De vader verzoekt de voorzieningenrechter om te voorkomen dat de moeder met hun minderjarige kind verhuist naar Polen, omdat het kind goed is geworteld in Nederland en de vader een groot deel van de zorg draagt. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit en de moeder heeft geen toestemming van de vader gegeven voor de verhuizing.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. De spoedeisendheid wordt erkend vanwege de geplande verhuizing rond 26 juli 2024. De moeder heeft de noodzaak van de verhuizing onvoldoende onderbouwd en de verhuizing zou leiden tot een grote inperking van het contactrecht van de vader.
De rechter weegt de belangen van het kind zwaar en constateert dat het kind een hechte band met de vader heeft, goed functioneert op school en een netwerk in Nederland heeft opgebouwd. De moeder kan telefonisch contact tussen vader en kind niet als volwaardig alternatief bieden. Daarom wordt de moeder verboden om buiten een straal van 15 kilometer van de echtelijke woning te verhuizen, onder oplegging van een dwangsom van € 10.000.
Daarnaast wordt het kind voorlopig aan de vader toevertrouwd vanwege zijn grotere rol in de verzorging en de beperkte woonruimte bij de moeder. De ouders worden geacht de voorlopige zorgregeling na te leven en ieder draagt zijn eigen proceskosten.