Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2021:5413

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 oktober 2021
Publicatiedatum
12 oktober 2021
Zaaknummer
8686425 \ CV EXPL 20-7343 / 858
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230j BWArt. 6:230m lid 1 sub a BWArt. 6:233 sub a BWArt. 6:236 BWArt. 6:237 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verbruikskosten Ziggo On Demand en afwijzing restwaarde Mediaboxen

In deze verstekzaak vordert Ziggo Services B.V. betaling van abonnementsgelden en kosten voor de aanvullende dienst Ziggo On Demand van de gedaagde partij. De gedaagde partij is niet verschenen, waarna verstek is verleend. De kantonrechter bevestigt dat Ziggo On Demand een aanvullende dienst is in de zin van artikel 6:230j BW en wijst de gevorderde kosten van €5,99 toe. Tevens worden de abonnementsgelden toegewezen, aangezien de gedaagde partij de diensten kennelijk heeft genoten zonder bezwaar.

De kantonrechter beoordeelt ambtshalve de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en stelt vast dat het beding over de restwaarde van de Mediaboxen een eenzijdig wijzigingsbeding betreft dat als oneerlijk wordt aangemerkt en daarom wordt vernietigd. Hierdoor kan de restwaarde van €182,02 niet worden gevorderd. Subsidiair wordt een schadevergoeding op grond van artikel 6:87 BW Pro afgewezen, conform het arrest van het HvJ EU van 27 januari 2021.

Verder worden wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van €290,62 plus rente en proceskosten. De kosten voor extra akten blijven voor rekening van de eisende partij. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van €290,62 plus wettelijke rente en proceskosten; de restwaarde van de Mediaboxen wordt afgewezen wegens oneerlijk beding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 8686425 \ CV EXPL 20-7343 / 858
uitspraak van 13 oktober 2021
verstekvonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Ziggo Services B.V.
gemachtigde LAVG Groningen
eisende partij
tegen
[gedaagde]
gedaagde partij
niet verschenen

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Op 4 augustus 2021 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen. Voor het verloop van de procedure tot aan dat moment wordt naar dit tussenvonnis verwezen.
1.2.
Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
1.3.
Bij akte van 1 september 2021 heeft de eisende partij haar vordering nader toegelicht.
1.4.
Vervolgens is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. De akte geeft geen aanleiding daarop terug te komen.
2.2. (
(Pre)contractuele informatieverplichtingen (in deze procedure)
Op basis van wat de eisende partij in deze procedure heeft gesteld en onderbouwd, moet worden vastgesteld dat ten aanzien van in ieder geval de essentiële informatie niet (volledig) is voldaan aan de hiervoor besproken (pre)contractuele informatieverplichtingen.
In de door de eisende partij overgelegde bevestigingsbrieven, die als duurzame gegevensdrager kunnen worden aangemerkt, is aan de gedaagde partij essentiële informatie met betrekking tot de overeenkomst verstrekt, maar de ingangsdatum van de overeenkomst is niet vermeld, zodat onduidelijk is binnen welke termijn de eisende partij zicht verbindt de dienst(en) te verlenen en per wanneer voor de gedaagde partij een betalingsverplichting ontstaat. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de (pre)contractuele informatieverplichtingen op dit onderdeel niet zijn nageleefd.
Ook is onvoldoende gesteld of gebleken dat en hoe de gedaagde partij voor het sluiten van de overeenkomst erop is gewezen dat ten aanzien van de aan haar verstrekte apparatuur (Mediabox en Mediabox XL) sprake zou zijn van bruikleen (welke bruikleen door de eisende partij is gesteld en door de gedaagde partij niet is weersproken). Vermelding van dergelijke essentialia in de algemene voorwaarden volstaat niet. Daarmee is ook ten aanzien van dit (bruikleen-)deel van de overeenkomst niet voldaan aan artikel 6:230m lid 1 sub a BW.
De vraag is welke gevolgen dit voor de vordering moet hebben. Er is veel discussie, ook binnen de rechtspraak, over de vraag of en op welke wijze de naleving van de informatieverplichtingen moet worden getoetst en (bij niet naleving) moet worden gesanctioneerd. De wet geeft immers niet steeds een duidelijke sanctie op een schending van de diverse informatieverplichtingen. Dat heeft ertoe geleid dat het voor partijen en hun gemachtigden niet steeds voldoende helder was wat in een procedure van hen verlangd wordt met betrekking tot het stellen en substantiëren ten aanzien van de (pre)contractuele informatieverplichtingen. Daarom wordt aan eventuele tekortkomingen in deze zaak op dit moment geen sanctie verbonden.
Toekomstige procedures
Op basis van het bovenstaande moet nu voldoende duidelijk zijn wat in het kader van de wettelijke informatieverplichtingen ten aanzien van duurovereenkomsten en/of overeenkomsten tot dienstverlening wordt verwacht, zowel ten aanzien van het bestelproces als ten aanzien van de manier waarop een vordering op basis van koop op afstand of buiten de verkoopruimte moet worden onderbouwd. Zowel handelaren als hun rechtsopvolgers en gemachtigden mogen aldus in staat worden geacht om hun werk(proces) daarop in te richten.
Niet uitgesloten is dat, in tegenstelling tot het onderhavige vonnis, op termijn bij nieuw aan te brengen dagvaardingen wel gevolgen zullen worden verbonden aan het niet voldoen aan de hiervoor besproken (pre)contractuele informatieverplichtingen. Daartoe zal echter eerst de beantwoording van de prejudiciële vragen van de rechtbanken Noord-Nederland (13 oktober 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3353) en Amsterdam (21 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6481) aan de Hoge Raad worden afgewacht. In afwijking van wat mogelijk in eerdere vonnissen is vermeld, zal daarom vooralsnog niet per 1 april 2021 worden overgaan tot het verbinden van gevolgen aan het niet (in alle opzichten) naleven van de hiervoor besproken (pre)contractuele informatieverplichtingen, afgezien van toepassen van de specifieke sancties die de wet op enkele informatieverplichtingen stelt.
Het is aan de eisende partijen en hun gemachtigden om te bepalen of en hoe zij tegen die tijd procedures aanhangig wensen te maken. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat het hen waar nodig uiteraard vrij staat om in toekomstige procedures de (al dan niet voorwaardelijke) vorderingen en grondslagen te wijzigen of aan te vullen en daarbij op voorhand rekening te houden met een eventuele vernietiging en de terugwerkende kracht en verdere gevolgen daarvan.
2.3.
Verdere beoordeling van de vordering
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven op de vordering met betrekking tot “Films van Ziggo on Demand”. De eisende partij heeft in haar akte uiteengezet dat het huren van films via Ziggo on Demand volgens haar kan worden gekwalificeerd als een aanvullende dienst in de zin van artikel 6:230j BW. Tevens heeft zij het bestelproces toegelicht en schermafdrukken daarvan overgelegd. Op het moment dat de consument in de On-Demand omgeving op de televisie kiest voor de optie ‘Huren’ dan wordt het aanbod van de te huren films getoond. Wanneer de consument een film kiest, wordt aangegeven wat de kosten zijn en wat de huurperiode van deze film is. Bij het selecteren van een film dient een wachtwoord ingevoerd te worden. De consument wordt er dus voor het sluiten van de huurovereenkomst op gewezen wat de kosten van de film zijn en tot wanneer de film bekeken kan worden.
De kantonrechter is met de eisende partij van oordeel dat sprake is van een aanvullende dienst in de zin van artikel 6:230j BW. De eisende partij heeft bovendien voldoende toegelicht dat de uitdrukkelijke instemming van de consument vereist is voordat de aanvullende dienst kan worden afgenomen. Nu de eisende partij heeft voldaan aan de vereisten van artikel 6:230j BW, is het gevorderde bedrag van € 5,99 ter zake de kosten voor “Films van Ziggo on Demand” toewijsbaar.
Geen aanleiding bestaat te vermoeden dat de vordering ten aanzien van de gevorderde abonnementsgelden onrechtmatig of ongegrond is. Daarbij is van belang de omstandigheid dat de gedaagde partij de diensten kennelijk zonder commentaar heeft aanvaard dan wel genoten. De abonnementsgelden en de hiervoor besproken kosten voor “Films van Ziggo on Demand” worden daarom toegewezen.
Ten aanzien van één of meer onderdelen van haar vordering beroept de eisende partij zich op haar toepasselijke algemene voorwaarden. Nu deze procedure als gezegd een overeenkomst tussen een handelaar en een consument betreft, moet de kantonrechter op grond van vaste rechtspraak zo nodig ambtshalve beoordelen of deze bedingen oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13 EG. Artikel 3 van Pro deze richtlijn bepaalt dat een beding als oneerlijk wordt beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De Nederlandse rechter moet deze toets (onder andere) verrichten via de open norm van artikel 6:233 sub a BW Pro en, meer in het bijzonder, de artikelen 6:236 en 6:237 BW. Op grond van de open norm is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar als het onredelijk bezwarend is, gelet op de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen en de overige omstandigheden van het geval. Artikel 5 van Pro de richtlijn bepaalt voorts: “In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. (...)”.
De eisende partij heeft zich in de dagvaarding uitgelaten over de (on)eerlijkheid van de betreffende bedingen.
De eisende partij beroept zich ten aanzien van de restwaarde van de aan de gedaagde partij in bruikleen verstrekte apparatuur ad € 182,02 primair op artikel 22 lid 6 van Pro de algemene voorwaarden. Voor de hoogte van de restwaarde verwijst het beding naar een specifieke pagina op de website van de eisende partij. Die constructie geeft de eisende partij de mogelijkheid de omvang van de kosten eenzijdig te wijzigen, ook ten nadele van de consument. Daarmee valt het beding aan te merken als een eenzijdig wijzigingsbeding, zoals bedoeld in sub j van “de blauwe lijst” bij Richtlijn 93/13 EG, waarbij geldt dat het HvJEU heeft geoordeeld dat dergelijke bedingen aan strenge eisen moeten voldoen en al snel als oneerlijk zijn aan te merken. Gelet hierop wordt het beding als oneerlijk aangemerkt en daarom vernietigd. Het beding kan dus geen grondslag vormen voor de gevorderde restwaarde.
De eisende partij beroept zich ten aanzien van de restwaarde subsidiair op artikel 6:87 BW Pro.
Deze subsidiair gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen, nu uit het arrest van het HvJ EU van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) volgt dat de eisende partij, na vernietiging van een oneerlijk beding, geen aanspraak kan maken op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke schadevergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest.
2.4.
Gelet op het voorgaande wordt de wettelijke rente toegewezen over de toegewezen hoofdsom van € 250,62 (€ 432,64 -/- € 182,02), vanaf de vervaldatum van de betreffende facturen tot aan de dag van de gehele betaling.
2.5.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, omdat deze vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
2.6.
De gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor genomen akte(s) blijven echter voor rekening van de eisende partij, aangezien het in haar risicosfeer ligt dat deze extra akte(s) genomen moest(en) worden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 290,62, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 250,62 vanaf de vervaldatum van de betreffende facturen tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij vastgesteld op:
86,85
aan explootkosten
124,00
aan griffierecht en
75,00
aan salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.