ECLI:NL:RBGEL:2021:5290
Rechtbank Gelderland
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verplichting tot loondoorbetaling na ziekte en loonstop onterecht
De werknemer trad in 2010 in dienst bij de werkgever en meldde zich in april 2016 gedeeltelijk ziek. Na conflicten over re-integratie en een schorsing in 2017 ontstond een geschil over loondoorbetaling. De werkgever kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV en betaalde loon tot april 2019, waarna zij stopte met betaling. De werknemer kreeg een WW-uitkering tot april 2021.
In een bodemprocedure werd de werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallig loon tot eind 2019. De werknemer vorderde in kort geding loonbetaling vanaf januari 2020 tot juni 2021 en later tot juli 2021, met maandelijkse betaling vanaf augustus 2021.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer onvoldoende spoedeisend belang had voor de periode tot 22 april 2021 vanwege de WW-uitkering, maar wel ontvankelijk was voor de periode daarna. De eiswijziging werd toegelaten omdat deze in het verlengde lag van de oorspronkelijke eis. De rechter paste de afstemmingsregel toe en ging uit van het oordeel van de bodemrechter dat de werknemer volledig arbeidsgeschikt was.
De loonstop van 13 juli 2021 door de werkgever werd onrechtmatig verklaard omdat deze niet op de juiste wettelijke grondslag was gebaseerd. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het loon vanaf 23 april 2021, inclusief wettelijke verhoging van 25%, wettelijke rente, achterstallige pensioenpremies en afgifte van loonstroken en jaaropgaven. De kosten van de procedure werden aan de werkgever opgelegd.
Uitkomst: De werkgever is veroordeeld tot loondoorbetaling vanaf 23 april 2021 inclusief wettelijke verhoging en rente, en de loonstop van 13 juli 2021 is onrechtmatig verklaard.