De officier van justitie besloot de verdachte niet verder te vervolgen en bracht dit op 3 februari 2023 schriftelijk over. Verzoeker diende vervolgens een verzoek in tot vergoeding van de kosten van zijn raadsman, waaronder ook werkzaamheden na de sepotmededeling.
De rechtbank behandelde het verzoek op 20 december 2023 en hoorde alle partijen. Het openbaar ministerie erkende slechts een gedeeltelijke vergoeding toe te kennen, omdat sommige werkzaamheden na het sepot volgens hen niet vergoedbaar waren. De raadsman stelde echter dat deze werkzaamheden noodzakelijk waren om de sepotbeslissing nader toe te lichten aan de cliënt, omdat de sepotbeslissing geen concrete motivering bevatte.
De rechtbank oordeelde dat het billijk is om ook de kosten van de werkzaamheden na het sepot te vergoeden, omdat de advocaat tijd moest krijgen om de sepotbeslissing uit te leggen aan de cliënt. De rechtbank wees het verzoek daarom volledig toe en bepaalde een vergoeding van €4.883,72 ten laste van de Staat.