Partijen sloten in 2007 een optieovereenkomst waarbij Efgom haar supermarkt eerst aan GHG moest aanbieden bij verkoop. GHG maakte in 2010 gebruik van dit recht, waarna een koopovereenkomst werd gesloten. GHG ontbond deze koopovereenkomst kort daarna vanwege het niet kunnen sluiten van een franchiseovereenkomst met Albert Heijn.
De rechtbank beoordeelde of het eerste recht van koop opnieuw moest worden verleend na ontbinding en of dit recht herleefde. Volgens de rechtbank was het recht uitgeoefend en tenietgegaan met de koopovereenkomst en ontbinding daarvan leidde niet tot herleving. Artikel 1.12 van de optieovereenkomst voorziet slechts in herleving bij ondubbelzinnige kennisgeving van geen gebruik en geen verkoop binnen een jaar, wat hier niet aan de orde was.
GHG stelde dat het recht wel herleefde en dat Efgom haar onderneming moest blijven aanbieden, maar de rechtbank verwierp dit op grond van een redelijke uitleg van de overeenkomst volgens de Haviltex-maatstaf. De vorderingen van Efgom werden toegewezen en GHG werd veroordeeld in de proceskosten.