Partijen zijn gescheiden en hebben samen vier kinderen, waarvan één minderjarig die bij de vrouw woont. De vrouw verzoekt een kinderalimentatie van €300 per maand vanaf 15 juli 2022, stellende dat de man naast zijn uitkering zwart werkt en inkomsten uit kamerhuur heeft. De man betwist dit en stelt geen draagkracht te hebben.
De rechtbank beoordeelt het bewijsaanbod van de vrouw om getuigen te horen en filmpjes te overleggen ter onderbouwing van verborgen inkomsten. Dit bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat de vrouw geen begin van bewijs heeft geleverd en haar processtrategie in strijd is met de substantiëringsplicht en goede procesorde.
De man heeft een draagkracht vastgesteld op €25 per maand op basis van zijn uitkering. Zijn beroep op noodzakelijke medicatiekosten die voorgaan op onderhoud wordt onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de behoefte van het kind niet nader te beoordelen omdat de draagkracht de beperkende factor is.
De ingangsdatum van de alimentatie wordt gesteld op de datum van de beschikking, 21 maart 2023, en de betaling moet vooruit plaatsvinden. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. Het verzoek wordt voor het overige afgewezen.