ECLI:NL:RBGEL:2023:5399
Rechtbank Gelderland
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Onontvankelijkheid vordering filteren e-mailbox door rechter-commissaris bevestigd
De officier van justitie vorderde bij de rechter-commissaris het filteren van een e-mailbox die volgens artikel 126aa Sv aan de procestukken moet worden toegevoegd, met het doel mailberichten van geheimhouders af te scheiden voor het opsporingsteam. De rechter-commissaris verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk omdat volgens hem de wetgever uitdrukkelijk de officier van justitie als bevoegde functionaris heeft aangewezen voor geheimhoudersgegevens en de rechter-commissaris geen rol heeft in deze procedure.
De officier van justitie ging in hoger beroep en verwees naar een arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch dat prejudiciële vragen aan de Hoge Raad stelde en tijdelijke maatregelen trof waarbij de rechter-commissaris betrokken werd bij filtering van geheimhoudersgegevens. Hij stelde dat hij hierdoor in een onmogelijke positie verkeert omdat hij enerzijds het opsporingsbelang moet dienen en anderzijds een rechterlijke uitspraak moet opvolgen.
De rechtbank overwoog dat het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch slechts tussen partijen bindt en niet in algemene zin bevoegdheden aan de rechter-commissaris kan toekennen die de wetgever expliciet aan de officier van justitie heeft gegeven. De rechtbank concludeerde dat de beslissing van de rechter-commissaris op goede gronden is genomen en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
De rechtbank benadrukte dat eventuele aanpassingen in de procedure rond geheimhouders alleen via wetgeving kunnen worden gerealiseerd en dat de huidige wettelijke regeling, inclusief de rol van de officier van justitie, leidend blijft totdat de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoordt.
Uitkomst: Het hoger beroep van de officier van justitie wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van zijn vordering door de rechter-commissaris blijft in stand.