De rechtbank Gelderland behandelde een kort geding waarin eiseres vorderde dat het conservatoir derdenbeslag, gelegd door gedaagde onder diverse banken, zou worden opgeheven. Het beslag was gelegd ter zekerheid van een vordering van gedaagde op eiseres voor goodwill in het kader van de vereffening van hun voormalige vennootschap onder firma (VOF).
Partijen waren betrokken bij een langdurige gerechtelijke procedure over de afwikkeling van de VOF en de verdeling van gemeenschappelijke goederen na het beëindigen van hun affectieve relatie. Het hof had eerder een deskundigenonderzoek gelast om de waarde van de goodwill van de coffeeshop per 29 juni 2016 te bepalen.
De rechtbank oordeelde dat de vordering waarvoor beslag is gelegd niet summierlijk ondeugdelijk was, mede gelet op het lopende deskundigenonderzoek. De tegenvorderingen van eiseres waren onvoldoende aannemelijk gemaakt. De waarde van de garageboxen was ontoereikend om de vordering volledig te dekken, waardoor het beslag onder de banken noodzakelijk bleef.
Na belangenafweging concludeerde de rechtbank dat het beslag niet onnodig was en dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar bedrijfsvoering ernstig werd belemmerd. Daarom werd de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen en werd eiseres veroordeeld in de proceskosten.