ECLI:NL:RBGEL:2023:5688

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 oktober 2023
Publicatiedatum
17 oktober 2023
Zaaknummer
AWB-23_6502
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugsgerelateerde bestuursdwang

Verzoekster huurt een woning waarin op 3 februari 2023 een politie-inval plaatsvond in het kader van een onderzoek naar een crimineel samenwerkingsverband betrokken bij synthetische drugsproductie. Tijdens de inval werden onder meer drugs, een vuurwapen en grote geldbedragen aangetroffen. De burgemeester legde daarop een last onder bestuursdwang op tot sluiting van de woning voor drie maanden. Verzoekster maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.

De voorzieningenrechter had eerder een voorlopige voorziening toegewezen die het besluit schorste. Het college handhaafde het besluit en bepaalde een latere sluitingsdatum voor twee maanden. Verzoekster voerde aan dat de sluiting in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat haar broer, die in een vergelijkbare situatie verkeert, aanvankelijk een lichtere maatregel kreeg opgelegd.

De burgemeester stelde dat nieuwe informatie een zwaardere maatregel bij de broer rechtvaardigde. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gevallen niet gelijk zijn, vooral gezien de gelijkenissen in aangetroffen goederen en de aanwezigheid van minderjarige kinderen in beide woningen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het besluit tot zes weken na de beroepsbeslissing en veroordeelt de burgemeester tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft een redelijke kans van slagen en zal in de bodemprocedure nader worden onderzocht.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen sluiting woning wordt toegewezen en besluit geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/6502

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

16 oktober 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.A. Prins),
en

de burgemeester van de gemeente Doetinchem

(gemachtigde: mr. R.A.M. Elbers).

Zitting

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van de burgemeester en [verhuurder] namens [verhuurder].
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna onder de beslissing.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
-schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat op het beroep is beslist;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 184,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan verzoekster.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van 11 mei 2023, waarin een last onder bestuursdwang tot sluiting van de woning is opgelegd. Met het bestreden besluit van
14 september 2023 is het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoekster huurt een woning aan de [locatie] in [woonplaats] van [verhuurder]. Zij woont daar met haar minderjarige kind.
2.1.
De politie heeft op 3 februari 2023 de woning van verzoekster doorzocht in het kader van de landelijke klapdag, naar aanleiding van de berichten die zijn verstuurd via de versleutelde app “Exclu Chat”. Deze app heeft de politie inzicht gegeven in meerdere criminele samenwerkingsverbanden (CSV), waaronder een crimineel samenwerkings-verband van personen die voornamelijk in Doetinchem en omgeving wonen. Dit samenwerkingsverband houdt zich bezig met de productie, handel en verkoop van synthetische drugs. Verzoekster is de zus van een van de anderen in het onderzoek aangehouden verdachten en tevens de partner van de heer [naam] , die zijn verblijfplaats heeft op het adres van verzoekster. Uit onderzoek van de politie is naar voren gekomen dat [naam] samenwerkt in de opbouw van productielocaties van synthetische drugs en regelt dat productielocaties (synthetische drugslaboratoria) stoffen worden omgezet. Hij voert synthetische drugs in vanuit België naar Nederland.
2.1.1.
De politie trof in de woning van verzoekster het volgende aan:
  • beige gekleurde pillen met opdruk “db” of “qp” en op de andere kant de opdruk van een kop. In totaal 64 hele pillen, zes halve pillen en vier afgebroken stukjes;
  • een vuurwapen;
  • een geldbedrag van in totaal € 65.375, verpakt in een plastic jumbo tas en daarin verpakt een zwart gekleurde plastictas. Bedrag voornamelijk in coupures van 200, 100 en 50 euro;
  • rijbewijs op naam van [naam] ;
  • een geldbedrag van een geldbedrag van € 1.300, hoofdzakelijk in coupures van vijf en tien euro;
  • een geldbedrag van € 1.580 voornamelijk in coupures van 20 euro;
  • correspondentie gericht aan [naam] .
Verder zijn op het adres diverse digitale gegevensdragers, mobiele telefoons, een personenauto en administratie in beslag genomen. Het totale inbeslaggenomen geldbedrag bedroeg € 68.255,-. Bij de doorzoeking is [naam] aangehouden in de woning.
2.2.
Op 2 maart 2023 heeft de politie een bestuurlijke rapportage uitgebracht en verzonden aan de burgemeester. Bij het opstellen van de bestuurlijke rapportage waren de indicatieve testresultaten van de inbeslaggenomen pillen nog niet bekend.
2.3.
Naar aanleiding van het ontvangen rapport van de politie heeft de burgemeester op 29 maart 2023 aan verzoekster het voornemen meegedeeld om een last onder bestuursdwang tot sluiting van de woning op te leggen. Naar aanleiding van dit voornemen heeft verzoekster een zienswijze ingediend.
2.4.
Uit het proces-verbaal van bevindingen vanuit de Forensische Opsporing blijkt dat de aangetroffen verdovende middelen inmiddels onderzocht zijn. Hieruit blijkt dat het volgende is aangetroffen in de woning: een dicht geknoopte plastic zak, gevuld met tabletten, crème gekleurd, van in totaal 31,19 gram, in totaal 67 stuks, positieve indicatie voor MDMA (lijst 1 Opiumwet).
2.5.
Vervolgens is de burgemeester overgegaan tot het opleggen van de voorgenomen last onder bestuursdwang, inhoudende dat de woning wordt gesloten vanaf maandag 22 mei 2023 om 11:30 uur voor de duur van drie maanden (tot dinsdag 22 augustus 2023 om 11:30 uur).
2.6.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.7.
Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juni 2023 is het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en is het besluit van 11 mei 2023 geschorst tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar.
2.8.
Bij bestreden besluit heeft het college het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Het college heeft rekening gehouden met het tijdsverloop en daarom beslist dat de woning van verzoekster zal worden gesloten vanaf 27 oktober 2023 om 10.00 uur voor de duur van twee maanden (tot 27 december 2023 om 10.00 uur).
2.9.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Heeft de burgemeester terecht een last onder bestuursdwang opgelegd?
3. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in zijn uitspraak voorlopige voorziening van 1 juni 2023, hangende de bezwaarprocedure, overwogen dat de burgemeester bevoegd is tot sluiting van de woning over te gaan, dat de burgemeester handelt in overeenstemming met de beleidsregels [1] en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die sluiting van de woning onevenredig maken. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen reden om thans tot een ander oordeel te komen.
4. Verzoekster voert verder aan dat sluiting van haar woning strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Daarvoor verwijst zij naar het besluit met betrekking tot de woning van haar broer, [broer] . In zijn woning zijn meerdere zakken met daarin vermoedelijk xtc-pillen, een zak met grijsbruine brokken, een pot met witte brokken, een weegschaaltje, plastic zakjes en een lepeltje aangetroffen. Bovendien werd een nep vuurwapen in zijn woning gevonden. In de bestuursrechtelijke rapportage wordt gesteld dat zijn woning onderdeel uitmaakt van hetzelfde criminele samenwerkingsverband als die waarvan haar woning onderdeel uit zou maken. Aan de broer is aanvankelijk bij besluit een last onder dwangsom opgelegd. De burgemeester heeft echter op grond van nieuwe informatie dit besluit herzien en ook het besluit genomen om de woning voor twee maanden te sluiten. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat, nu er sprake is van een gelijk geval, in haar situatie ook een last onder dwangsom of een lichtere maatregel opgelegd had moeten worden.
5. De burgemeester stelt dat op basis van nieuw verkregen informatie over de broer, diens woning en de rol daarvan binnen het CSV, het besluit heeft genomen om de betreffende last onder dwangsom in te trekken en te vervangen door een last onder bestuursdwang, strekkende tot sluiting van de woning voor de duur van twee maanden. Gelet op laatstgenoemde situatie kan het beroep van verzoekster op het gelijkheidsbeginsel volgens de burgemeester niet slagen.
6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak moet voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel een rechtens vergelijkbaar geval worden genoemd, dat het betreffende bestuursorgaan ongelijk heeft behandeld. [2]
6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zijn besluit op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarbij gaat de voorzieningenrechter uit van het moment van eerste oplegging van de last onder dwangsom ten aanzien van de broer van verzoekster en de last onder bestuursdwang ten aanzien van verzoekster. Niet gebleken is dat de omstandigheden (in de woning) van de broer van verzoekster op dat moment zo afwijkend waren van de omstandigheden (in de woning) van verzoekster dat die rechtvaardigen dat in dat geval anders is gehandhaafd. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat net als in de woning van verzoekster in de woning van haar broer diverse goederen zijn aangetroffen die gelinkt kunnen worden aan de handel in drugs, van beiden hun rol in het CSV nog onduidelijk is en in beide woningen één of meer minderjarige kinderen wonen. De stelling van de burgemeester dat bij de broer eerst kon worden volstaan met een last onder dwangsom omdat hij een lichtere rol heeft vervuld dan verzoekster, strookt niet met het gegeven dat de broer van verzoekster in het strafrechtelijk onderzoek wel is aangemerkt als verdachte en verzoekster niet. Dat de burgemeester op grond van nieuwe informatie later alsnog tot sluiting van de woning van de broer is overgegaan, is voor het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet relevant. Dat maakt namelijk dat de situatie mogelijk niet meer vergelijkbaar is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke kans van slagen, maar hiernaar zal in de bodemzaak nader onderzoek moeten worden gedaan. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat op het beroep is beslist.
7.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 837,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.674,-.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2023 door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Beleidsregels artikel 13b Opiumwet gemeente [woonplaats] 2021.
2.Bijvoorbeeld ABRvS 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2417.