit welke hoofde dan ook is verschuldigd en onverminderd het recht van de opzeggende Partij om volledige schadevergoeding van de andere Partij te vorderen, indien en zodra:
(a) de andere Partij in staat van faillissement is verklaard;
(b) de andere Partij surseance van betaling is verleend;
(c) de andere Partij is ontbonden of is geliquideerd;
(d) de andere Partij de op haar rustende verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst en/of de Koopovereenkomst niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomt en zij binnen twee weken, nadat de opzeggende Partij de andere Partij schriftelijk in gebreke heeft gesteld, niet alsnog voor een juiste nakoming zorgdraagt, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze beëindiging met haar gevolg niet rechtvaardigt;
(...)
5.3
Opdrachtgever heeft het recht de Overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen, zonder dat een nadere ingebrekestelling nodig is en zonder dat enige (schade)vergoeding aan Opdrachtnemer uit welke hoofde dan ook is verschuldigd indien en zodra:
(c) zich feiten of omstandigheden voordoen die in het geval van een arbeidsovereenkomst zouden kwalificeren als een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 lid 2 BW of feiten of omstandigheden die alsdan zouden kwalificeren als redelijke grond in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub d tot en met h BW (tenzij het bestaan van deze redelijke grond niet aan de Manager valt te verwijten);
(...)
6. GEHEIMHOUDINGSPLICHT
6.1
De Opdrachtnemer en de Manager verbinden zich zowel gedurende het bestaan van deze Overeenkomt als na beëindiging – om welke reden dan ook – daarvan op geen enkele wijze aan wie dan ook enige kennis of gegevens te openbaren met betrekking tot de zaken of diensten van de Opdrachtgever die hen bekend zijn geworden tijdens of ten gevolge van de uitoefening van de functie als bedoeld in deze Overeenkomst en waaromtrent hen geheimhouding is opgelegd of waarvan zij het geheime of vertrouwelijke karakter kennen of behoorden te kennen.
(…)
6.5
Bij overtreding van een of meer van de hiervoor in artikel Geheimhoudingsplicht genoemde verplichtingen, verbeurt Opdrachtnemer ten behoeve van Opdrachtgever een terstond en zonder ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst opeisbare boete van € 10.000,-, vermeerderd met een boete van € 2.500,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt zonder dat Opdrachtgever enig verlies of schade behoeft te bewijzen en onverminderd het recht van Opdrachtgever bovenop deze boete schadevergoeding en nakoming te vorderen.
(…)
8. Non-concurrentie, relatie en anti-wervingsbeding
“8.1 Opdrachtnemer en de Manager staan er jegens Opdrachtgever voor in dat zij gedurende de duur van deze Overeenkomst c.q. dat zij aan Opdrachtgever verbonden zijn, alsmede gedurende een periode van twee (2) jaar daarna, niet, direct of indirect, voor eigen rekening of in dienst van of anderszins voor rekening van een of meer derden, anders dan ten behoeve van Opdrachtgever en anders dan met schriftelijke toestemming van Opdrachtgever, welke toestemming niet op onredelijke gronden zal worden onthouden:
(a) in welke vorm dan ook in Nederland een onderneming, soortgelijk aan en/of concurrerend met de Onderneming, drijven of doen drijven, dan wel anderszins daarbij rechtstreeks of zijdeling betrokken zijn of daarin belang hebben;
(b) werknemers binnen de Onderneming werven door hen een (tijdelijk) dienstverband aan te bieden of anderszins werkzaamheden te laten verrichten; en
(c) werknemers binnen de Onderneming overhalen (of een poging daartoe te doen) de bestaande relatie met de Onderneming te beëindigen; en
(d) betrokken zijn bij het verwerven van met de Onderneming concurrerende opdrachten (…)
8.2
Ingeval van een inbreuk op een in dit artikel omschreven verplichting verbeurt de overtredende partij aan Opdrachtgever een direct opeisbare boete van € 250.000,- voor iedere inbreuk zonder dat enige ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst is vereist, alsmede een direct opeisbare boete van € 10.000,- zonder dat enige ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst is vereist, voor iedere dag dat de inbreuk voortduurt, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, welke boete door Opdrachtgever naast schadevergoeding op grond van de wet kan worden gevorderd”
2.11.
Op 4 mei 2023 hebben [gedaagde 4] (als opdrachtnemer) en [eiser 3] (als opdrachtgever) eveneens een managementovereenkomst (bijlage 5B bij productie 3 van [eisers] ) gesloten voor de duur van drie jaar, op grond waarvan [gedaagde 4] [gedaagde 5] als manager ter beschikking stelt voor de opdracht bij [eiser 3] . Anders dan in de managementovereenkomst met [gedaagde 3] is in de overeenkomst met [gedaagde 4] bepaald dat [gedaagde 4] circa twee dagen per week werkzaamheden voor [eiser 3] uitvoert en hebben die werkzaamheden – waarvoor [eiser 3] geen managementvergoeding aan [gedaagde 4] verschuldigd is – geen betrekking op het realiseren van commerciële en operationele doelstellingen. In de managementovereenkomst met [gedaagde 4] is een zelfde geheimhoudingsplicht en non-concurrentie-, relatie en anti-wervingsbeding opgenomen als in die met [gedaagde 3] .
2.12.
Op 28 juni 2023 is [naam 6] (hierna: [naam 6] ) opgericht (productie 16 van [eisers] ), waarvan [naam 3] en [naam 7] bestuurders zijn en [gedaagde 2] een (mede)aandeelhouder is. [naam 6] houdt zich volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel bezig met de inkoop, verkoop en montage van duurzaamheidsproducten zoals zonnepanelen en aanverwante artikelen, het geven van advies, trainingen, opleidingen en instructies en het verlenen van managementdiensten op het gebied van verduurzaming.
2.13.
Na oprichting van [naam 6] heeft [gedaagde 2] deze onderneming als specialist op het gebied van zonne-energie onder de aandacht gebracht van zijn connecties (productie 34 van [eisers] ). [gedaagde 2] heeft [naam 6] vanaf juni 2023 eveneens onder de aandacht van [naam 1] gebracht voor het geval er bij een project zonnepanelen nodig zijn. [naam 6] heeft vervolgens werkzaamheden voor (projecten van) [eiser 3] verricht die zij aan [eiser 3] heeft gefactureerd (producties 34 t/m 37 van [gedaagden] .).
2.14.
Bij e-mailbericht van 15 januari 2024 heeft [naam 5] [gedaagde 2] en [naam 1] het volgende bericht:
“(..) Dank voor ons gesprek vandaag. Zoals beloofd, korte samenvatting van onze afspraken.
Er is duidelijk meer dan genoeg irritatie aan beide kanten, die we hebben uitgesproken.
Vaak helpt het om van irritatie naar gezamenlijk werken te gaan, dan verdwijnen hopelijk de irritaties vanzelf. (..)
1. Volgende week wordt afspraak gepland, om ge3en te bespreken hoe we verder gaan, na overleg met de andere [eiser 2] aandeelhouders. Dan kunnen we ook concreet worden over de eventuele additionele beloning voor [gedaagde 2]( [gedaagde 2] , rb)
, in het geval we gezamenlijk kiezen voor opschalen van [gedaagde 2] ’s aktiviteiten op cross-selling.(...)”
2.15.
Bij e-mailbericht van 22 januari 2024 (productie 10 van [gedaagden] .) heeft [naam 5] [gedaagde 2] als volgt bericht:
“(..) Graag willen wij gezamenlijk een extra inspanning afspreken om [eiser 3] weer terug op peil te brengen en verder te laten groeien door de integratie van isolatie binnen [naam 24] .
Wij hebben er het volste vertrouwen in dat wij dit gezamenlijk kunnen realiseren en we hebben inmiddels afgesproken hoe wij dit op hoofdlijnen gaan doen.
Om ook aan jouw vraag ter compensatie hiervan jouw arbeidsvoorwaarden aan te passen, hebben wij het volgende besproken:
1. Wij gaan mee met jouw voorstel om jouw managementvergoeding aan te passen van euro 100k/jaar naar euro 150k/jaar ex BTW en een autovergoeding van euro 2k/maand naar 3k/maand ex BTW. (…)
Wij hebben er veel zin in om van [eiser 3] weer een success te maken, en kijken er naar uit dit samen met jou te doen.(...)”
2.16.
Tijdens een bespreking van 16 februari 2024 heeft [naam 1] namens [eiser 3] aan [gedaagde 2] te kennen gegeven de managementovereenkomst te willen beëindigen. [gedaagde 2] heeft hier niet mee ingestemd.
2.17.
Bij brief van 28 februari 2024 (productie 14 van [gedaagden] .) heeft de advocaat van [gedaagden] . [eiser 3] bericht dat [gedaagde 3] het niet eens is met voortijdige beëindiging van de managementovereenkomst en [eiser 3] gewezen op haar verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst en op de gevolgen van eventuele niet-nakoming. Daarnaast is onder andere medegedeeld dat [gedaagde 1] in geval van opzegging van de managementovereenkomst direct zal overgaan tot integrale opeising bij [eiser 1] van de geldlening.
2.18.
Bij brief van 29 februari 2024 (productie 11 van [eiser 2] ) heeft de (toenmalige) advocaat van [eiser 3] aan [gedaagde 3] en [gedaagde 2] bericht de managementovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.
2.19.
Bij e-mailbericht van 15 maart 2024 (productie 12 van [eisers] ) heeft de advocaat van [eisers] de advocaat van [gedaagden] . onder meer bericht dat de managementovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd en dat [gedaagde 1] geen rechtsgrond heeft om de geldlening op te eisen.
2.20.
Bij e-mailbericht van 5 april 2024 (productie 14 van [eisers] ) heeft de advocaat van [gedaagden] . de advocaat van [eisers] onder andere bericht dat de opzegging van de managementovereenkomst geen doel heeft getroffen omdat zich geen van de daarin genoemde opzeggingsgrond heeft voorgedaan, dat [eiser 3] de managementfee daardoor verschuldigd blijft tot en met 3 mei 2026 en dat geen sprake is geweest van overtreding van enig concurrentiebeding door [gedaagden] .
2.21.
Bij e-mailbericht van 8 april 2024 (productie 17 van [eisers] ) heeft de advocaat van [eisers] gereageerd op verweren van [gedaagden] . en subsidiair – voor zover de eerdere opzegging niet rechtsgeldig zou zijn – de managementovereenkomst nogmaals per direct beëindigd vanwege het handelen in strijd met de managementovereenkomst en de PAO en het onthouden van corporate opportunities aan [eiser 3] .
2.22.
Op 17 mei 2024 heeft [gedaagde 3] [eiser 3] in kort geding gedagvaard. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 12 juni 2024 zijn de vorderingen van [gedaagde 3] afgewezen (productie 53 van [gedaagden] .). De vorderingen van [gedaagde 3] , samengevat inhoudend veroordeling van [eiser 3] om [gedaagde 3] ( [gedaagde 2] ) weer toe te laten tot het werk conform de managementovereenkomst en tot betaling van achterstallige en toekomstige managementfees, zijn afgewezen omdat het spoedeisend belang daarbij onvoldoende was gebleken. Daarnaast is overwogen dat zonder nadere bewijsvoering niet was vast te stellen of [gedaagde 3] niet concurrerend had gehandeld door betrokkenheid van [gedaagde 2] bij [naam 6] en [naam 3] , waardoor voorshands niet aannemelijk was dat [eiser 3] de managementovereenkomst niet mocht beëindigen.
2.23.
Op 21 juni 2024 heeft [eisers] de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, verzocht om conservatoir beslag te mogen leggen ten laste van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] onder de Rabobank en de ING Bank en op twee auto’s en op een onroerende zaak van [gedaagde 2] (aan de [adres 1] , kadastraal bekend [plaats] , [nummer] (productie 55 van [gedaagden] .). Nadat de verloven waren verleend heeft [eisers] de beslagen gelegd.
2.24.
Bij pandakte van 8 juli 2024 (productie 38 van [eisers] ) zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 3] met [eisers] overeengekomen dat het beslag op één van de auto’s wordt opgeheven en € 35.000,00 – waarop eveneens beslag is gelegd – zal worden vrijgegeven in verband met inruil van die auto door [gedaagde 2] , waarbij tot zekerheid van de door [eisers] gestelde vordering een pandrecht op een de gekochte auto is gevestigd ten gunste van [eisers]
2.25.
Bij brief van 15 juli 2024 heeft de advocaat van [gedaagden] . de advocaat van [eisers] bericht dat [eisers] de eerste rentetermijn van de geldleenovereenkomst (over 4 mei 2023 tot en met 3 mei 2024) nog niet aan [gedaagde 1] heeft voldaan, zodat [eisers] in verzuim is komen te verkeren. [eisers] is verzocht om binnen zeven dagen die eerste termijn van € 71.629,52 te voldoen (productie 56 van [gedaagden] .).
2.26.
Op 30 september 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, [eisers] verlof verleend voor het leggen van beslag op twee appartementsrechten van [gedaagde 1] ( [adres 2] en [adres 3] te [plaats] , kadastraal bekend [plaats] [nummers] ) en op vier onroerende zaken die (deels) van [gedaagde 2] zijn ( [adres 4] en [adres 5] te [plaats] , [adres 6] , [adres 7] en de [adres 8] , kadastraal bekend [plaats] [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] ), waarna [eisers] die beslagen op 4 oktober 2024 heeft gelegd (productie 58 van [gedaagden] .)

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eisers] vordert na wijziging van eis bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 5] hoofdelijk, met dien verstande dat, indien de een zal hebben betaald, de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan [eiser 1] te betalen een boete van € 950.000,00 ter zake van het handelen in strijd met het non-concurrentiebeding uit de koopovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 2023 tot aan de dag der voldoening;
II. [gedaagden] . hoofdelijk, met dien verstande dat, indien de een zal hebben betaald, de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan [eiser 1] te betalen het bedrag van de schadevergoeding, dan wel het bedrag door de rechtbank te bepalen als wijziging van de overeenkomst, zulks voor een bedrag van € 8.176.342,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 4 mei 2023 tot aan de dag der voldoening;
III. [gedaagden] . hoofdelijk, voor het geval één van de vorderingen onder II of VI niet integraal wordt toegewezen, te veroordelen om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 480.685,70, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het gepleegde bedrog (2 mei 2023) tot aan de dag der voldoening als vermeld in randnummer 8 t/m 13 van de conclusie van repliek in conventie;
IV. [gedaagde 1] te veroordelen om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 50.000,00 ter zake van contractuele boete in verband met overtreding van het geheimhoudingsbeding uit de koopovereenkomst, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening;
V. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van een boete van in totaal € 300.000,00, ter zake van overtreding van het non-concurrentiebeding uit de PAO, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening;
VI. [gedaagden] . hoofdelijk, met dien verstande dat, indien de een zal hebben betaald, de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen, voorwaardelijk, namelijk voor het geval de hiervoor door [eiser 1] gevorderde schadevergoeding ter zake van het terugbetalen of vermindering van de koopsom niet zal worden toegewezen, de schade te vergoeden die [eiser 2] als aandeelhouder van [eiser 1] lijdt als omschreven in de dagvaarding ad € 7.768.342,53, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 2023 tot aan de dag der voldoening;
VII. [gedaagde 3] en [gedaagde 2] te veroordelen aan [eiser 3] te voldoen tegen behoorlijk bewijs van kwijting de navolgende bedragen:
- een bedrag van € 37.500,00 als omschreven in randnummer 50 van de dagvaarding
- een bedrag van € 139.544,35 als omschreven in randnummer 56 van de dagvaarding
- een bedrag van € 14.831,00 als omschreven in randnummer 57 van de dagvaarding
welke bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening;
XI. [gedaagde 2] te veroordelen op eerste verzoek van [eiser 2] mee te werken aan levering van alle aandelen die hij heeft in [eiser 1] aan [eiser 2] tegen een bedrag van € 50.000,00, onder verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 voor het geval hij daarmee in gebreke blijft;
XII. [gedaagden] . te veroordelen in de kosten van deze procedure, de beslagkosten daaronder begrepen, met dien verstande dat indien niet binnen twee weken na dit vonnis is voldaan, ook de wettelijke rente daarover verschuldigd zal zijn;
XIII. [gedaagde 1] te veroordelen om aan [eiser 1] de in randnummer 14 en 15 van de conclusie van repliek in conventie omschreven claim te betalen in verband met de leasecontracten ad € 87.216,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de conclusie van repliek in conventie tot aan de dag der algehele voldoening;
XIV. [gedaagde 3] te veroordelen aan [eiser 3] te betalen ter zake van ten onrechte belaste werknemerslasten van de ouders van [gedaagde 2] , als omschreven in randnummers 16 en 17 van de conclusie van repliek in conventie, een bedrag van € 14.747,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de conclusie van repliek in conventie tot aan de dag der voldoening;
XV. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk te veroordelen, met dien verstande dat indien de een zal hebben betaald, de ander zal zijn bevrijd, aan [eiser 3] te betalen ter zake van niet verrekende verbouwingskosten als opgenomen in randnummers 18 tot en met 23 van de conclusie van repliek in conventie een bedrag van € 232.226,01, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 8 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;
XVI. [gedaagde 2] te veroordelen aan [eiser 3] te betalen ter zake van de BTW- en IB-fraude als omschreven in randnummers 25 tot en met 27 van de conclusie van repliek in conventie een bedrag van € 6.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;
XVII. [gedaagden] . hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser 3] te betalen een schadebedrag, nog op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet ter zake van de omschreven subsidiefraude en de NOW-fraude;
XVIII. [gedaagde 1] te veroordelen te betalen aan [eiser 3] een schadebedrag nog op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet ter zake van de omschreven schending van de garanties met betrekking tot de situatie rondom werknemer [naam 8] ;
XIX. [gedaagden] . hoofdelijk, met dien verstande dat indien de een zal hebben betaald, de ander zal zijn bevrijd, te betalen aan [eiser 2] ten titel van schade ontstaan ten gevolge van aan haar onttrokken omzet een totaalbedrag van € 47.164,00 (randnummers 49 tot en met 67 van de conclusie van repliek in conventie);
XX. [gedaagden] . hoofdelijk, met dien verstande dat indien de een zal hebben betaald, de ander zal zijn bevrijd, te betalen aan [eiser 3] een bedrag van € 4.148,50 als omschreven in randnummers 68 tot en met 70 van de conclusie van repliek in conventie, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 oktober 2024 tot de dag der voldoening;
XXI. [gedaagde 1] te veroordelen om aan [eiser 3] te betalen ten titel van vrijwaring een bedrag van € 8.603,- als omschreven in randnummer 72 van de conclusie van repliek in conventie, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de conclusie van repliek in conventie tot de dag der voldoening;
XXII. [gedaagde 2] te veroordelen om aan [eiser 3] te betalen een bedrag van € 18.670,76, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2021 tot aan de dag der voldoening als omschreven in randnummer 75 en 76 van de conclusie van repliek in conventie;
XXIII. [gedaagde 1] te veroordelen om aan [eiser 3] een bedrag van € 51.113,00 te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de akte van eisvermeerdering tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
[eisers] legt onder meer aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] . toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten en onrechtmatig heeft gehandeld door het onthouden van corporate opportunities aan [eiser 3] . Daarnaast is volgens [eisers] sprake van dwaling en/of bedrog doordat [gedaagden] . [eisers] een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten.
3.3.
[gedaagden] . voert verweer tegen de vorderingen van [eisers] , met uitzondering van de vordering onder XI tot veroordeling van [gedaagde 2] om zijn medewerking te verlenen aan levering van zijn aandelen in [eiser 1] onder de voorwaarde dat hij de koopsom van € 50.000 gerestitueerd krijgt. Wat de overige vorderingen betreft concludeert [gedaagden] . tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [eisers] in de proceskosten in conventie, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis en te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente over de proceskosten indien aan die veroordeling niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis is voldaan.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagden] . vordert na eiswijziging bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I.
Primair[eiser 3] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis [gedaagde 3] (in de persoon van [gedaagde 2] ) weer toe te laten tot het werk en [gedaagde 3] de aan haar in de managementovereenkomst opgedragen werkzaamheden te laten verrichten en alles te doen of na te laten wat daartoe noodzakelijk is, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere overtreding en voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [eiser 3] in strijd handelt met deze veroordeling;
Subsidiair, voor het geval de rechtbank terugkeer van [gedaagde 3] naar het werk niet opportuun acht, voor recht te verklaren dat de managementovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd door [eiser 3] en dat [eiser 3] terzake schadeplichtig is en [eiser 3] ten gevolge de resterende termijnen uit de managementovereenkomst dient te voldoen, alsmede [eiser 1] te veroordelen uit hoofde van de achtergestelde geldlening van € 1.430.000,00 aan [gedaagde 1] te voldoen, te vermeerderen met de contractueel overeenkomen rente van 4% op jaarbasis vanaf 29 februari 2024, althans 8 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
II. [eiser 3] te veroordelen een bedrag van € 61.171,17 inclusief btw aan [gedaagde 3] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 58.965,72 vanaf de datum van de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie tot en met de dag der algehele voldoening;
III. [eiser 3] te veroordelen de toekomstige termijnen van de managementfee en autovergoedingen van € 14.741,43 inclusief btw vanaf 1 juli 2024 tot en met 3 mei 2026, te vermeerderen met de verhogingen conform CPI vanaf 1 januari 2025, aan [gedaagde 3] te voldoen telkens op de 9e dag van de betreffende maand, telkens te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf die dag tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. [eisers] hoofdelijk te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de in randnummer 120 van de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie vermelde beslagen op te heffen op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat [eisers] in strijd handelt met deze veroordeling;
V. [eisers] te veroordelen aan [gedaagden] . te voldoen de schade die zij ten gevolge van de onterechte beslagleggingen heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van beslaglegging (1 juli 2024), althans vanaf de dag van de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie tot aan de dag der algehele voldoening;
VI. [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk, des dat de een betalende de andere zal zijn gekweten, te veroordelen een totaalbedrag van € 77.823,71 aan [gedaagde 1] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 71.629,52 vanaf 15 november 2024 tot en met de dag der algehele voldoening;
VII. [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk, des dat de een betalende de andere zal zijn gekweten, te veroordelen de in de toekomst nog verschijnende termijnen ten bedrage van € 71.629 op 3 mei van ieder jaar te voldoen, voor het eerst op 3 mei 2025, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 3 mei 2025 tot en met de dag der algehele voldoening;
VIII. [eisers] hoofdelijk te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis de in productie 58 van [gedaagden] . vermelde beslagen op te heffen onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat [eisers] in strijd handelt met deze veroordeling;
IX. [eisers] te veroordelen aan [gedaagden] . te voldoen de schade die zij ten gevolge van de onterechte beslaglegging heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van beslaglegging (4 oktober 2024), althans vanaf de dag van de akte houdende vermeerdering eis in reconventie, tot aan de dag der algehele voldoening;
X. met veroordeling van [eisers] in de proceskosten in reconventie, te betalen binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis en tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de nakosten en met bepaling dat over de proceskosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn indien aan de veroordeling niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis is voldaan.
3.6.
[gedaagden] . legt samengevat aan haar vorderingen ten grondslag dat de managementovereenkomst niet tussentijds kon worden opgezegd en dus niet is geëindigd. Omdat de managementovereenkomst niet is geëindigd dient [gedaagde 3] ( [gedaagde 2] ) toegelaten te worden tot het werk en bestaat recht op doorbetaling van de managementfee en de autovergoeding tot en met 3 mei 2026. [gedaagden] . stelt verder dat de door [eisers] gelegde beslagen onrechtmatig zijn en moeten worden opgeheven en dat zij recht heeft op vergoeding van de door haar als gevolg van de beslaglegging geleden schade, nader op te maken bij staat.
3.7.
[eisers] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] ., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] . in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Toerekenbare tekortkoming
4.1.
[eisers] heeft haar vorderingen allereerst gegrond op de stelling dat [gedaagden] . toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen uit de overeenkomsten. Die tekortkoming bestaat volgens [eisers] vooral uit schending door [gedaagden] . van de overeengekomen (1) non-concurrentiebedingen. Daarnaast stelt [eisers] dat [gedaagden] . in strijd met de overeengekomen (2) garantiebedingen en (3) het geheimhoudingsbeding in de koopovereenkomst heeft gehandeld.
1. Concurrentiebedingen
4.2.
Niet in geschil is dat partijen verschillende concurrentiebedingen zijn overeengekomen. [eisers] stelt dat [gedaagden] . in strijd met deze bedingen heeft gehandeld door betrokken en actief te zijn bij [naam 3] en [naam 6] . [gedaagden] . betwist dat [naam 3] en [naam 6] concurrenten zijn van [eiser 3] omdat [naam 3] en [naam 6] zich niet bezighouden met isolatie maar respectievelijk met gevelrenovatie, -reiniging en -impregnering en met de installatie van zonnepanelen. [gedaagden] . stelt verder dat, voor zover zij betrokken is geweest bij isolatieopdrachten, dat in het belang van [eiser 3] is geweest. Bovendien is [eisers] vanaf het begin op de hoogte geweest van het bestaan van (en de activiteiten van) [naam 3] en [naam 6] en heeft daartegen tot het voorjaar van 2024 geen bezwaar gemaakt maar juist het voordeel ingezien van de strategische samenwerking met die ondernemingen, aldus [gedaagden] .
4.3.
Vast staat dat [gedaagde 1] op grond van artikel 14 van de koopovereenkomst – anders dan ten behoeve van en anders dan met schriftelijke toestemming van [eiser 3] – niet (in)direct:
( a) betrokken mag zijn bij een met [eiser 3] concurrerende onderneming,
( b) werknemers mag werven of
( c) werknemers mag overhalen om de bestaande relatie met [eiser 3] te beëindigen of
( d) betrokken mag zijn bij verwerving van met [eiser 3] concurrerende isolatieopdrachten of bij isolatieactiviteiten of het doen van isolatiezaken met klanten en leveranciers van [eiser 3] .
Van belang is dat in de koopovereenkomst is opgenomen dat [eiser 3] een onderneming exploiteert op het gebied van dakisolatie, spouwmuurisolatie, vloerisolatie en bodemisolatie.
Daarnaast geldt op grond van artikel 8 van de managementovereenkomsten voor [gedaagde 3] , [gedaagde 2] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] bovendien dat het hen niet is toegestaan dat zij (in)direct, anders dan met schriftelijke toestemming van [eiser 3] en anders dan ten behoeve van [eiser 3] een onderneming gelijk aan en/of concurrerend met [eiser 3] te (doen) drijven, daarbij betrokken te zijn of daarin een belang te hebben.
Ten slotte geldt voor [gedaagde 2] het in artikel 15 van de PAO overeengekomen concurrentiebeding, op grond waarvan hij niet anders dan via
“de Groep”(zijnde [eiser 1] en haar dochtervennootschappen) (a) een onderneming concurrerend met die van de Groep (of daaraan gelieerde (rechts)personen) mag (doen) drijven of daarbij betrokken mag zijn of daarin een belang mag hebben en (b) werknemers van de Groep (of daaraan gelieerde rechtspersonen) mag werven.
Gelet op het standpunt van [eisers] en genoemde bepalingen dient allereerst te worden vastgesteld met welke activiteiten [eiser 3] , [naam 3] en [naam 6] zich precies bezighouden en of [naam 3] en [naam 6] op grond daarvan zijn aan te merken als concurrenten van [eiser 3] .
4.4.
[eisers] heeft haar standpunt, dat sprake is van met [eiser 3] concurrerende ondernemingen, onderbouwd met de stelling dat [gedaagden] . voorafgaand aan de koopovereenkomst [eiser 3] heeft gepresenteerd als een onderneming die zich bezighoudt met isolatie, gevelrenovatie, impregnatie en gevelreiniging en die haar activiteiten kan uitbreiden in de verdere duurzame wereld van onder meer zonnepanelen. Daarbij heeft zij gewezen op het door [gedaagde 1] overgelegde informatiememorandum en naar offertes van [eiser 3] waarin staat [eiser 3] zich, net als [naam 3] , bezighoudt met gevelrenovatie en -reiniging en isolatie en [naam 6] met zonnepanelen en isolatie. [gedaagden] . betwist dat [naam 3] en [naam 6] met [eiser 3] concurreren omdat zij zich niet bezighouden met isolatie.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het informatiememorandum dat [eiser 3] zich bezighoudt met isolatie. Dat [eiser 3] zich ook met andere duurzaamheidsmaatregelen of gevelrenovatie, -impregnatie of -reiniging bezighoudt, staat daar niet in. [eisers] heeft in dit verband gewezen op de vermelding dat de trend is
“dat meer maatregelen (spouw, vloer, dak etc.) door dezelfde partij worden uitgevoerd”en het
“zogenaamde One-stop-shop principe”waarbij steeds vaker
“vragen over levering van zonnepanelen, glas en aanvullende maatregelen voor verduurzaming”komen. Daaruit blijkt echter niet dat [eiser 3] zich daadwerkelijk zelf bezighield met andere activiteiten dan isolatie. [gedaagden] . heeft hierover gesteld dat die vermelding betrekking heeft op de (in het informatiememorandum genoemde) strategische samenwerking met andere partijen, zoals [naam 3] . [gedaagden] . stelt dat de isolatie- en gevelwerkzaamheden vóór de overname van [eiser 3] niet duidelijk waren gesplitst en samen (door zowel [eiser 3] als [naam 3] ) werden aangeboden en gefactureerd – waarover hierna in r.o. 4.6 meer –, maar dat dit niet betekende dat [eiser 3] zich ook daadwerkelijk (zelf) bezighield met andere werkzaamheden dan isolatie. Dat [eiser 3] zich bezighoudt of heeft beziggehouden met gevelrenovatie, -impregnatie, -reiniging of zonnepanelen heeft [eisers] na betwisting door [gedaagden] . onvoldoende onderbouwd. De rechtbank acht hierbij van belang dat in de koopovereenkomst is opgenomen dat [eiser 3] een onderneming exploiteert “
op het gebied van het leveren en aanbrengen van dakisolatie, spouwmuurisolatie, vloerisolatie en bodemisolatie”. De koopovereenkomst levert als onderhandse akte tussen partijen dwingend bewijs op van hetgeen daarin is bepaald. Omdat deze bepaling in de koopovereenkomst is opgenomen, moet het [eisers] – die de koopovereenkomst door haar advocaat heeft laten opstellen – ook duidelijk zijn geweest dat de activiteiten van [eiser 3] zich tot deze activiteiten beperkte en is het kennelijk ook de bedoeling van partijen geweest dat [eiser 3] zich op die activiteiten zou (blijven) richten. Ter zitting is namens [eisers] in dit kader nog gesteld dat gevelreiniging direct samenhangt met isolatie. [gedaagde 2] heeft uitdrukkelijk betwist dat gevelreiniging altijd samengaat met (of nodig is om te) isoleren, waarna [eisers] haar stelling verder niet heeft onderbouwd, zodat van die samenhang niet is gebleken.
4.6.
Dat [naam 3] zich, net als [eiser 3] , bezighoudt met isolatie is evenmin gebleken. Over het bij productie 9 door [eisers] overgelegde screenshot van de website van [naam 3] van 16 april 2024, waarop isolatie van woningen en vastgoed wordt aangeboden, heeft [gedaagden] . aangevoerd dat [naam 3] in het verleden – toen [eiser 3] en [naam 3] allebei nog dochtervennootschappen van [gedaagde 1] waren – weliswaar isolatie aanbood, maar dat [naam 3] isolatieopdrachten niet zelf verrichtte maar doorschoof naar [eiser 3] . Op die manier konden klanten met één opdracht meerdere duurzaamheidsmaatregelen treffen. Dat was gunstig voor de klant om subsidie te krijgen en voor [eiser 3] en [naam 3] om elkaar over en weer opdrachten toe te spelen. [gedaagden] . stelt dat de website van [naam 3] na de overdracht van [eiser 3] is gewijzigd, maar dat per abuis op één plek het woord isoleren is blijven staan. Na ontdekking daarvan is de website aangepast, zo blijkt uit het screenshot van de website van [naam 3] van 23 mei 2024 (productie 35 van [gedaagden] .). Uit door [eisers] (als producties 62 en volgende) overgelegde offertes, facturen en mail-correspondentie blijkt ook dat [eiser 3] vóór overname weliswaar meerdere werkzaamheden aanbood, maar dat de werkzaamheden na de overname zijn gesplitst, waarbij [eiser 3] zich bezighield met isolatie en [naam 3] met gevelreiniging, -renovatie en -impregnatie. Uit productie 63 van [eisers] blijkt dat [gedaagde 2] de medewerkers van [eiser 3] voor wat betreft de planning en facturatie erop heeft gewezen daarop te letten bij de planning en facturatie. Het is dus niet zo dat opdrachten van [eiser 3] werden doorgesluisd naar [naam 3] – zoals [eisers] stelt – maar dat de activiteiten na overname van [eiser 3] zijn gesplitst in isolatie (voor [eiser 3] ) en gevelrenovatie, -reiniging en -impregnatie (voor [naam 3] ).
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit het voorgaande voort dat [eiser 3] en [naam 3] zich niet met dezelfde activiteiten bezighielden en -houden en daarom niet als concurrenten van elkaar zijn aan te merken. Het bestaan en de betrokkenheid van [gedaagden] . bij [naam 3] leidt daarom niet tot strijd met de overeengekomen concurrentiebedingen. Dat geldt temeer nu [eisers] ten tijde van de overname van [eiser 3] op de hoogte was van het bestaan van [naam 3] . [gedaagde 2] en [gedaagde 5] hebben ter zitting verklaard dat het bestaan en de activiteiten van [naam 3] voor de overname zijn besproken, dat [gedaagde 1] [eiser 1] had aangeboden om ook [naam 3] over te nemen maar dat [eiser 1] niet geïnteresseerd was in de activiteiten van [naam 3] omdat zij alleen in de isolatiewerkzaamheden geïnteresseerd was en dat daarom was afgesproken dat de activiteiten van [eiser 3] (isolatiewerkzaamheden) en de facturatie daarvan zou worden afgesplitst van [naam 3] . Ter zitting is door [eisers] niet overtuigend weersproken dat op die manier is gesproken over [naam 3] , ook al omdat op de zitting voor [eisers] niemand aanwezig was die bij de overnamegesprekken betrokken was.
4.8.
Voor [naam 6] geldt dat evenmin is gebleken dat zij met [eiser 3] concurrerende werkzaamheden verricht. [gedaagden] . stelt dat [naam 6] zich niet bezighoudt met isolatie maar met (het plaatsen van) zonnepanelen. Ook voor wat betreft [naam 6] voert [gedaagden] . aan dat, voor zover [naam 6] in het verleden isolatie aanbood, zij die opdrachten doorspeelde naar [eiser 3] en dat [eisers] op de hoogte was van de activiteiten van [naam 6] en daartegen geen bezwaar heeft gemaakt tot in ieder geval eind 2024. Ter onderbouwing heeft [gedaagden] . als productie 63 een transcriptie van een telefoongesprek van 14 november 2024 tussen [gedaagde 2] en [naam 1] (bestuurder van [eiser 2] ) overgelegd waaruit blijkt dat [naam 1] op de hoogte was van [naam 6] en daartegen geen bezwaar heeft, zolang
“dat maar geen isolatiebedrijf wordt of is”en
“mits het maar niet concurrerend is”. Verder heeft [gedaagden] . ook nog producties 39, 40, 43 en 44 overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde 2] per WhatsApp met [naam 1] heeft overlegd over het toespelen van isolatieopdrachten van haar klanten aan [eiser 3] . Uit door [eisers] overgelegde (correspondentie over) offertes van [naam 6] aan Dirkzwager, [gedaagde 5] en [naam 9] (producties 27 t/m 31 van [eisers] ) blijkt niet dat [naam 6] zich daadwerkelijk zelf met isolatie heeft beziggehouden. [gedaagden] . betwist dat uitdrukkelijk en uit de correspondentie tussen [gedaagde 2] en Dirkzwager (productie 28 van [eisers] ) blijkt ook dat [gedaagde 2] in maart 2024 aan Dirkzwager heeft bericht dat [naam 6] geen isolatie doet. De stelling van [eisers] dat zij niets wist van de offertes, deze per toeval heeft ontdekt en dat het vermoeden bestaat dat er meer is waarvan zij niet afweet, is onvoldoende om ervan uit te gaan dat [naam 6] zich heeft beziggehouden met isolatiewerkzaamheden. [eisers] heeft nog gewezen op het aanbieden van glasisolatie door [naam 6] . Ter onderbouwing heeft [eiser 2] als productie 76 een offerte van [naam 6] overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] echter onvoldoende onderbouwd dat activiteiten met betrekking tot glasisolatie concurrerende activiteiten zijn.
4.9.
Het voorgaande brengt met zich dat [eisers] onvoldoende heeft onderbouwd dat [naam 3] of [naam 6] isolatiewerkzaamheden heeft uitgevoerd. Dat betekent dat niet is gebleken dat [naam 3] of [naam 6] met [eiser 3] concurrerende activiteiten ontplooit en/of is aan te merken als een onderneming gelijk aan [eiser 3] . [eisers] stelt verder dat [gedaagden] . in strijd met concurrentiebedingen heeft gehandeld doordat werknemers van [eiser 3] werden geronseld ten behoeve van vennootschappen van [gedaagde 2] . [eisers] heeft ter onderbouwing zeven werknemers van [eiser 3] genoemd die (vermoedelijk) voor [naam 6] en/of [naam 3] zijn gaan werken en gesteld dat het vermoeden bestaat dat ook anderen zijn benaderd. [gedaagden] . betwist dat de door [eisers] genoemde personen in dienst zijn van [naam 3] of [naam 6] , met uitzondering van [naam 10] en [naam 8] waarover met [naam 1] afspraken zijn gemaakt. Over de door [eiser 2] c.s als productie 95 overgelegde whatsappberichten die [naam 11] ten behoeve van [naam 6] heeft verzonden is ter zitting namens [gedaagden] . verklaard dat [naam 11] die berichten weliswaar heeft verzonden, maar dat dat een vriendendienst was en dat zij niet bij [naam 6] in dienst is of was. Over de verklaring van [naam 12] (productie 97 van [eisers] ) is ter zitting door [gedaagde 1] verklaard dat [gedaagde 2] weliswaar contact met [naam 12] heeft gelegd, maar dat hij dat deed omdat hij geen afscheid van [naam 12] had genomen en niet om [naam 12] voor [naam 6] te werven – en [naam 12] ook niet bij [naam 6] is gaan werken. Na deze onderbouwde betwistingen van [gedaagden] heeft [eisers] onvoldoende onderbouwd dat personeel van [eiser 3] is benaderd of overgehaald om voor [naam 3] of [naam 6] te komen werken. Daardoor is niet gebleken dat [gedaagden] . in strijd met de concurrentiebedingen werknemers van [eiser 3] heeft geworven.
4.10.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat niet is gebleken dat [gedaagden] . in strijd heeft gehandeld met de concurrentiebedingen in artikel 14 van de koopovereenkomst, artikel 15 van de PAO of artikel 8 van de managementovereenkomsten.
Dat betekent dat de vorderingen van [eisers] onder I en V (veroordeling tot betaling van boetes in verband met strijd met concurrentiebeding in de koopovereenkomst en de PAO) niet toewijsbaar zijn.
2. Garantiebepalingen
4.11.
[eisers] stelt dat [gedaagden] . toerekenbaar is tekortgeschoten doordat zij heeft gehandeld in strijd met garantiebepalingen in de artikelen 7.1, 7.2, 7.3, 9.6 en 9.8 van de koopovereenkomst. Artikel 7.1 is volgens [eisers] geschonden omdat onvolledige en misleidende informatie, althans een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven. Zij wijst in dit verband op het informatiememorandum waarin staat dat [eiser 3] een grote groei kon doormaken en marktleider kon worden in verband met het one-stop-shop principe, terwijl [gedaagden] . concurrerende activiteiten ontplooide in [naam 3] en [naam 6] . [gedaagde 1] heeft volgens [eisers] in strijd met artikel 7.3 gehandeld door niet alle feiten en omstandigheden die haar als verkoper bekend waren en die van invloed zouden kunnen zijn op de waardering van de aandelen en de hoogte van de koopsom ter kennis te brengen van [eiser 1] . Bovendien is in strijd met artikel 7.2 gehandeld omdat op de balans een vordering op [naam 3] van € 96.137,14 was opgenomen terwijl dit bedrag zonder aanleiding na de overname in 2023 door [gedaagde 2] is gecrediteerd. [eisers] stelt verder dat [gedaagden] . in strijd met de garantiebepalingen heeft gehandeld doordat [naam 3] bedragen bij [eiser 3] in rekening heeft gebracht voor werkzaamheden door medewerkers van [eiser 3] en doordat verbouwingskosten ten behoeve van (onder meer) [gedaagde 3] en [gedaagde 4] door [eiser 3] zijn betaald maar nooit zijn vergoed. Bij conclusie van repliek in conventie heeft [eisers] nog gesteld dat [gedaagden] . garantiebepalingen heeft geschonden door het plegen van subsidie- en belastingfraude. [eisers] stelt verder nog dat [gedaagden] . in strijd met de garantiebepalingen aan [eiser 3] -werknemer [naam 8] afwijkende toezeggingen heeft gedaan over het hebben van nevenactiviteiten.
[gedaagden] . betwist dat zij in strijd met de garantiebepalingen heeft gehandeld en/of dat een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven voorafgaand aan de koopovereenkomst.
4.12.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat [gedaagde 1] garanties heeft geschonden. De rechtbank stelt daarbij voorop dat [eiser 1] in artikel 9.6 van de koopovereenkomst heeft bevestigd dat [gedaagde 1] en [eiser 3] voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst de door [eiser 1] gewenste boeken en bescheiden ter inzage hebben verstrekt en dat zij op basis daarvan niet bekend is met een inbreuk op garanties.
Op grond van artikel 9.7 geldt dat geen sprake is van een inbreuk op garanties indien sprake is van feiten of omstandigheden die [eiser 1] bekend waren of hadden kunnen zijn uit die overgelegde informatie. Dat betekent dat slechts sprake kan zijn van inbreuk op garanties indien komt vast te staan dat de informatie in de verstrekte boeken en bescheiden niet juist was. Dat heeft [eisers] onvoldoende onderbouwd gelet op het hierna volgende.
Marktleider, one-stop-shop
4.13.
Zoals hiervoor in r.o. 4.5. en 4.7. is overwogen, wordt ervan uitgegaan dat [eiser 1] bekend was met het bestaan en de werkzaamheden van [naam 3] , dat zij geen interesse had in overname van [naam 3] en dat het zogenoemde one-stop-shop principe in het informatiememorandum betrekking had op de strategische samenwerking met [naam 3] . De rechtbank gaat ervan uit dat [eiser 1] vanaf juni 2023 eveneens op de hoogte was van het bestaan en de activiteiten van [naam 6] omdat [gedaagde 2] [naam 1] erop wees dat hij voor zonnepanelen aan [naam 6] moest denken (onder meer productie 35 van [gedaagden] .). [eisers] stelt nog dat óók als [eisers] wetenschap had van het bestaan van [naam 3] en [naam 6] , er nog geen vrijbrief voor [gedaagden] . bestond om garanties te schenden. Van belang is evenwel dat van [eiser 1] op grond van artikel 9.8 van de koopovereenkomst mocht worden verwacht dat zij, zodra zij bekend werd met gebeurtenissen die tot aansprakelijkheid van [gedaagde 1] zouden kunnen leiden, in overleg met [gedaagde 1] diende te treden. Doordat [eiser 1] dat overleg (maandenlang) niet is aangegaan, terwijl zij bekend was met [naam 3] en [naam 6] , kan [eisers] naar het oordeel van de rechtbank nu in redelijkheid geen beroep meer doen op garantiebepalingen op grond van het bestaan en de werkzaamheden van [naam 3] en/of [naam 6] .
4.14.
De vermelding in het informatiememorandum dat [eiser 3] een grote groei kon doormaken en marktleider kon worden, terwijl dat vooralsnog niet is gebeurd, leidt evenmin tot het oordeel dat [gedaagden] . in strijd met gegeven garanties heeft gehandeld of [eiser 1] onjuiste informatie heeft verstrekt. Dat de omzet van [eiser 3] veel lager is dan [eiser 1] had verwacht, maakt dat niet anders omdat niet is gebleken dat dat het gevolg is van het handelen van [gedaagden] . Dat geldt te meer nu de uitspraak van de Raad van State in augustus 2023 (de vleermuizenproblematiek) tot problemen en sterk dalende omzetten leidde voor de isolatiebranche, zoals [gedaagden] . heeft gesteld en wat door [eisers] als zodanig niet is weersproken. Daargelaten wat de gevolgen van die uitspraak precies voor [eiser 3] zijn geweest, zal deze uitspraak vanaf de tweede helft van 2023 ongetwijfeld van invloed zijn geweest op de omzet van [eiser 3] .
Facturering door [naam 3]
4.15.
Evenmin is gebleken dat garantiebepalingen zijn geschonden door onterechte facturering door [naam 3] aan [eiser 3] . [gedaagden] . stelt dat [naam 3] heeft gefactureerd (in het kader van de strategische samenwerking) voor door [eiser 3] aangenomen werkzaamheden die (deels) door [naam 3] werden verricht. [eiser 3] factureerde die werkzaamheden aan de klant, waarna [naam 3] haar deel van de werkzaamheden aan [eiser 3] factureerde. [gedaagden] . betwist dat zij daarbij gebruik heeft gemaakt van medewerkers van [eiser 3] . [eisers] heeft in dit verband onder meer als productie 40 een factuur van 7 april 2023 van een project in Utrecht overgelegd van € 37.500,00 die volgens haar zonder reden is opgesteld omdat niet medewerkers van [naam 3] het werk hebben verricht, maar [naam 13] en [naam 14] (van [eiser 3] ). [gedaagden] . erkent dat medewerkers van [eiser 3] aan dit project hebben gewerkt, maar betwist dat genoemde factuur betrekking heeft op werkzaamheden van [eiser 3] (-medewerkers). [eisers] heeft haar stelling dat de gefactureerde werkzaamheden door personeel van [eiser 3] zijn verricht na betwisting door [gedaagden] . niet nader onderbouwd. Omdat uit de factuur blijkt dat de werkzaamheden bestonden uit het “natuurvrij maken” (reiniging, een activiteiten van [naam 3] ) en niet op isolatie (de activiteit van [eiser 3] ), wordt [eisers] niet gevolgd in haar stelling dat [naam 3] deze werkzaamheden ten onrechte heeft gefactureerd aan [eiser 3] .
4.16.
Dat de vordering op [naam 3] van € 96.137,14 op de balans van [eiser 3] was vermeld maar na overname is gecrediteerd, levert evenmin strijd met garantiebepalingen op. [gedaagden] . stelt dat hierover voor de overname uitvoerig is gesproken en dat is afgesproken dat dit bedrag zou worden verrekend in de equitybridge (gecrediteerd zou worden). [gedaagden] . heeft ter onderbouwing als producties 28 en 29 stukken van [naam 15] – de adviseur van [eisers] – overgelegd. Daarin staat dat deze vordering op [naam 3] wordt verrekend in de verkooptransactie en dat hier in de afrekening expliciet rekening mee dient te worden gehouden. [eisers] wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat deze vordering na de overname ten onrechte door [gedaagde 2] is gecrediteerd of dat de balans, waar de vordering op stond, niet klopte.
Verbouwingskosten
4.17.
[eisers] wordt evenmin gevolgd in haar stelling dat door [eiser 3] betaalde verbouwingskosten ten onrechte niet zijn verrekend. Volgens [gedaagden] . zijn deze kosten ter sprake gekomen tijdens de onderhandelingen. Ter onderbouwing heeft zij als productie 73 een mailwisseling tussen [naam 16] (namens [eiser 1] ) en [gedaagde 2] en [gedaagde 5] overgelegd van 30 december 2022. Daarin heeft [naam 16] onder meer de volgende afspraak bevestigd:
“De verbouwingskosten OG 2022 van circa € 120k hoeven niet genormaliseerd te worden in de cijfers c.q. verrekend te worden in de transactie (“permitted leakage”).De rechtbank begrijpt hieruit dat [eiser 1] vóór overname van [eiser 3] op de hoogte was van deze kosten en dat duidelijk was dat deze niet verrekend zouden worden in de koopsom (geen effect zouden hebben op de te berekenen EBIT en daarmee op de koopsom). Over door [eiser 3] betaalde verbouwingskosten in 2021 heeft [gedaagde 1] aangevoerd dat de koopsom is bepaald op basis van het resultaat van [eiser 3] in 2022 en kosten van 2021 dus niet van invloed waren op de hoogte van de koopsom. [eisers] heeft na de onderbouwde betwisting door [gedaagden] . onvoldoende onderbouwd dat de wijze waarop met de verbouwingskosten is omgegaan schending van gegeven garanties oplevert.
Situatie rond werknemer [naam 8]
4.18.
[eisers] heeft haar standpunt, dat in strijd met garantiebepalingen aan [naam 8] afwijkende toezeggingen waren gedaan, onderbouwd met haar stelling dat in de procedure over het ontslag van [naam 8] is gebleken dat hij, in afwijking van de voorwaarden, toestemming van [gedaagde 5] had gekregen om nevenactiviteiten uit te voeren, terwijl bij het sluiten van de koopovereenkomst was gegarandeerd dat geen sprake was van afwijkingen.
[eisers] stelt daarnaast dat in februari 2024 in strijd met de garantiebepalingen het concurrentiebeding van [naam 8] uit de systemen van [eiser 3] is verwijderd.
[gedaagden] . voert aan dat de rol van [naam 8] vóór de overname van [eiser 3] uitvoerig ter sprake is gekomen en bekend was bij [eiser 2] (Isolatie) en dat [naam 1] er toestemming voor heeft gegeven dat [naam 8] mede werkzaamheden zou verrichten voor [naam 3] en [naam 6] . [gedaagden] . betwist dat [gedaagde 2] het concurrentiebeding van [naam 8] uit het systeem van [eiser 3] heeft verwijderd. Dat heeft [naam 8] zelf gedaan, aldus [gedaagden] .
4.19.
De stelling van [gedaagden] . dat [naam 1] toestemming heeft gegeven voor nevenwerkzaamheden aan [naam 8] heeft [eisers] noch in deze procedure, noch in de procedure over het ontslag van [naam 8] betwist. Uit de beschikking van het gerechtshof Arnhem van 13 augustus 2024 (productie 80 van [eisers] ) blijkt uit r.o. 3.13. ook dat [naam 8] in die procedure heeft gesteld dat hij toestemming van [naam 1] had gekregen voor zijn werkzaamheden voor [naam 3] en [naam 6] . De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [naam 1] die toestemming heeft gegeven. Dat leidt ertoe dat [eisers] in redelijkheid geen beroep kan doen op strijd met de garantiebepaling in verband daarmee. De rechtbank volgt [gedaagden] . verder in haar standpunt dat het niet aan [gedaagde 3] of [gedaagde 2] is te wijten dat het concurrentiebeding van [naam 8] is verwijderd uit de systemen van [eiser 3] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gerechtshof in eerder genoemde beschikking heeft overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat [naam 8] de digitale versie van zijn concurrentiebeding zelf heeft verwijderd of heeft laten verwijderen en dat [naam 8] in de procedure bij het gerechtshof, desgevraagd, verder niemand heeft kunnen noemen die belang had bij verwijdering van zijn concurrentiebeding. Het ontbreken van het concurrentiebeding van [naam 8] kan zonder verdere onderbouwing, die ontbreekt, dan ook niet leiden tot het oordeel dat op dit punt garantiebepalingen zijn geschonden door [gedaagden] . Eén en ander brengt bovendien met zich dat de in verband hiermee door [eiser 3] van [gedaagde 1] onder XVIII gevorderde schadevergoeding niet toewijsbaar is.
Fraude
4.20.
[eisers] stelt verder dat [gedaagden] . in strijd met de overeengekomen garanties heeft gehandeld doordat bij [eiser 3] op grote schaal fraude is gepleegd in de tijd dat [gedaagden] . leiding gaf aan [eiser 3] , te weten: ISDE-subsidiefraude, BTW-, IB- en NOW-fraude.
[gedaagden] . betwist dat [eiser 3] voor de overname fraude heeft gepleegd of onterecht subsidies heeft ontvangen, zodat op grond daarvan ook geen sprake is van geschonden garanties.
-
Fraude ISDE-subsidie
4.21.
[eisers] stelt dat [eiser 3] ISDE- subsidiefraude heeft gepleegd doordat [gedaagde 2] [eiser 3] een hoger bedrag liet offreren en declareren dan waarvoor zij daadwerkelijk werkzaamheden had uitgevoerd. Voor het hogere factuurbedrag werd subsidie verkregen, waarna een deel van de factuur vervolgens werd gecrediteerd. Ter onderbouwing heeft [eisers] als productie 49 een verklaring van de heer [naam 17] van [eiser 3] overgelegd en als producties 50 tot en met 53 onder meer brieven van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). [gedaagden] . betwist dat [eiser 3] of [gedaagde 2] betrokken was bij de subsidieaanvragen. Zij stelt dat de aanvragen voor de klant door een andere partij (Proces Tools of Simpel Subsidie) werden geregeld, waarbij de klant een aanvraagformulier invulde en ondertekende en RVO de subsidie aan de klant overmaakte. Voor zover de aanvraag niet klopte, is dat niet aan [eiser 3] of [gedaagde 2] te wijten, aldus [gedaagden] .
Na deze betwisting heeft [eisers] niet onderbouwd dat [eiser 3] of [gedaagde 2] betrokken was bij fraude met ISDE-subsidie. De heer [naam 17] heeft verklaard dat hij, in dienst van [eiser 3] en in opdracht van [gedaagde 2] , heeft meegewerkt aan onjuiste subsidieaanvragen. Uit de door [eisers] overgelegde brieven van RVO blijkt echter dat Proces Tools subsidie namens de klant aanvroeg en dat de subsidie aan de klant zelf werd overgemaakt. Dat en hoe [gedaagde 2] of [eiser 3] betrokken was (en baat had) bij het aanvragen van (hogere) subsidie heeft [eisers] niet duidelijk gemaakt. Dat [gedaagde 2] of [eiser 3] aldus fraude heeft gepleegd is daardoor niet gebleken.
-
BTW- en IB-fraude
4.22.
Volgens [eisers] heeft [gedaagden] . fiscale fraude gepleegd en [eiser 3] benadeeld door de tenaamstelling van een factuur aan te passen en zo een privéfactuur (op naam van [gedaagde 2] sr.) op een zakelijke factuur (op naam van [eiser 3] ) te laten lijken (productie 54 van [eisers] ). [gedaagden] . betwist dat sprake is van fraude omdat de factuur is verrekend met [gedaagde 3] Onroerend Goed. [gedaagden] . voert aan dat ook niet is gebleken van een fiscale claim op dit punt. De rechtbank is van oordeel dat, nu niet gesteld of gebleken is van vragen of opmerkingen van de belastingdienst over de gang van zaken rond de betreffende factuur, na de betwisting door [gedaagden] . niet is komen vast te staan dat sprake is van fraude en/of nadeel voor [eiser 3] op dit punt.
-
NOW-fraude
4.23.
[eisers] stelt dat [gedaagden] . gefraudeerd heeft met de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid door facturen opzettelijk te verleggen van juni/juli 2020 naar augustus 2020 om te veinzen dat de omzet in juli 2020 niet werd gehaald. Ter onderbouwing heeft zij als productie 56 facturen van [eiser 3] overgelegd waarop is vermeld dat de btw is verlegd. [gedaagden] . betwist dat in 2020 met facturen is geknoeid. [gedaagden] . erkent dat [eiser 3] in 2020 NOW heeft aangevraagd en ontvangen nadat zij vragen van het UWV had beantwoord. Na toezending van het dossier van de accountant en nadat twee keer een toelichting is verstrekt over de werkwijze en het facturatieproces van [eiser 3] aan de inspecteur, is het UWV niet tot terugvordering overgegaan. Dat [eiser 3] onterecht NOW heeft ontvangen of heeft gefraudeerd, is dan ook niet juist, aldus [gedaagden] .
Omdat [eisers] na betwisting door [gedaagden] . haar stelling dat sprake is van NOW-fraude niet heeft onderbouwd met correspondentie van het UWV (de instantie die belast is met uitvoering van de NOW), is van NOW-fraude door [eiser 3] niet gebleken.
4.24.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het voorgaande onvoldoende gebleken dat [eiser 3] heeft gefraudeerd onder leiding van [gedaagden] . Dat [eiser 3] als gevolg daarvan schade heeft geleden, is evenmin gebleken. De in verband daarmee door [eisers] onder XVI en XVII gevorderde schadevergoedingen zullen daarom worden afgewezen. Dat [gedaagden] . als gevolg van fraude in strijd met garantiebepalingen heeft gehandeld wordt gelet op het voorgaande niet gevolgd.
3. Geheimhoudingsbeding
4.25.
[eisers] stelt dat [gedaagde 1] in strijd met het geheimhoudingsbeding van artikel 15 van de koopovereenkomst heeft gehandeld. [gedaagden] . betwist dat [gedaagde 1] informatie van [eiser 3] met derden heeft gedeeld. In artikel 15 is bepaald dat verkoper ( [gedaagde 1] ) zich verbindt op geen enkele wijze informatie te verstrekken aan derden over de financiën, werkwijze, de relaties of anderszins vertrouwelijke gegevens van [eiser 3] . [eisers] heeft, ook na betwisting, niet onderbouwd welke informatie en aan welke derde(n) [gedaagde 1] precies gegevens in strijd met genoemd artikel heeft verstrekt. Voor zover [eisers] doelt op informatie-uitwisseling tussen [eiser 3] , [naam 3] en/of [naam 6] heeft [gedaagden] . aangevoerd dat [gedaagde 1] daarbij niet betrokken was. Omdat [eisers] haar stelling verder niet heeft onderbouwd, wordt zij niet gevolgd in haar standpunt dat [gedaagde 1] het geheimhoudingsbeding heeft geschonden. Dat betekent dat de vordering van [eisers] onder IV tot betaling door [gedaagde 1] van de contractuele boete in verband met schending van het geheimhoudingsbeding niet toewijsbaar is.
Overige tekortkomingen
4.26.
Het voorgaande brengt met zich dat [eisers] onvoldoende heeft gesteld dat [gedaagden] . op grond van schending van de concurrentiebedingen, de garantiebedingen en het geheimhoudingsbeding toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. [eisers] stelt zich verder op het standpunt dat [gedaagde 3] / [gedaagde 2] bij de uitvoering van de opdracht voor [eiser 3] onvoldoende heeft voldaan aan de zorgplicht van een goed opdrachtnemer omdat [gedaagde 2] zeer snel na de overname van [eiser 3] onvoldoende initiatief nam en passief was. Daarnaast heeft [gedaagde 2] volgens [eisers] door zijn werkzaamheden voor [naam 6] en [naam 3] in strijd met artikel 9.1 van de managementovereenkomst gehandeld. [gedaagden] . betwist dat [gedaagde 3] en/of [gedaagde 2] onvoldoende aan de zorgplicht van een goed opdrachtgever heeft voldaan of heeft gepresteerd. Zij wijst erop dat het [gedaagde 2] op grond van artikel 9.1 van de managementovereenkomst was toegestaan om nevenactiviteiten te verrichten, zolang die niet concurreerden met [eiser 3] .
4.27.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat [gedaagde 2] – voordat [eiser 3] de managementovereenkomst opzegde – onvoldoende had gepresteerd en daardoor was tekortgeschoten in de nakoming van de managementovereenkomst. Daarbij is van belang geacht dat [gedaagde 2] (of [gedaagde 3] ) nooit in gebreke is gesteld door [eiser 3] en dat niet is gebleken dat [gedaagde 2] voor februari 2024 signalen had gekregen dat hij onvoldoende presteerde voor [eiser 3] . Uit het e-mailbericht van [naam 5] (van [eiser 2] ) van 22 januari 2024 blijkt juist dat er volop vertrouwen in [gedaagde 2] was en dat zijn managementvergoeding werd verhoogd. Volgens [eisers] was die verhoging bedoeld om [gedaagde 2] te stimuleren iets te gaan doen. De rechtbank acht het zonder verdere onderbouwing echter niet geloofwaardig dat iemand die onvoldoende presteert een hogere beloning krijgt en te horen krijgt dat
“er het volste vertrouwen is”in de samenwerking. Evenmin is [gedaagde 2] aangesproken op zijn werkzaamheden voor [naam 3] en [naam 6] , terwijl [eisers] daarvan vanaf het begin op de hoogte was. Evenmin is gebleken dat die werkzaamheden strijd opleverden met artikel 9.1 van de managementovereenkomst. In dit artikel is bepaald dat opdrachtnemer werkzaamheden voor andere opdrachtgevers mag verrichten, mits dat niet nadelig is voor [eiser 3] . Dat de werkzaamheden voor [naam 3] en/of [naam 6] nadelig waren voor [eiser 3] is niet gebleken. Volgens [gedaagden] . heeft [eiser 3] daar juist baat bij gehad in het kader van de strategische samenwerking en dat heeft [eisers] niet (onderbouwd) betwist.
4.28.
Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat [gedaagden] . toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. De door [eisers] gevorderde schadevergoedingen zijn op die grond dan ook niet toewijsbaar.
Onrechtmatige daad
4.29.
[eisers] stelt zich verder op standpunt dat [gedaagden] . onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Zij stelt dat het onthouden van corporate opportunities, gelet op de feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang gezien, als onrechtmatig moeten worden aangemerkt doordat omzet aan [eiser 3] is onttrokken ten gunste van [naam 3] en [naam 6] . [gedaagden] . betwist dat zij corporate opportunities aan [eiser 3] heeft onthouden omdat [naam 3] en [naam 6] zich op andere activiteiten dan [eiser 3] richten.
4.30.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] onvoldoende gesteld om aan te nemen dat [gedaagden] . [eiser 3] corporate opportunities heeft onthouden. In de rechtspraak wordt over het algemeen aangenomen dat sprake is van het onthouden van corporate opportunities indien activiteiten “behorende tot het domein van” de onderneming door de ander worden verricht (Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS: 2014:786) of in geval van ontplooiing van een activiteit die past binnen de bedrijfsvoering van de onderneming, die daar (mogelijk) een redelijk belang bij heeft en dat belang kenbaar moet zijn voor de ander (o.a. Rb Zwolle-Lelystad 30 januari 2008, ECLI:NL:RBZLY:2008: BG0842). Omdat [eiser 3] zich bezighoudt met isolatie en [naam 3] en [naam 6] niet – en ook niet is gesteld of gebleken dat [eisers] geïnteresseerd is in de activiteiten van [naam 3] en [naam 6] – zijn de activiteiten van [naam 3] en [naam 6] niet te beschouwen als activiteiten in de zin van de hiervoor genoemde jurisprudentie. Daardoor is niet gebleken dat de activiteiten van [naam 3] en [naam 6] tot gevolg hebben dat corporate opportunities aan [eiser 3] zijn onthouden.
4.31.
[eisers] heeft – naast hetgeen zij heeft gesteld in het kader van toerekenbare tekortkoming en wat hiervoor al is besproken – verder geen (aanvullende) onderbouwing gegeven voor haar stelling dat [gedaagden] . zich onrechtmatig heeft gedragen. De rechtbank gaat ervan uit dat [eisers] hetgeen zij over bedrog stelt mede ten grondslag legt aan het standpunt dat [gedaagden] . onrechtmatig heeft gehandeld omdat [eisers] in verband daarmee ook schadevergoedingen vordert. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Bedrog
4.32.
[eisers] stelt dat zij is bedrogen en misleid doordat [gedaagden] . haar vóór het sluiten van de overeenkomsten op diverse punten een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven en het resultaat in [eiser 3] door kunstgrepen heeft opgepoetst. Zij stelt dat [eiser 1] de koopovereenkomst nooit (op gelijke wijze) zou hebben gesloten als zij daarvan op de hoogte was geweest. De rechtbank overweegt als hierna volgend op die afzonderlijke punten. Bij die beoordeling geldt als uitgangspunt dat op grond van artikel 3:44 lid 3 BW bedrog aanwezig is wanneer iemand een ander tot het verrichten van een rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat hij verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep.
-
Koopsom gebaseerd op onjuiste jaarrekening
4.33.
[eisers] stelt dat zowel het resultaat als de balansposities in de voorafgaand aan de overeenkomst overgelegde jaarrekening onjuist waren. Zij wijst in dit verband op een e-mailbericht van haar adviseur van 2 mei 2023 (productie 39 van [eisers] ). Daarin heeft de adviseur [gedaagde 2] en [gedaagde 5] erop gewezen dat het resultaat minder hoog is dan afgesproken (1,4 miljoen in plaats van 1,5 miljoen) doordat openstaande facturen zijn gecrediteerd, waardoor het netto-werkkapitaal € 100.000,00 lager was dan voorgespiegeld en dat dat moet worden gecorrigeerd. [eisers] stelt dat daar niets mee is gedaan.
[gedaagden] . betwist dat de creditering van openstaande facturen niet is besproken bij de overnamegesprekken.
4.34.
Zoals in r.o. 4.17. al is overwogen, heeft [gedaagden] . met haar producties 28 en 29 (stukken van [naam 15] , adviseur van [eiser 2] ) onderbouwd dat de openstaande facturen (een vordering van in totaal € 96.137,14 op [naam 3] ) worden verrekend in de verkooptransactie en dat dat bedrag is verrekend bij de afrekening. [eisers] wordt daarom niet gevolgd in haar stelling dat de openstaande facturen niet aan de orde zijn geweest bij de onderhandelingen en/of dat het resultaat is opgepoetst. De adviseur van [eiser 2] was bij het sluiten van de koopovereenkomst in ieder geval op hoogte van de creditering en het effect ervan. Mede gelet op het bepaalde in artikel 9.6 van de koopovereenkomst betekent dit dat [eisers] zich achteraf niet op het standpunt kan stellen dat [gedaagden] . onjuiste gegevens heeft gepresenteerd. Het standpunt van [eisers] dat op grond hiervan sprake is van bedrog of misleiding wordt daarom niet gevolgd.
Het voorgaande brengt bovendien met zich dat [eisers] geen vordering op [gedaagden] . heeft omdat van een lagere koopsom uitgegaan had moeten worden. Het onder III door [eisers] gevorderde (tot betaling van een schadevergoeding van € 480.685,70 (5 x € 96.137,14) is daarom niet toewijsbaar.
-
Claim in verband met hoger aantal gereden kilometers
4.35.
[eisers] stelt dat sprake is van kosten waarover [gedaagden] . haar niet heeft geïnformeerd doordat zij een nota van € 17.443,14 van [naam 18] heeft gekregen voor meerkilometers die [gedaagde 2] en [gedaagde 5] in 2021 en 2022 hebben gereden. Deze kosten moeten worden toegerekend aan de jaren waarop zij betrekking hebben en omdat er geen voorziening voor is getroffen, horen die kosten voor rekening en risico van [gedaagden] . te komen, aldus [eisers]
[gedaagden] . stelt dat zij met het leasebedrijf was overeengekomen dat achteraf geen verrekening zou plaatsvinden in geval van meerkilometers en dat [naam 18] nooit actie heeft ondernomen om dat te wijzigen. Zij betwist dan ook dat [eiser 3] gehouden is om de nota van [naam 18] te betalen. Ter onderbouwing heeft [gedaagden] . als productie 75 een e-mailbericht overgelegd van de heer [naam 19] van [naam 18] van 14 december 2021.
4.36.
In het door [gedaagden] . overgelegde e-mailbericht van [naam 18] is in een gespreksverslag weergegeven waarin over meerkilometers is opgenomen:
“Er is tijdens de contractbespreking gesproken over meer kilometers niet door berekenen. Het aantal meer kilometers loopt echter boven onze verwachting op (…). [eiser 3] geeft aan er begrip voor te hebben dat dit anders is dan bij de contract besprekingen door verwacht kon worden.Actie [naam 20] , afspraak maken met [eiser 3] (2de week januari) om de meer kilometer prijs met hun te bespreken.”
De rechtbank stelt vast dat uit dit bericht blijkt dat de afspraak tot en met 2021 was dat [naam 18] geen meerkilometers aan [eiser 3] zou factureren en dat [naam 18] actie zou ondernemen om die afspraak begin 2022 met [eiser 3] te bespreken maar dat niet is gebleken dat [naam 18] dat heeft gedaan. Dat betekent dat de facturering van meerkilometers aan [eiser 3] over 2021 in strijd met de gemaakte afspraken is. Voor de meerkilometers in 2022 geldt dat, nu niet is gebleken van gewijzigde afspraken tussen [eiser 3] en [naam 18] , er geen rechtsgrond is voor het doorberekenen van meerkosten aan [eiser 3] . [eisers] heeft als productie 40 weliswaar een mailwisseling uit 2024 met [naam 18] overgelegd waarin staat dat die kosten op grond van de mantelovereenkomst verschuldigd zijn, maar die mantelovereenkomst is niet overgelegd en in de mailwisseling erkent [naam 18] dat hierover diverse gesprekken met [gedaagde 2] en [gedaagde 5] zijn gevoerd omdat zij het er niet mee eens waren. Niet gebleken is dat [eiser 3] de kosten moet betalen en dat zij die heeft betaald. Voor zover zij wel heeft betaald, is dat geen schade die voor rekening van [gedaagden] . dient te komen. De in verband met deze kosten door [eiser 2] onder XIII ingestelde vordering van € 87.216 (5 x € 17.443,14) op [gedaagden] . is niet toewijsbaar en [eisers] wordt ook op dit punt niet gevolgd in haar stelling dat [gedaagden] . haar heeft bedrogen.
-
Loonkosten vader en moeder van [gedaagde 2]
4.37.
[eiser 2] c.s stelt dat [gedaagde 2] valsheid in geschrifte heeft gepleegd doordat hij voor de overname van [eiser 3] werkzaamheden van zijn vader via zijn managementfee heeft doorbelast als “huur aanhanger”. Bovendien heeft [gedaagde 2] zonder overleg met de aandeelhouders zijn vader per 1 oktober 2023 op de loonlijst van [eiser 3] gezet en hem om onduidelijke redenen per 1 januari 2024 omgewisseld voor zijn moeder. Omdat [gedaagde 2] zijn ouders nooit op de loonlijst had mogen plaatsen, vordert [eiser 3] de aan hen betaalde werkgeverslasten van in totaal € 14.747,00 van [gedaagde 3] .
[gedaagden] . voert aan dat de vader van [gedaagde 2] in dienst was bij [eiser 3] en diverse klussen uitvoerde. Omdat hij op enig moment door ziekte was uitgevallen is het dienstverband geëindigd en in oktober 2023 weer ingegaan, waarna hij samen en/of afwisselend met de moeder van [gedaagde 2] werkzaamheden voor [eiser 3] uitvoerde. Daarom is er begin 2024 een dienstverband met de moeder gekomen. [naam 1] wist daarvan en heeft daarvoor toestemming gegeven, aldus [gedaagden] .
4.38.
[eisers] betwist niet dat de vader van [gedaagde 2] werkzaamheden voor [eiser 3] heeft verricht. Dat [eiser 3] vader daarvoor betaalde lijkt [eisers] geen bezwaar te vinden, maar wel dat die vergoeding destijds onder de noemer “huur aanhanger” werd opgevoerd en dat [gedaagde 2] heeft geregeld dat zijn vader per 1 oktober 2023 een dienstverband met [eiser 3] had. Uit de stellingen van partijen komt naar voren dat de kosten voor de werkzaamheden van vader kennelijk wél in de boeken waren opgenomen. Dat betekent dat die kosten bij de overname van [eiser 3] (en de berekening van de koopsom) zijn meegenomen. Dat de kosten onder een andere noemer in de boeken zijn opgenomen heeft geen invloed op het resultaat van [eiser 3] . Voor zover een en ander valsheid in geschrifte zou opleveren, valt zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – niet in te zien dat [eisers] daarvan nadeel heeft ondervonden. Over het in oktober 2023 met vader aangegane dienstverband stelt [gedaagden] . bovendien dat [gedaagde 2] daarvoor toestemming van [naam 1] heeft gekregen. Ter onderbouwing heeft [gedaagden] . een verslag van een gesprek met [naam 1] op 21 februari 2024 (productie 13 van [gedaagden] .) overgelegd waarin [naam 1] over de ouders van [gedaagde 2] heeft verklaard:
“(…) de rol van je ouders bij [eiser 3] , dat is gewoon klaar. Dat blijft gerespecteerd. Die blijven gewoon in dienst en is geen discussie over mogelijk.”Hieruit blijkt dat [naam 1] er kennelijk geen bezwaar tegen heeft gehad dat [gedaagde 2] een dienstverband sloot namens [eiser 3] en dat [gedaagde 2] ervan heeft mogen uitgaan dat hij daartoe bevoegd was als manager. Ter zitting is namens [eisers] gesteld dat over het dienstverband met moeder op 21 februari 2024 slechts was gezegd dat het akkoord was dat zij op de loonlijst zou blijven, zolang aan de voorwaarden van een dienstverband werd voldaan. De rechtbank constateert dat dit impliceert dat het dienstverband met moeder tot 21 februari 2024 kennelijk niet in geschil is maar dat de vraag was of zij op de loonlijst zou kunnen
blijven. De onder XIV door [eiser 3] teruggevorderde loonkosten zijn, wat moeder betreft, de kosten over de maanden januari en februari 2024 (randnummer 17 conclusie van repliek van [eisers] ), maar daarvan heeft [eisers] gelet op het voorgaande onvoldoende onderbouwd dat [eiser 3] die ten onrechte heeft voldaan.
De door [eiser 3] onder XIV gevorderde loonkosten worden daarom zowel voor wat betreft de vader als de moeder van [gedaagde 2] afgewezen.
-
Niet verrekenende verbouwingskosten
4.39.
[eiser 2] stelt dat [eiser 3] verbouwingskosten heeft betaald ten behoeve van (onder meer) [gedaagde 3] en [gedaagde 4] (in totaal € 232.226,01: een bedrag van € 95.014,95 in 2021 en een bedrag van € 107.621,34 in 2022) die ten onrechte niet zijn doorbelast, zodat de balans onjuist was. [eiser 3] heeft in verband met deze kosten daarom een vordering op [gedaagde 3] en [gedaagde 4] op grond van ongerechtvaardigde verrijking, aldus [eisers]
[gedaagden] . stelt dat de kosten die in 2021 zijn gemaakt niet van invloed zijn geweest op de koopsom omdat de koopsom op basis van het resultaat van 2022 is bepaald. [gedaagden] . stelt dat er tussen de bestuurders van [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [eiser 3] in 2021 overeenstemming bestond om die kosten bij [eiser 3] te laten, dat het niet aan latere bestuurders of aandeelhouders is om daar wijziging in aan te brengen en dat de jaarrekening op dit punt geen onjuist beeld heeft geschetst. De kosten in 2022 heeft [eiser 3] voorgeschoten maar later doorbelast aan [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [naam 21] Ter onderbouwing heeft [gedaagden] . als productie 80 facturen van [eiser 3] aan [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [naam 21] en bankafschriften van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] overgelegd.
4.40.
Zoals in r.o. 4.17. al is overwogen, zijn de verbouwingskosten van 2022 vóór de overname van [eiser 3] ter sprake gekomen tijdens de onderhandelingen, zo blijkt uit de daar genoemde mailwisseling tussen [naam 16] (namens [eiser 1] ) en [gedaagde 2] en [gedaagde 5] van 30 december 2022. [eiser 1] was vóór overname van [eiser 3] dus op de hoogte van die kosten en van het uitgangpunt dat die niet verrekend zouden worden en/of geen effect zou hebben op de te berekenen EBIT (en daarmee op de koopsom). Het is daarom niet zo dat [gedaagden] . een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven of feiten heeft verzwegen. Bovendien heeft [gedaagde 1] met de door haar overgelegde facturen en bankafschriften onderbouwd gesteld dat de verbouwingskosten over 2022 zijn doorbelast aan [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [naam 21] en dus niet ten laste van [eiser 3] zijn gekomen.
Van de in 2021 gemaakte verbouwingskosten erkent [gedaagden] . dat die ten laste van [eiser 3] zijn gekomen. Dat leidt er echter niet toe dat [gedaagde 1] een verkeerde voorstelling van zaken over het resultaat van [eiser 3] heeft gegeven of dat de koopsom op onjuiste gegevens is gebaseerd. Niet in geschil is dat de koopsom is berekend over het resultaat in [eiser 3] over 2022, zodat kosten in 2021 daarop niet van invloed zijn geweest. Het standpunt van [eisers] dat de balans van [eiser 3] op dit punt onjuist was omdat die kosten hadden moeten worden doorbelast en dat [eiser 3] die bedragen daarom alsnog kan vorderen van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] , wordt niet gevolgd. De verbouwingskosten zijn kennelijk in de boeken opgenomen terwijl in verband daarmee geen vordering op [gedaagde 3] en [gedaagde 4] is opgenomen. Op grond van artikel 9.6 van de koopovereenkomst geldt dat [eiser 2] (Isolatie) vóór overname van [eiser 3] geacht wordt daarmee bekend te zijn geweest op basis van het Due Diligence onderzoek en die situatie heeft aanvaard. Daardoor kan zij zich achteraf niet op het standpunt stellen dat [gedaagden] . onjuiste gegevens heeft gepresenteerd omdat er nog een vordering op [gedaagde 3] en [gedaagde 4] is die niet in de boeken was opgenomen. De vordering onder XV van [eiser 3] om [gedaagde 3] en [gedaagde 4] te veroordelen tot betaling van niet verrekende verbouwingskosten zal daarom worden afgewezen.
4.41.
[eisers] heeft gelet op het voorgaande onvoldoende onderbouwd dat [eiser 2] (Isolatie) tot het sluiten van de koopovereenkomst is bewogen door [gedaagde 1] doordat [gedaagde 1] opzettelijk onjuiste mededelingen heeft gedaan of juist heeft gezwegen over enig feit dat zij verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat [gedaagden] . [eisers] heeft bedrogen.
Resumerend
4.42.
Omdat niet gebleken is dat [gedaagden] . [eiser 2] heeft bedrogen, is er geen grond voor vernietiging van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. Gelet op het voorgaande kan het door [eiser 2] gestelde evenmin tot het oordeel leiden dat [gedaagden] . zich onrechtmatig jegens [eisers] heeft gedragen. Omdat evenmin is gebleken van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [gedaagden] . is er geen grond voor toewijzing van vergoeding van de door [eisers] gestelde schade. De vorderingen van [eisers] onder II, XIX en XX zijn daarom niet toewijsbaar. Over de overige vorderingen wordt als volgt overwogen.
4.43.
De vordering van [eisers] onder VI om [gedaagden] . te veroordelen om [eiser 2] de schade te vergoeden die zij als aandeelhouder van [eiser 1] lijdt, is evenmin toewijsbaar. Volgens vaste rechtspraak geldt dat indien een derde aan een vennootschap vermogensschade toebrengt door een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een contractuele verplichting jegens de vennootschap of door gedragingen die jegens de vennootschap onrechtmatig zijn, alleen de vennootschap een vordering heeft tot vergoeding van deze schade. In beginsel komt aan een aandeelhouder van de vennootschap niet een vordering toe tot vergoeding van schade die hij als aandeelhouder lijdt ten gevolge van genoemde tekortkoming of onrechtmatige gedraging jegens de vennootschap (zogeheten afgeleide schade). Op deze regel kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van een gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens de aandeelhouder (onder andere Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1899). [eisers] heeft niet gesteld dat daarvan sprake is. Nu bovendien niet is gebleken van een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatigde gedraging door [gedaagden] . jegens [eiser 1] (op grond waarvan [eiser 1] aanspraak kan maken op schadevergoeding), kan [eiser 2] als aandeelhouder van [eiser 1] ook geen aanspraak maken op vergoeding van afgeleide schade.
4.44.
[eiser 3] vordert onder VII [gedaagde 3] en [gedaagde 2] te veroordelen om een viertal geldbedragen te voldoen, zijnde € 37.500,00, € 58.630,00, € 139.544,35 en € 14.831,00, waarbij zij respectievelijk verwijst naar randnummers 50, 52, 56 en 57 van de dagvaarding.
De gevorderde bedragen zijn niet toewijsbaar. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Het bedrag van € 37.500,00 betreft een factuur van [naam 3] aan [eiser 3] voor het natuurvrij maken van een project in [plaats] . Over deze factuur is in r.o. 4.15. al overwogen dat die factuur betrekking heeft op reiniging (activiteit van [naam 3] ) en niet op (de door [eiser 3] verrichte) isolatie. [eisers] wordt daarom niet gevolgd in haar stelling dat [naam 3] het bedrag van € 37.500,00 ten onrechte aan [eiser 3] heeft gefactureerd.
Voor het door [naam 3] gefactureerde bedrag van € 58.630,00 geldt eveneens dat [eisers] onvoldoende heeft onderbouwd dat dit ten onrechte aan [eiser 3] is gefactureerd. Dat de facturen zien op werkzaamheden die door [eiser 3] zijn geoffreerd, zoals [eisers] stelt, doet daar niet aan af gelet op de strategische samenwerking tussen [eiser 3] en [naam 3] .
Over het bedrag van € 139.544,35 stelt [eisers] dat dit een door [gedaagde 3] aan [eiser 3] doorbelaste huurdersinvestering is maar dat nergens uit blijkt dat [eiser 3] dat bedrag verschuldigd is als huurder. Ter onderbouwing heeft [eisers] als productie 23 een overzicht overgelegd waarin door [gedaagde 3] gefactureerde bedragen staan in de periode van 1 januari 2023 tot en met 1 april 2023 in verband met aanpassingen aan het pand. [gedaagden] . voert als verweer aan dat de door [gedaagde 3] gefactureerde bedragen van vóór de overname waren en voor [eiser 1] inzichtelijk waren bij het Due Diligence onderzoek. Bovendien was de verbouwing van het pand volgens [gedaagden] . bij [eiser 1] bekend en betreft het werkzaamheden die volledig in het belang van [eiser 3] waren en niet in het belang van verhuurder ( [naam 22] ). De rechtbank stelt vast dat de bedragen vóór de overname van [eiser 3] zijn gefactureerd en in ieder geval deels bekend moeten zijn geweest ten tijde van het Due Diligence onderzoek dat medio februari 2023 nog gaande was (zo blijkt uit een als productie 29 door [gedaagden] . overgelegde vragenlijst die in het kader van het onderzoek was opgesteld door [naam 15] ). Niet is gebleken dat [eiser 2] (Isolatie) toen vragen over die facturen heeft gesteld en [eisers] heeft ook niet weersproken dat de werkzaamheden in het belang van [eiser 3] zijn verricht. [eisers] heeft daardoor onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde 3] die kosten dient terug te betalen aan [eiser 3] .
Het door [eiser 3] gevorderde bedrag van € 14.831,00 heeft betrekking op in 2023 en 2024 aan [eiser 3] door [gedaagde 3] doorbelaste verzekeringslasten en onroerende zaak belasting van het pand dat [eiser 3] van [naam 22] huurt. Die doorbelasting is volgens [eisers] niet in overeenstemming met de huurovereenkomst, zodat de bedragen onverschuldigd zijn betaald door [eiser 3] . [gedaagden] . stelt dat deze lasten in de jaren voor overname (vanaf 2019) ook bij [eiser 3] in rekening zijn gebracht, zoals blijkt uit bijlage 4 bij productie 14 van [eisers] [eiser 1] heeft dat kunnen constateren bij het Due Diligence onderzoek. Die gangbare praktijk is volgens [gedaagden] . na overname van [eiser 3] met [naam 1] besproken en door het huidige bestuur van [eiser 3] voortgezet. De rechtbank stelt vast dat uit bijlage 4 bij productie 14 van [eisers] blijkt dat verzekeringskosten en belastingen in verband met het door [eiser 3] gehuurde pand in 2019, 2021 en 2022 door [gedaagde 3] aan [eiser 3] zijn gefactureerd. [eisers] heeft de stelling van [gedaagden] . dat met [naam 1] was afgesproken die gang van zaken te continueren, niet betwist. Gelet op de eerdere gang van zaken en de afspraak om die gang van zaken te contineren zijn de bedragen niet onverschuldigd betaald, zodat de vordering in verband daarmee niet toewijsbaar is.
Vordering VPB-aangifte 2022
4.45.
[eiser 3] vordert onder XXI een bedrag van [gedaagde 1] van € 8.603,00 in verband met vennootschapsbelasting over het jaar 2022. [eisers] onderbouwt deze vordering met een beschikking die [eiser 3] heeft ontvangen (productie 78 van [eisers] ) en waarin een aanslag is opgenomen van € 271.671,00, terwijl in de equitybridge bij de overname rekening was gehouden met een bedrag van € 263.068,00 aan vennootschapsbelasting. Er had bij de bepaling van de koopsom met een hoger bedrag rekening moeten worden gehouden en [eisers] stelt dat [eiser 3] op grond van de vrijwaringsbepalingen recht heeft op het verschil.
[gedaagde 1] betwist niet dat de daadwerkelijke aanslag vennootschapsbelasting over 2022 hoger ligt dan het bedrag waarmee rekening is gehouden in de equitybridge. Omdat [gedaagde 1] hierover nimmer is aangeschreven of op de hoogte is gesteld door [eisers] , stelt zij rauwelijks te zijn gedagvaard op dit punt, zodat de vordering dient te worden afgewezen.
4.46.
[gedaagden] . heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van de vordering van [eiser 3] op [gedaagde 1] . Het betoog van [gedaagde 1] dat [eiser 3] eerst met haar in gesprek had moeten gaan, alvorens de vordering in rechte in te stellen is op zichzelf juist, maar kan niet leiden tot het oordeel dat het (onbetwiste) bedrag niet verschuldigd is. Het onder XXI gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de conclusie van repliek in conventie (8 januari 2025), zijnde het moment waarop [gedaagde 1] door [eiser 3] op de hoogte is gesteld van deze vordering. Dat [gedaagden] . op dit punt rauwelijks is gedagvaard, betekent slechts dat toewijzing van de vordering geen negatieve gevolgen voor [gedaagde 1] heeft voor de proceskostenveroordeling.
Privé-onttrekkingen
4.47.
[eisers] vordert onder XXII om [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 18.670,76 aan [eiser 3] . Zij stelt dat [eiser 3] in 2021 een bedrag van € 15.430,38 exclusief btw aan [naam 23] heeft voldaan in verband met zonnepanelen op het privé-adres van [gedaagde 2] en dat [gedaagde 2] die kosten niet aan [eiser 3] heeft vergoed. Ter onderbouwing legt [eisers] een factuur van [naam 23] over van 21 april 2021. [gedaagden] . voert over deze kosten aan dat deze geen negatief effect hebben gehad op de koopsom die [eiser 1] voor [eiser 3] heeft betaald (omdat die kosten het resultaat juist hebben gedrukt) maar hooguit kunnen hebben geleid tot een schuld in rekening courant.
[gedaagden] . betwist niet dat [eiser 3] kosten heeft voldaan die voor rekening van [gedaagde 2] hadden moeten komen. Omdat niet is gebleken dat [gedaagde 2] de kosten aan [eiser 3] heeft vergoed, zal de rechtbank deze vordering van [eisers] toewijzen op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW). [gedaagde 2] heeft immers voordeel van zonnepanelen die [eiser 3] zonder rechtsgrond heeft bekostigd en waardoor [eiser 3] dus is verarmd. Het onder XXII gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen. Over dat bedrag wordt de wettelijke rente met ingang vanaf 21 april 2021 (de dag van de factuur) gevorderd. Een verbintenis tot schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking ontstaat op het moment dat de ene partij is verrijkt ten koste van het vermogen van de andere partij. Dat is niet het moment waarop is gefactureerd maar het moment van betaling van de factuur. Niet gesteld of gebleken is wanneer [eiser 3] de kosten heeft betaald. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis.
Naheffingsaanslagen
4.48.
[eiser 3] heeft onder XXIII een bedrag van € 51.113,00 van [gedaagde 1] gevorderd in verband met naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2021 en 2022 en vennootschapsbelasting over 2021 en 2022. [eisers] heeft die bedragen onderbouwd met de door [eiser 3] ontvangen aanslagen (producties 101 tot en met 104) in verband met de fraude die zich vóór de overname heeft afgespeeld.
[gedaagden] . voert over de naheffingsaanslagen aan dat [eisers] deze aanslagen zelf heeft veroorzaakt door onterecht en in strijd met artikel 9.8 van de koopovereenkomst aangifte van belastingfraude te doen, aldus [gedaagden] .
4.49.
Op grond van artikel 9.8 van de koopovereenkomst dienen partijen zich in te spannen om verlies, schade of aansprakelijkheid te beperken of te verminderen. Dat heeft [eisers] niet gedaan maar, in plaats daarvan, correctieaangiftes gedaan terwijl [gedaagde 1] , mede gelet op hetgeen hiervoor onder
fraudeis overwogen, haar uitleg kon geven over de eerdere aangiftes en niet is gebleken van onjuistheden daarin. [eisers] heeft op die manier onterecht en moedwillig een claim op [gedaagde 1] gecreëerd en beroept zich daardoor onterecht op de afgegeven vrijwaring. De vordering onder XXIII is daardoor niet toewijsbaar.
Levering aandelen
4.50.
[eisers] vordert onder XI om [gedaagde 2] te veroordelen om mee te werken aan levering aan [eiser 2] van alle aandelen die hij in [eiser 1] heeft tegen een bedrag van € 50.000,00. [gedaagde 2] heeft tegen toewijzing geen enkel bezwaar gemaakt en verklaard te zullen meewerken aan de levering van de aandelen onder de voorwaarde dat hij de koopsom van € 50.000,00 gerestitueerd krijgt. Deze vordering is dan ook toewijsbaar. Omdat [gedaagde 2] geen bezwaar heeft tegen toewijzing van deze vordering en niet valt in te zien waarom hij niet zou meewerken aan de levering van de aandelen ziet de rechtbank geen aanleiding om de door [eisers] gevorderde dwangsom te verbinden aan deze veroordeling.
Proceskosten
4.51.
[eisers] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] . worden begroot op:
- griffierecht
6.617,00
- salaris advocaat
13.071,00
(3 punten × € 4.357,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
19.827,00
4.52.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
Voortzetting managementovereenkomst
4.53.
[gedaagden] . vordert onder I primair [eiser 3] te veroordelen om [gedaagde 3] (in de persoon van [gedaagde 2] ) weer toe te laten tot het werk en de in de managementovereenkomst aan haar opgedragen werkzaamheden te laten uitvoeren. Zij legt daaraan ten grondslag dat de managementovereenkomst niet tussentijds kon worden opgezegd en dus niet is geëindigd.
[eisers] voert als verweer aan dat de managementovereenkomst is opgezegd. Ter zitting is daar namens [eisers] aan toegevoegd dat een onwerkbare situatie zou ontstaan als [gedaagde 2] terugkeert bij [eiser 3] omdat er bij [eiser 3] geen enkel vertrouwen meer in hem is.
4.54.
Uit hetgeen in conventie is overwogen, volgt dat niet is gebleken dat [gedaagde 3] en/of [gedaagde 2] ) is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen uit de managementovereenkomst. Evenmin is gebleken van een dringende reden als bedoeld in 7:678 lid 2 BW of feiten of omstandigheden die kwalificeren als een redelijke opzeggingsgrond in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub d tot en met h BW. Dat betekent dat [eiser 3] op grond van het bepaalde in de managementovereenkomst niet heeft kunnen overgaan tot opzegging van die overeenkomst en dat deze pas eindigt na een periode van drie jaar. Hoewel de managementovereenkomst dus nog tot 3 mei 2026 doorloopt, zal de rechtbank de vordering om [gedaagde 2] weer tot het werk toe te laten afwijzen. Uit vaststaande feiten en de stellingen van partijen is voldoende duidelijk geworden dat sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk tussen [eisers] en [gedaagde 2] . Het is daardoor niet realistisch dat [gedaagde 2] zijn werkzaamheden voor [eiser 3] hervat.
4.55.
Het subsidiair onder I door [gedaagden] . gevorderde, om voor recht te verklaren dat de managementovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd door [eiser 3] , is gelet op het voorgaande toewijsbaar. Omdat de managementovereenkomst niet is geëindigd, is de gevorderde verklaring voor recht dat [eiser 3] de resterende termijnen uit de managementovereenkomst aan [gedaagde 3] dient te voldoen eveneens toewijsbaar. Ervan uitgaande dat de managementovereenkomst niet is geëindigd en [gedaagde 3] recht heeft op doorbetaling van de resterende termijnen, is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde 3] ten gevolge van de beëindiging – anders dan de resterende termijnen – schade heeft geleden ten gevolge van de beëindiging. De vordering van [gedaagden] . om voor recht te verklaren dat [eiser 3] schadeplichtig is, zal daarom worden afgewezen.
Geldlening
4.56.
[gedaagden] . heeft ter zitting de vordering om [eiser 1] te veroordelen de geldlening van € 1.430.000,00 met rente aan [gedaagde 1] te voldoen ingetrokken. Die vordering zal daarom buiten beschouwing blijven en niet worden toegewezen.
Managementvergoeding
4.57.
[gedaagden] . vordert onder II en III [eiser 3] te veroordelen om aan [gedaagde 3] de verschuldigde managementvergoeding te voldoen. Zij heeft als productie 54 facturen overgelegd over de maanden april tot en met juli 2024 die [eiser 3] niet heeft voldaan.
[eisers] stelt zich op het standpunt dat de vergoeding niet verschuldigd is omdat [gedaagde 2] niet meer voor [eiser 3] heeft gewerkt over genoemde periode. Zij betwist bovendien dat [eiser 3] de autovergoeding verschuldigd is omdat de auto niet voor [eiser 3] is gebruikt.
4.58.
De rechtbank heeft in r.o. 4.55. al overwogen dat [gedaagde 3] recht heeft op de resterende termijnen omdat de managementovereenkomst doorloopt tot en met 3 mei 2026. Dat [gedaagde 2] vanaf april 2024 niet meer voor [eiser 3] heeft gewerkt, doet niet af aan de verschuldigdheid van de vergoeding omdat [gedaagde 2] wel beschikbaar en bereid was om werkzaamheden voor [eiser 3] te blijven verrichten en [gedaagde 3] in kort geding zelfs heeft gevorderd om [gedaagde 2] weer toe te laten tot het werk zodat hij de op grond van managementovereenkomst opgedragen werkzaamheden kon verrichten. Het is dan ook niet aan [gedaagde 3] ( [gedaagde 2] ) te wijten dat [gedaagde 2] geen werkzaamheden meer voor [eiser 3] verrichtte. [eiser 3] is de managementvergoeding dan ook aan [gedaagde 3] verschuldigd, met dien verstande dat de autovergoeding niet zal worden toegewezen. Omdat [gedaagde 3] ( [gedaagde 2] ) vanaf april 2024 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor [eiser 3] kan vanaf dat moment ook geen sprake meer zijn geweest van onkosten die [gedaagde 3] / [gedaagde 2] ten behoeve van [eiser 3] heeft gemaakt en dus ook niet van vergoeding van die kosten. Het onder II gevorderde bedrag over april tot en met juli 2024 wordt aldus toegewezen tot een bedrag van € 49.285,72 (4 x € 10.183,00, vermeerderd met btw), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente – gelet op het bepaalde in artikel 3.3 van de managementovereenkomst – vanaf de vijftiende dag na de factuurdatum. De onder III gevorderde managementvergoedingen (exclusief autovergoedingen) zijn eveneens toewijsbaar met dien verstande dat daarbij als ingangsdatum 1 augustus 2024 wordt genomen omdat de maand juli 2024 al is inbegrepen in het toegewezen bedrag van € 49.285,72. De verhogingen conform CPI vanaf 1 januari 2025 zijn toewijsbaar op grond van artikel 3.2 van de managementovereenkomst. Voor de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente wordt aangesloten op de factuurdata van april tot en met juli 2024, aldus steeds van de 15e van de maand waarop de vergoeding betrekking heeft.
Beslagen
4.59.
[gedaagden] . stelt zich op het standpunt dat de door [eisers] gelegde beslagen onrechtmatig zijn omdat deze ten onrechte zijn gelegd. Zij vordert onder IV en VIII [eisers] op straffe van een dwangsom te veroordelen de beslagen op te heffen en onder V en IX [eisers] te veroordelen tot vergoeding van de als gevolg van de beslagleggingen door haar geleden schade, nader op te maken bij staat.
[eisers] betwist dat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd, ervan uitgaande dat [gedaagden] . bedragen aan haar verschuldigd is omdat overtreding van het non-concurrentiebeding evident is. Bovendien geldt dat beslagen ook geacht worden te zijn gelegd voor mogelijke appelprocedures. [eisers] betwist daarnaast dat [gedaagde 1] schade heeft geleden door de beslaglegging. [eisers] wijst erop dat zij desgevraagd heeft meegewerkt aan het deels opheffen van het beslag, juist ter voorkoming van enige schade.
4.60.
Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van de onnodigheid van het beslag of, in geval van beslag voor een geldvordering, indien voldoende zekerheid is gesteld. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). De beoordeling kan niet los geschieden van afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
4.61.
Uit hetgeen in conventie is overwogen, wordt [eisers] grotendeels in het ongelijk gesteld en worden de geldvorderingen grotendeels afgewezen. Dat betekent nog niet dat onherroepelijk vast staat dat de vorderingen van [eisers] ondeugdelijk zijn en/of dat zij geen belang meer heeft bij handhaving van de beslagen. Zoals [eisers] ook stelt, behoudt zij belang bij het waarborgen van verhaal voor de vorderingen voor het geval zij hoger beroep tegen dit vonnis instelt. De omstandigheid dat zij (grotendeels) ongelijk heeft gekregen is wel een omstandigheid die wordt betrokken bij de afweging van de belangen van partijen. Tegenover het belang van [eisers] bij handhaving van het beslag staat het belang van [gedaagden] . bij opheffing ervan. Ter zitting hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 5] verklaard dat vooral de beslagen op hun privérekeningen voor hun heel ingrijpend zijn. Gelet op de beoordeling in conventie, het aantal beslagobjecten en de ingrijpendheid van beslag op privérekeningen is de rechtbank van oordeel dat de beslagen op de privérekeningen van [gedaagde 2] en [gedaagde 5] moeten worden opgeheven. Omdat de rechtbank zelf tot opheffing van die beslagen overgaat en medewerking van [eisers] daaraan niet nodig is, kan oplegging van een dwangsom aan [eisers] achterwege blijven.
4.62.
[gedaagden] . vordert onder V [eisers] te veroordelen om de door [gedaagden] . ten gevolge van de onterechte beslaglegging geleden schade te voldoen. Die vordering is gelet op het voorgaande toewijsbaar. De rechtbank acht daarbij mede van belang dat namens [gedaagden] . ter zitting onweersproken is verklaard dat er met [naam 1] afspraken waren gemaakt over de opheffing van de beslagen, in verband waarmee [gedaagden] . een bankgarantie had geregeld ten behoeve van [eisers] , maar dat [eisers] desondanks niet tot opheffing van de beslagen is overgegaan. Omdat begroting van de door [gedaagden] . hierdoor geleden (en nog te lijden) schade nog niet mogelijk is, zal de zaak op grond van artikel 612 Rv worden verwezen naar de schadestaatprocedure.
Rente over de lening
4.63.
[gedaagden] . vordert onder VI en VII [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [gedaagde 1] van € 71.629,52 per jaar, zijnde de rente over het bedrag van de lening. Over het bedrag dat op 4 mei 2024 was verschuldigd vordert [gedaagde 1] vanaf 5 mei 2024 de wettelijke handelsrente (die zij tot en met 15 november 2024 berekent op € 4.702,89) en buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.491,30) die zij stelt te hebben gemaakt voor werkzaamheden die verband houden met sommaties en pogingen om tot een oplossing van het geschil te komen. [eisers] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Het gevorderde zal daarom, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 2.1 en 2.3 van de Verkoperslening en op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, worden toegewezen.
4.64.
[eisers] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] . worden begroot op:
- salaris advocaat
4.357,00
(2 punten × factor 0,5 × € 4.357,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.496,00
4.65.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde 2] om op eerste verzoek van [eiser 2] mee te werken aan levering aan [eiser 2] van alle aandelen die hij heeft in [eiser 1] tegen betaling door [eiser 2] aan [gedaagde 2] van € 50.000,00,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser 3] te betalen een bedrag van € 8.603,00 op grond van vrijwaring in verband met de aanslag vennootschapsbelasting over 2022, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 8 januari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser 3] te betalen een bedrag van € 18.670,76 in verband met privé-onttrekkingen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 19.827,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.7.
verklaart voor recht dat [eiser 3] de managementovereenkomst niet rechtsgeldig heeft beëindigd en dat [eiser 3] de resterende termijnen uit de managementovereenkomst aan [gedaagde 3] dient te voldoen,
5.8.
veroordeelt [eiser 3] om aan [gedaagde 3] een bedrag van € 49.285,72 aan managementvergoedingen over de periode april tot en met juli 2024 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de vergoedingen per maand, steeds met ingang de 15e van de maand waarop dat maandbedrag betrekking heeft tot de dag van volledige betaling,
5.9.
veroordeelt [eiser 3] om aan [gedaagde 3] een bedrag te betalen van € 10.183,00 per maand aan managementvergoedingen met ingang van 1 augustus 2024 tot 4 mei 2026, te vermeerderen met verhogingen conform CPI vanaf 1 januari 2025 en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de al verschenen termijnen steeds vanaf de 15e van de maand waarop de vergoeding betrekking heeft, tot de dag van volledige betaling, en voor de nog te verschijnen termijnen deze vergoedingen elke maand te voldoen op de 15e van de betreffende maand en, voor zover dan niet wordt betaald, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf die 15e dag tot de dag van volledige betaling,
5.10.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk om aan [gedaagde 1] te betalen een bedrag van € 77.823,71, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 71.629,52 met ingang van 15 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.11.
heft op de ten laste van [gedaagde 2] en [gedaagde 5] op hun privérekeningen door [eisers] gelegde beslagen onder de RABO Bank en de ING Bank,
5.12.
veroordeelt [eisers] om aan [gedaagden] . te voldoen de door [gedaagden] . geleden en nog te lijden schade ten gevolge van onterechte beslaglegging en handhaving van beslagen door [eisers] , op te maken bij staat,
5.13.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 4.496,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.14.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.8 tot en met 5.13 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.15.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie
5.16.
veroordeelt [eisers] tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.17.
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.18.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.16 en 5.17 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.19.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.C. Boesberg, mr. K.H.A. Heenk en mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.
JO/FB/KH/PB