ECLI:NL:RBGEL:2025:10129

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
ARN 24/7472
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658a BWArt. 25 Wet WIAArt. 64 Wet WIAArt. 65 Wet WIAArt. 629 Boek 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep werkgever tegen verlenging loondoorbetalingsverplichting wegens onvoldoende re-integratie

De zaak betreft een beroep van een werkgever tegen het besluit van het UWV om de loondoorbetalingsverplichting aan een zieke werknemer te verlengen tot 24 juni 2025. Het UWV had dit besluit genomen omdat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, met name door het te laat starten van het tweede-spoortraject.

De werknemer was sinds juni 2022 ziek en viel uit vanwege medische klachten. Na een wachttijd van 104 weken had het UWV vastgesteld dat de werkgever haar re-integratieverplichtingen niet goed was nagekomen. De werkgever startte het tweede-spoortraject pas in december 2023, terwijl dit uiterlijk zes weken na het eerste ziektejaar (medio augustus 2023) had moeten gebeuren. De arbeidsdeskundige van het UWV concludeerde dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren en dat er re-integratiekansen waren gemist.

De werkgever voerde aan dat het tweede spoor maatwerk is en dat de start ervan was afgestemd op de medische situatie van de werknemer. Ook stelde zij dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom het traject eerder had moeten starten. De rechtbank oordeelde echter dat de belastbaarheid van de werknemer al in juli 2023 was vastgesteld en dat er geen medische gronden waren om het tweede spoor later te starten. De rechtbank vond de motivering van het UWV voldoende en concludeerde dat de werkgever tekort was geschoten in haar re-integratieverplichtingen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting en wees het verzoek van de werkgever tot terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van de werkgever tegen de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7472

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

Stichting Sociale Wijkteams Arnhem, uit Arnhem, eiseres

(gemachtigde: mr. S.J. Heijtlager),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: T.I. Gerritsen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats] (de werknemer)
(gemachtigde: mr. E. Hoekstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte van de werknemer door eiseres aan die werknemer tot 24 juni 2025. Eiseres is het niet eens met deze verlenging. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlenging van de loondoorbetaling van eiseres aan de werknemer.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft besloten dat eiseres het loon aan de werknemer langer door moet betalen. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of het UWV terecht heeft besloten dat eiseres het loon van de werknemer door moet betalen tot 24 juni 2025. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Bij besluit van 3 juni 2024 heeft het UWV aan de werknemer meegedeeld dat het UWV vindt dat eiseres niet alle verplichtingen is nagekomen voor haar re-integratie. Daarom heeft het UWV de periode waarin de werknemer tijdens ziekte recht heeft op loon verlengd tot 24 juni 2025. Met het bestreden besluit van 11 september 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De werknemer heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vertegenwoordigd door [persoon A], de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. De werknemer en haar gemachtigde hebben bericht dat zij niet bij de zitting aanwezig zullen zijn.
2.3.
De werknemer heeft de rechtbank geen toestemming verleend om eiseres kennis te laten nemen van de medische gegevens. In haar beslissingen van 20 juni 2025 en 23 september 2025, heeft de rechtbank bepaald dat kennisneming van de medische stukken niet wordt toegestaan aan de werkgever, maar uitsluitend is voorbehouden aan S.J. Heijtlager, de gemachtigde van de werkgever, die advocaat is. Daarom zal de rechtbank in deze uitspraak terughoudend zijn met het vermelden van medische gegevens.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De werknemer heeft vanaf 1 april 2011 gewerkt bij Intermezzo Maarsbergen als pedagogisch medewerker gedurende 30 uur per week. Bij deze werkgever heeft zij zich per 16 december 2016 ziekgemeld, als gevolg van medische klachten
.Na de wachttijd van 104 weken is door het UWV vastgesteld dat de re-integratie-verplichtingen niet goed zijn nagekomen door deze werkgever. Daarom is de periode van loondoorbetaling van deze werkgever verlengd tot 13 december 2019. Per 1 maart 2019 is het dienstverband tussen Intermezzo en de werknemer beëindigd. Daarom heeft het UWV per 1 maart 2019 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend aan de werknemer. Vanwege de hoogte van haar inkomsten is deze uitkering vanaf 1 juni 2019 beëindigd.
3.1.
De werknemer is op 1 juni 2019 in dienst getreden bij eiseres in de functie van wijkcoach jeugd gedurende 36 uur per week. Op 28 juni 2022 is zij van deze werkzaamheden uitgevallen als gevolg van medische klachten. Op 3 januari 2024 heeft eiseres een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Bij brief van 22 januari 2024 heeft het UWV eiseres bericht dat er geen deskundigenoordeel zal worden gegeven. Er is namelijk vastgesteld dat er geen geschil is tussen eiseres, de werknemer en/of de bedrijfsarts over de re-integratie van de werknemer.
3.2.
Op 5 april 2024 heeft de werknemer een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd bij het UWV.
3.3.
Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een arbeidsdeskundige van het UWV beoordeeld of het re-integratietraject naar behoren is afgerond. De bevindingen van de arbeidsdeskundige zijn vastgelegd in de rapportage van 24 mei 2024. Daarin concludeert de arbeidsdeskundige dat eiseres niet genoeg heeft gedaan om de werknemer te re-integreren en dat zij daarvoor geen deugdelijke grond heeft. De arbeidsdeskundige vindt dat er geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat. De werknemer werkt namelijk niet structureel in passend werk dat zo dicht mogelijk aansluit bij haar resterende functionele mogelijkheden, terwijl er in passend werk met een structureel karakter ook niet tenminste 65% van het oude loon wordt verdiend. De arbeidsdeskundige vindt de inspanningen van eiseres onvoldoende. Eiseres heeft te laat iets aan re-integratie in spoor 2 gedaan. Het re-integratietraject naar arbeidsmogelijkheden buiten de organisatie was niet adequaat. De arbeidsdeskundige kan zich vinden in de conclusie van de door eiseres ingeschakelde arbeidsdeskundige dat het eigen werk van werknemer niet passend geacht kan worden en niet passend gemaakt kan worden. Door eiseres is voldoende inzichtelijk gemaakt dat er geen andere mogelijkheden zijn binnen de organisatie. Er is dan ook terecht een tweede-spoortraject ingezet voor de werknemer. Dit traject is aangevangen op 5 december 2023. Dit had echter maximaal zes weken na een jaar ziekte plaats moeten vinden, dus omstreeks augustus 2023. De arbeidsdeskundige is van mening dat er geen sprake is geweest van een adequaat traject en er dus re-integratiekansen zijn gemist. Dat valt eiseres te verwijten. Indien het tweede-spoortraject eerder was aangevangen, had ook eerder gekeken kunnen worden naar bijvoorbeeld een werkervaringsplaats voor werknemer. Deze is nu pas aangevangen op 1 maart 2024, waarin nog een opbouw in uren plaats moet vinden. Als hier eerder mee gestart zou zijn, had de werknemer al verder kunnen opbouwen in uren. Daarnaast is gedurende het gehele traject weinig gesolliciteerd (zes keer). De arbeidsdeskundige kan eiseres niet volgen in haar opmerking dat er een aantal gesprekken nodig was om de belastbaarheid goed in kaart te brengen, alvorens met spoor 2 gestart kan worden. De belastbaarheid is namelijk vastgesteld door de bedrijfsarts. Hierover vinden als het goed is zes wekelijks gesprekken plaats. Er had derhalve veel eerder gestart kunnen en moeten worden met het tweede-spoortraject. De tekortkomingen kunnen volgens de arbeidsdeskundige hersteld worden.
3.4.
Naar aanleiding van de bevindingen van de arbeidsdeskundige heeft het UWV het besluit van 3 juni 2024 genomen, waarin de periode waarin eiseres het loon van de werknemer tijdens ziekte moet doorbetalen is verlengd tot 24 juni 2025.
3.5.
In de bezwaarprocedure heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (b&b) onderzoek verricht. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in de rapportage van 6 september 2024. Samengevat concludeert de arbeidsdeskundige b&b dat de re-integratie-inspanningen van eiseres op het moment van beoordelen in mei 2024 onvoldoende zijn. Het tweede-spoortraject is vijf maanden te laat opgestart (december 2023). Daarnaast meent de arbeidsdeskundige b&b dat er nog geen adequaat tweede-spoortraject is. Er zijn te weinig sollicitatieactiviteiten verricht. De werknemer kan nog niet zelfstandig opereren op de arbeidsmarkt. Bovendien zat de werknemer pas op vier uren, terwijl ze al meer uren actief (werkzaam) had kunnen zijn, bijvoorbeeld op een werkervaringsplaats. De arbeidsdeskundige b&b meent daarom dat er re-integratiekansen in spoor 2 gemist zijn, die hersteld kunnen worden. Vervolgens is het UWV overgegaan tot de afgifte van het bestreden besluit.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres is het niet eens met de verlenging van de loondoorbetaling tijdens ziekte aan de werknemer en voert daartegen – samengevat – het volgende aan. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en is ondeugdelijk gemotiveerd. In het geval van het opleggen van een loonsanctie gelden naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zwaardere motiverings- en zorgvuldigheidseisen. [1] Aan deze verzwaarde motiveringsplicht is niet voldaan. Het UWV heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eiseres. Bij het oordeel dat het tweede-spoortraject eerder ingezet had moeten worden en dat eiseres geen deugdelijke grond heeft voor de te late start, wordt op geen enkele wijze gemotiveerd dat gelet op de specifieke medische situatie van de werknemer niet eerder gestart kon worden dan in september 2023 met het tweede spoor.
De arbeidsdeskundige b&b oordeelt dat uit de medische informatie van de bedrijfsarts volgt dat de belastbaarheid eerder al dusdanig was dat de werknemer met het tweede spoor kon starten. Dat is echter niet de praktijk geweest. Eiseres heeft maatwerk verricht in de situatie van de werknemer en heeft op basis daarvan niet eerder dan september 2023 het tweede spoor ingezet. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 16 augustus 2017, waarin is bevestigd dat een tweede-spoortraject maatwerk is, afgestemd op de persoonlijke situatie van een betrokkene. [2] Dat geldt naar mening van eiseres zowel voor het moment van starten met het tweede-spoortraject als voor de inhoud van het persoons- en zoekprofiel. Het traject moet zijn afgestemd op de persoonlijke (medische) situatie van een betrokkene en of dat traject adequaat is en/of tijdig gestart vergt dan ook een individuele afweging. Het is overigens de vraag wat het concrete resultaat was geweest indien het tweede spoor eerder was ingezet en of in dat geval geen re-integratiekansen zouden zijn gemist. Deze motivering ontbreekt in het geheel.
Eiseres heeft er alles aan gedaan om de werknemer te re-integreren. Het feit dat de re-integratie in het tweede spoor te laat (en verkeerd) zou zijn ingezet, wordt eiseres te zwaar aangerekend. Het doel van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA is het bevorderen van de re-integratie. Met de argumentatie in het bestreden besluit gaat het UWV volledig voorbij aan het doel van re-integratie. De re-integratie van een zieke werknemer is geen resultaatsverplichting, maar een inspanningsverplichting en vereist maatwerk, waarbij heeft te gelden dat de werkgever moet laten zien dat hij heeft gehandeld als een redelijk handelend werkgever dat zou doen in het kader van de re-integratie van een zieke werknemer. Dat is exact wat eiseres heeft gedaan: de re-integratie van de werknemer vorm te geven, waarbij rekening is gehouden met haar specifieke medische situatie en beperkte belastbaarheid. De conclusie is dat de re-integratie-inspanningen van eiseres voldoende zijn geweest. Subsidiair geldt dat het eerder starten van een tweede-spoortraject geen verschil had gemaakt: ook dan was de werknemer niet herplaatst buiten de organisatie. De medische situatie was dusdanig dat van eiseres geen andere of verdergaande inspanningen gevergd konden worden. In alle gevallen geldt dat geen re-integratiekansen zijn gemist, althans dat daarvoor een deugdelijke grond aanwezig was.
4.1.
Ter onderbouwing van de beroepsgronden heeft eiseres een arbeidsdeskundige analyse van arbeidsdeskundige F. van den Berg van 16 september 2025 overgelegd. Daarin concludeert Van den Berg – samengevat – het volgende. Voor een oordeel over de aanpak is een medisch standpunt nodig. Er ligt echter geen medisch standpunt van de verzekeringsarts aan het besluit ten grondslag en het standpunt van de bedrijfsarts kan de door het UWV vastgestelde tekortkomingen niet dragen. De arbeidsdeskundige gebruikt min of meer medische argumenten, zonder overleg met een verzekeringsarts
.Het is onduidelijk hoe het UWV de periode waarover een verwijt wordt gemaakt ingevuld had willen zien. De onderbouwing van het gemiste resultaat is onvoldoende. De arbeidsdeskundige kan de visie dat de belastbaarheid per einde wachttijd hoger had kunnen zijn niet onderbouwen, aldus Van den Berg.
Het verweer van het UWV
5. Het UWV stelt zich in het verweerschrift van 18 december 2024 op het standpunt dat de primaire arbeidsdeskundige uitgebreid heeft geschreven en nog per e-mail contact heeft gehad met eiseres om helder te krijgen waarom het tweede spoor te laat is ingezet. Het UWV verwijst naar de rapportage van de arbeidsdeskundige van 24 mei 2024. De arbeidsdeskundige b&b kwam in bezwaar tot dezelfde conclusie. Door eiseres is geen gebruik gemaakt van haar recht om gehoord te worden. Daarnaast is het het UWV niet bekend op welke specifieke medische informatie van de werknemer eiseres doelt.
5.1.
Als reactie op de beroepsgronden en de arbeidsdeskundige analyse van Van den Berg van 16 september 2025 heeft het UWV een rapportage van de arbeidsdeskundige b&b van 7 oktober 2025 overgelegd. De arbeidsdeskundige b&b verwijst daarin naar de rapportage van de arbeidsdeskundige van 24 mei 2024 en de rapportage van de arbeidsdeskundige b&b van 9 september 2024. De arbeidsdeskundige b&b stelt zich op het standpunt dat eiseres niet met andere feiten en omstandigheden komt die tot een andere conclusie leiden in beroep. Verder concludeert hij dat er in beroep geen nieuwe medische feiten zijn aangedragen, waaruit blijkt dat de werknemer minder belastbaar was dan is vastgesteld door de bedrijfsarts op 26 juli 2023. Juist doordat er een belastbaarheid was opgesteld in juli 2023 had eiseres moeten starten met re-integratieactiviteiten in spoor 2 en dat heeft zij nagelaten. De persoonlijke situatie van de werknemer in juli 2023 was juist verbeterd waardoor een spoor 2 geïndiceerd was en dus aansloot op de persoonlijke situatie van de werknemer. Volgens de arbeidsdeskundige b&b is nergens gesteld door de arbeidsdeskundige of door de arbeidsdeskundige b&b in bezwaar dat de werknemer herplaatst had moeten zijn in mei 2024. Er zijn in mei 2024 op het toetsmoment te weinig sollicitatieactiviteiten geweest en er is slechts een opbouw van vier uren. Bovendien was de werknemer in mei 2024 nog niet in staat om zelfstandig te opereren op de arbeidsmarkt. Tot slot merkt de arbeidsdeskundige b&b op dat in de Wet verbetering Poortwachter een hard criterium is vastgelegd, namelijk dat men uiterlijk zes weken na een jaar ziekte een spoor 2 moet starten. Dus omstreeks augustus 2023. Het feitelijk starten van spoor 2 op 5 december 2023 is dan ook te laat.
Wat vindt de werknemer?
6. De werknemer heeft in haar reactie op het beroep van eiseres aangegeven dat zij het standpunt van het UWV deelt, omdat het tweede spoor te laat is ingezet.
Wat vindt de rechtbank?
Het toetsingskader
7. In artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de werkgever ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf bevordert. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.
7.1.
Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en Pro de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt Pro dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…) verlengt, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.
7.2.
Op grond van artikel 65 van Pro de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.
7.3.
Bij het toetsen van de re-integratie-inspanningen van een werkgever maakt het UWV gebruik van de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter [3] (Beleidsregels).
7.3.1.
In de Beleidsregels heeft het UWV een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. De Beleidsregels bieden niet alleen inzicht in de wijze waarop het UWV de geleverde re-integratie-inspanningen beoordeelt, maar het is voor de werkgever en de werknemer ook een richtsnoer voor de aanpak van de re-integratie. Bij de beoordeling staat het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien het UWV het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op het re-integratieproces in de eerste twee ziektejaren en datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is.
7.3.2.
Voor de situatie waarin geen bevredigend resultaat is bereikt en het UWV tot het oordeel is gekomen dat de werkgever bij zijn re-integratie-inspanningen in gebreke is gebleven, is in de Beleidsregels opgenomen dat door het UWV in de beslissing waarbij aan de werkgever een loonsanctie wordt opgelegd, wordt vermeld wat er schort aan de geleverde re-integratie-inspanningen, dat de werkgever dit moet herstellen en op welke wijze herstel kan plaatsvinden. Gelet op het belastende karakter van een loonsanctiebesluit zal het UWV aannemelijk moeten maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarbij deugdelijk en concreet moeten motiveren waaruit de tekortkoming bestaat. [4]
7.3.3.
Het UWV heeft in de Werkwijzer Poortwachter richtlijnen voor werkgevers gegeven voor de re-integratie van de werknemer. Ook geeft het UWV daarin meer uitleg over hoe het UWV de re-integratie beoordeelt. Daarin staat (paragraaf 4.3.1 op pagina 12):
“Zodra er geen zicht (meer) bestaat op een structurele hervatting binnen de eigen organisatie, moet er een adequaat tweede-spoortraject worden gestart om de hervattingskansen van de arbeidsongeschikte werknemer zo veel mogelijk te vergroten. Een tweede-spoortraject moet uiterlijk binnen 6 weken na de Eerstejaarsevaluatie (in de 52e verzuimweek) worden gestart.”
Heeft het UWV terecht besloten dat eiseres het loon van de werknemer door moet betalen tot 24 juni 2025?
8. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er bij de re-integratie van de werknemer geen bevredigend resultaat is bereikt, zoals bedoeld in de Beleidsregels. Ook is niet in geschil dat door eiseres voldoende inzichtelijk is gemaakt dat er geen verdere mogelijkheden waren in spoor 1. Daarnaast zijn partijen het er over eens dat de re-integratie in spoor 2 zes weken na het einde van het eerste ziektejaar van de werknemer moet worden opgestart. Tussen partijen is wel in geschil of de re-integratie inspanningen van eiseres in spoor 2 tijdig zijn gestart en voldoende zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat deze re-integratie-inspanningen in spoor 2 niet tijdig zijn gestart en ook onvoldoende zijn geweest en dat eiseres daarvoor geen deugdelijke grond had. Hierna zal zij uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
8.1.
Zoals in 7.3.3 is opgemerkt moet een spoor 2 traject uiterlijk binnen zes weken na de 52e week van ziekte worden gestart. De werknemer is ziek geworden op 28 juni 2022. Dat betekent dat er uiterlijk medio augustus 2023 een spoor 2 traject had moeten worden gestart door eiseres.
8.1.1.
Uit de ‘Voortgangsrapportage re-integratie 2e spoor’ van Staat van Dienst van 6 maart 2024 blijkt dat de werknemer op 23 november 2023 is aangemeld en dat zij op 5 december 2023 is gestart met het traject. In september 2023 is door de, door eiseres ingeschakelde, arbeidsdeskundige geadviseerd om een spoor 2 traject te starten. Desondanks is dit traject eerst eind november 2023 gestart.
8.1.2.
Door eiseres is tijdens de zitting verklaard dat op 21 september 2023 contact is geweest tussen de werknemer en het re-integratiebureau Staat van Dienst en dat er op 4 oktober 2023 een eerste afspraak (intake) heeft plaatsgevonden. Dat blijkt echter niet uit voornoemde voortgangsrapportage. Eiseres heeft dit ook niet met nadere stukken onderbouwd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het spoor 2 traject eerst op 22 november 2023 is gestart. Dat betekent dat re-integratie in spoor 2 te laat is gestart door eiseres.
8.2.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat er gewacht is met het starten van de re-integratie in spoor 2, omdat de werknemer dit gelet op haar medische situatie nog niet aan kon. Vanuit goed werkgeverschap wilde eiseres de werknemer daarom meer tijd en ruimte geven. Ook wilde eiseres de uitkomsten van het arbeidsdeskundig onderzoek van september 2023 afwachten. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Het standpunt dat de werknemer re-integratie in spoor 2 niet aankon, is namelijk niet met nadere (medische) stukken onderbouwd. Bovendien is later, in november/december 2023, wel gestart met de re-integratie in spoor 2, terwijl de belastbaarheid van de werknemer toen hetzelfde was als in juli 2023. De bedrijfsarts heeft na juli 2023 namelijk niet opnieuw de belastbaarheid van de werknemer vastgesteld. Kennelijk vonden eiseres en de werknemer dat de werknemer op basis van de in juli 2023 vastgestelde belastbaarheid wel tot re-integratie in spoor 2 in staat was. Eiseres heeft verder ook geen (medische) informatie overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat deze vastgestelde belastbaarheid niet correct was. De rechtbank kan eiseres daarom ook niet volgen in haar standpunt dat zij eerst de belastbaarheid van de werknemer in kaart wilde brengen alvorens te starten met de re-integratie in spoor 2.
8.2.1.
Bij een eerdere start van het tweede-spoortraject hadden er eerder stappen gezet kunnen worden. Daarbij valt te denken aan het verrichten van meer sollicitatieactiviteiten en het eerder starten met een proefplaatsing bij een andere werkgever. Daar komt nog bij dat het UWV terecht stelt dat er slechts zes sollicitatieactiviteiten en/of activiteiten zijn verricht gericht op het contactleggen met een potentiële werkgever, waarbij ook nog sprake is geweest van sollicitaties op functies die niet passen in het profiel van de werknemer.
8.2.2.
De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot het oordeel dat de re-integratie-inspanningen van eiseres in spoor 2 te laat zijn opgestart en (mede door de late start) onvoldoende zijn geweest.
8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is door het UWV in de rapportages van de arbeidsdeskundige en van de arbeidsdeskundige b&b voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat eiseres geen deugdelijke grond had voor het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen in spoor 2 en dat de tekortkomingen daarin hersteld konden worden. De stelling van de eiseres dat zij enkele maanden nodig had om de belastbaarheid in kaart te brengen, is geen deugdelijke grond omdat, zoals de rechtbank in 8.2 heeft geoordeeld, de bedrijfsarts de belastbaarheid in juli 2023 al had vastgesteld.
8.4.
De rechtbank volgt eiseres en haar arbeidsdeskundige Van den Berg niet in het standpunt dat het UWV een onderzoek door een verzekeringsarts had moeten laten verrichten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat door de bedrijfsarts in juli 2023 de belastbaarheid van de werknemer in kaart was gebracht. Aan de hand van deze belastbaarheid is vervolgens het tweede-spoortraject gestart bij Staat van Dienst in november 2023. Bovendien heeft eiseres ook geen nadere (medische) informatie overgelegd die twijfel doet zaaien aan deze vastgestelde belastbaarheid van juli 2023 of als gevolg waarvan het UWV onderzoek had moeten laten doen door een verzekeringsarts.
8.5.
Ook volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig en onvoldoende is gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de arbeidsdeskundigen (b&b) van het UWV voldoende zorgvuldig gemotiveerd hoe zij tot hun conclusies zijn gekomen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de arbeidsdeskundige eiseres per e-mail op de hoogte heeft gesteld van haar bevindingen en eiseres daarbij in de gelegenheid heeft gesteld om daarop te reageren. Van deze mogelijkheid heeft eiseres ook gebruik gemaakt.
8.6.
Gelet op het feit dat een loonsanctie geen punitief karakter mag hebben, moet er de mogelijkheid zijn om de tekortkomingen te herstellen. Dat is hier aan de orde. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de arbeidsdeskundigen voldoende hebben gemotiveerd dat de tekortkomingen zijn te herstellen. Dat is door eiseres ook niet gemotiveerd betwist.
8.7.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het UWV terecht besloten heeft dat eiseres het loon van de werknemer door moet betalen tot 24 juni 2025.
8.8.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij, mede gelet op de toelichting van eiseres tijdens de zitting, niet twijfelt aan het goed werkgeverschap van eiseres. De rechtbank heeft begrip voor de opstelling van eiseres jegens de werknemer in haar re-integratie, maar dat laat onverlet dat, zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, het spoor 2 traject niet goed is verlopen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiseres verwijst naar rechtsoverweging 4.6 van de uitspraak van 2 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:976.
3.Besluit van 3 december 2002, Stct. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224.
4.Bijvoorbeeld de uitspraak van 18 november 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717).